Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7701

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
04/04235
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

E-mailbericht onder omstandigheden aan te merken als juist ingediend bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/263
FutD 2010-0035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Y], belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de directeur van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 oktober 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar, gedagtekend 24 september 2004, betreffende de aan belanghebbende, met dagtekening 31 maart 2004, opgelegde aanslag reinigingsrecht bedrijfsvuil voor het jaar 2004 van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: de aanslag) ten bedrage van € 613,33 (inclusief € 97,93 aan omzetbelasting), waarin de aanslag door de heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 5 april 2005 heeft het Hof een pleitnota van de heffingsambtenaar ontvangen die door de griffier in afschrift, op dezelfde dag, aan belanghebbende is toegezonden.

1.3. Gedateerd 7 april 2005 heeft belanghebbende - met een begeleidend briefje - de volgende stukken toegestuurd:

- een gecombineerd aanslagbiljet over het belastingjaar 2003;

- een gecombineerd aanslagbiljet over het belastingjaar 2004, aanslagnummer O3-20066062 en afkomstig van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam (inclusief de daarbij behorende specificatiestaat);

- een gecombineerd aanslagbiljet over het belastingjaar 2005 en kennisgeving waardebeschikking;

- een print van een internetpublicatie betreffende “Reinigingsrecht” afkomstig van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

De eerste drie stukken zijn aan belanghebbende gericht en betreffen onder meer het adres [A-straat 1].

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2005. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, alsmede mr. H. Odekerk namens de heffingsambtenaar, tot bijstand vergezeld van A. van Amstel.

1.5. Op 20 juni 2005 heeft belanghebbende, op verzoek van de griffier, de uitspraak op het bezwaarschrift ingezonden.

1.6. Op 8 januari 2007 heeft de griffier partijen geïnformeerd over het feit dat het Hof de beslissing zou aanhouden met het oog op een te verwachten arrest van de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende dreef op het adres [A-straat 1] te [Y] een onderneming in het vervaardigen van plattegronden van (een deel van) [Y]. Belanghebbende heeft vanuit dit adres bedrijfsafvalstoffen in de zin van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsvuil stadsdeel Amsterdam-Centrum 2004 (de Verordening) aangeboden.

2.2. In een e-mail van 14 april 2004 aan “algemeen@gba.amsterdam.nl” heeft belanghebbende het volgende kenbaar gemaakt:

“betr: bezwaarschrift op aanslag O3-20066062

Hierbij teken ik bezwaar aan tegen aanslagnummer O3-20066062 (…)

3) de hoogte van de aanslag van het reinigingsrecht bedrijfsvuil (REIN) is buiten alle proporties. Indien dit bedrag ,€ 613,33, wordt omgerekend dan komt de aanslag op een bedrag van € 11,79 per week (voor nauwelijks één vuilniszak met inhoud per week). (…)”

2.3. Bij e-mail van 16 april 2004, gericht aan belanghebbende, meldde een medewerker Postzaken van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam onder meer het volgende:

“Bij deze bevestig ik de ontvangst van uw E-mail, die op 14 April 2004 bij de Gemeente Belastingen binnenkwam. Ik heb uw E-mail doorgegeven aan de verantwoordelijke afdeling: Fiscale Zaken Ondernemingen team 3.

Deze afdeling zal op traditionele-schriftelijke wijze voor afhandeling zorgdragen.”

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het gehanteerde uniforme tarief bij belanghebbende tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing heeft geleid.

4. Standpunten van partijen

4.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag.

4.2. In het verweerschrift nam de heffingsambtenaar het standpunt in dat belanghebbende ten onrechte ontvankelijk was verklaard in zijn bezwaar. Een e-mail was volgens de heffingsambtenaar niet te kwalificeren als een bezwaarschrift en daarom moest de uitspraak op bezwaar worden vernietigd. De heffingsambtenaar komt in zijn pleitnota op dit standpunt terug en meldt onder meer:

“Het beleid van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam is in dit soort gevallen dat aan de verzender van het e mail bericht schriftelijk wordt verzocht om het verzuim, bestaande uit het ontbreken van een handtekening, te herstellen. Aan belanghebbende is deze mogelijkheid tot herstel van het verzuim niet geboden.

In deze procedure zou ik belanghebbende dan ook ontvankelijk willen achten in zijn bezwaar. Het e-mail bericht is namelijk door de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam (…) uitgeprint en in behandeling genomen.

