Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK8743

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
08/01255
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor schadevergoeding bestaande uit toekenning van de door belanghebbende gevorderde vertragingsrente c.q. renteschade bestaat geen grond. Belanghebbende maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat hem in dezen beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 166
FutD 2010-0137

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 08/01255

datum uitspraak 29 oktober 2009

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z],

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 08/230 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is op 31 oktober 2007 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 51,60 (€ 4,60 parkeerbelasting en € 47,00 aan kosten). Voorts is bij beschikking van dezelfde datum € 53,00 aan kosten wielklem in rekening gebracht.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 18 december 2007, de naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Bij uitspraak van 10 oktober 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 november 2008, aangevuld bij faxen van 26 januari 2009, 6 februari 2009 en 22 juni 2009. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend, aangevuld op 30 juni 2009.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is gezonden.

1.6. Het Hof heeft het onderzoek heropend omdat na de zitting gebleken is dat belanghebbende wegens ziekte niet bij de zitting aanwezig had kunnen zijn.

Vervolgens is een fax met datum 10 september 2009 van belanghebbende bij het Hof ingekomen, die in kopie aan de wederpartij is gezonden. Hierop is door de heffingsambtenaar gereageerd bij brief van 18 september 2009 die in kopie aan belanghebbende is gezonden. Tenslotte heeft belanghebbende op 29 september 2009 een fax gestuurd, die in kopie aan de heffingsambtenaar is gezonden.

Een nadere zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

2. Feiten.

2.1. Aan belanghebbende is op 31 oktober 2007 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en aan zijn auto, welke stond geparkeerd aan de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam, is een wielklem aangebracht.

2.2. Belanghebbende is per taxi naar het betaalkantoor van de Dienst Stadstoezicht aan de Weesperstraat te Amsterdam gegaan voor de betaling van de naheffingsaanslag en de kosten (van aanbrengen en verwijderen van de) wielklem. Vervolgens is hij per taxi teruggekeerd naar zijn auto. De totale taxikosten bedroegen € 38.

2.3. In de brief met datum 15 juni 2009, welke bij het Hof is ingekomen op 16 juni 2009, is door de heffingsambtenaar onder meer het volgende geschreven: “Het bovenstaande maakt dat ik nu als volgt beslis: ik vernietig de onderhavige naheffingsaanslag met nummer [xxxxxxx] alsmede de kosten van de naheffingsaanslag en de kosten van de wielklem”. Voorts schreef de heffingsambtenaar in deze brief, voor zover hier van belang: “Het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep zal aan hem worden vergoed. De door hem in deze zaak betaalde gelden zullen aan hem verhoogd met invorderingsrente worden terugbetaald”.

3. Geschil in hoger beroep

Nadat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag heeft verminderd tot nihil en de beschikking kosten wielklem heeft vernietigd is tussen partijen nog slechts in geschil in hoeverre belanghebbende recht heeft op schadevergoeding en vergoeding van proceskosten.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar zich alsnog kunnen vinden in vergoeding van de gemaakte taxikosten van € 38.

4.2. In zijn arrest van 2 september 2005, nr. C04/104HR, LJN AT2884, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“3.8.3 Mede in het licht van de wetsgeschiedenis, strekt de regeling van de vergoeding van de heffings- en invorderingsrente in Iw 1845 - en Iw 1990 - ertoe een algemene en wederkerige regeling te bieden voor verschuldigde schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van de (terug)betaling van een belastingbedrag en beoogt deze een eenvoudig, doelmatig en praktisch uitvoerbaar systeem van gefixeerde compensatie van deswege door de fiscus of de contribuabele geleden renteschade in het leven te roepen. Deze regeling betreft tevens vermindering van een aanslag als gevolg van vernietiging van de aanslag en omvat dus ook gevallen waarin sprake is van een onrechtmatige daad van de fiscus. Art. 18 lid 2 Iw 1845 moet daarom aldus worden uitgelegd dat het een uitputtende regeling bevat van de vergoeding van de onderhavige renteschade en dat daarnaast geen plaats is voor op het burgerlijk recht gebaseerde (aanvullende) vergoeding van compensatoire interessen, ook niet in het geval het betreft teruggaven van belasting wegens een naderhand door de belastingrechter vernietigde aanslag en de Staat deswege uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte renteschade”.

Voor schadevergoeding bestaande uit toekenning van de door belanghebbende gevorderde vertragingsschade c.q. renteschade bestaat dan ook geen grond.

Overigens heeft de heffingsambtenaar - zoals reeds onder 2.3 vermeld - bij brief van 15 juni 2009 gesteld “de door hem in deze betaalde gelden zullen aan hem verhoogd met invorderingsrente worden terugbetaald” en voorts bij brief van 30 juni 2009: “Over belastingbedragen wordt volgens wettelijke systematiek invorderingsrente vergoed”. De juistheid van een inmiddels mogelijk genomen beschikking invorderingsrente is in deze procedure niet aan de orde.

4.3. Belanghebbende heeft tevens verzocht om: “De vergoeding op grond van de wet Besluit Proceskosten (…) voor de adviezen in rechtsbijstand verleend door mr P. Groenhart in deze aanhangige procedure”.

Voorts heeft belanghebbende op 10 september 2009 een kopie van een aan de Gemeente Amsterdam gerichte declaratie voor een bedrag van € 1.198,33 inclusief 19% BTW overgelegd. Deze declaratie is afkomstig van ‘[A]’ gevestigd op belanghebbendes adres.

4.4. Indien het beroep gegrond is bestaat er in beginsel aanleiding om de heffingsambtenaar in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) komen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking.

4.5. In het dossier bevindt zich echter geen enkel door een rechtshulpverlener opgesteld stuk. Ook overigens maakt belanghebbende tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar op geen enkele wijze aannemelijk dat hem in dezen beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

4.6.Overige kosten die belanghebbende heeft gemaakt in verband met de behandeling van de procedure en die op voet van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn evenmin aannemelijk gemaakt, met name niet met de onder 4.3 bedoelde declaratie. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat kosten in verband met tijd door belanghebbende besteed aan de voorbereiding van de procedure en het schrijven van (proces)stukken niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.7. Het door belanghebbende in eerste aanleg (€ 39) en in hoger beroep (€ 107) betaalde griffierecht dient door de heffingsambtenaar te worden vergoed.

5. Slotsom en proceskosten

De slotstom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en de heffingsambtenaar dient € 38 schade te vergoeden.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- verstaat dat de naheffingsaanslag is verminderd tot nihil en de beschikking kosten wielklem is vernietigd;

- veroordeelt de heffingsambtenaar aan belanghebbende € 38 schade te vergoeden;

- gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door deze voor behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146.

Aldus gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter van de belastingkamer, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S.E.S. Snoey Kiewit als griffier. De beslissing is op 29 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.