Om belanghebbende niet de dupe te laten worden van de handelswijze van de Dienst Belastingen, bestaande uit het niet de gelegenheid geven aan belanghebbenden tot herstel van het vormverzuim, in dit geval het ontbreken van den handtekening, wil ik in deze procedure het standpunt innemen dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Het ontbreken van een handtekening op een bezwaarschrift is niet een gebrek dat tot het niet ontvankelijk verklaren van een bezwaar moet leiden.”

4.3. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht:

Ik vind het bedrag van de aanslag ad € 613,33 buiten alle proporties aangezien ik nauwelijks één vuilniszak per week aanbied. Ik acht het onterecht dat de verordening slechts één tarief kent en dat het niet mogelijk is daarvan af te wijken. Belanghebbende heeft in dat verband nog gewezen op het feit dat voor het jaar 2005 het tarief wel gedifferentieerd is.

4.5. De heffingsambtenaar heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

Ik vind dat de verordening had moeten melden dat omzetbelasting in rekening zou worden gebracht. Ik wil wel graag een uitspraak op dit punt. De tariefdifferentiatie per 2005 heeft geen gevolgen voor de aanslagen reinigingsrecht bedrijfsvuil 2004.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Kwalificeert een emailbericht als bezwaarschrift?

5.1.1. Belanghebbendes e-mail van 14 april 2004 is volgens partijen een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De eerste vraag die het Hof moet beantwoorden is of partijen er terecht vanuit gaan dat een e-mail een bezwaarschrift in de zin van genoemde wetsbepaling uit de Awb kan zijn.

5.1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt voordat de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer (Stb. 2004, 214) in werking was getreden. Daarom kan in het midden blijven of de bij deze wet aangebrachte wijzigingen van de Awb van toepassing dienen te zijn op het bezwaar dat belanghebbende in dit mailbericht kenbaar heeft gemaakt.

5.1.3. Indien ervan uitgegaan wordt dat het mailbericht een schriftelijke vastlegging vormt van de bezwaren van belanghebbende tegen de opgelegde aanslag, bevat dat bezwaarschrift geen handtekening en de heffingsambtenaar had belanghebbende dan ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren. In dat geval had de heffingsambtenaar belanghebbende wel eerst moeten wijzen op het niet voldaan zijn aan de wettelijke vereisten.

Bij het ontvangstbericht heeft een medewerker van de Dienst Belastingen expliciet aangegeven dat een uitspraak zou komen op het bezwaar van belanghebbende en kennelijk bestond bij deze dienst geen twijfel over de authenticiteit van het mailbericht. Gelet op deze omstandigheden mocht de heffingsambtenaar het mailbericht dan ook aanmerken als bezwaarschrift en heeft hij uitspraak kunnen doen op het bezwaar.

5.2. Is er sprake van onredelijke en willekeurige heffing?

5.2.1. Onder 1.6 heeft het Hof verwezen naar een vergelijkbare zaak. Na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden (arrest van 10 april 2009, nummer 43.747, LJN: BC3691) heeft het Hof Amsterdam in die zaak bij uitspraak van 12 november 2009, nummer 09/00287, LJN: BK3181, geoordeeld dat de tariefstelling in de Verordening verbindend is.

Voorts is in bovengenoemde uitspraak beslist dat de aanslag in ieder geval dient te worden verminderd met de daarin begrepen 19% omzetbelasting omdat de Verordening het bedrag zonder omzetbelasting aangeeft.

5.2.2. Op grond van artikel 12 van de Verordening is voor het periodiek inzamelen van bedrijfsvuil bij de afgifte van ten hoogste 4 hectoliter per week, overeenkomend met maximaal negen huisvuilzakken van 44 liter, een bedrag van € 515,40 verschuldigd per belastingjaar.

5.2.3. Gelet op het feit dat belanghebbende in 2004 afval heeft aangeboden was hij belastingplichtig voor het reinigingsrecht bedrijfsvuil. De verordening biedt geen ruimte voor een verlaging van het tarief van € 515,40 op een lager bedrag in verband met het aanbieden van nauwelijks één vuilniszak met inhoud per week. De omstandigheid dat belanghebbende minder dan de maximale hoeveelheid van negen vuilniszakken per week heeft aangeboden, doet daar niet aan af. Van een onredelijke of willekeurige belastingheffing kan te dezen ook niet worden gesproken.

5.2.4. Het Hof komt tot de slotsom dat de aanslag verminderd moet worden tot het in de Verordening genoemde bedrag van € 515,40.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de heffingsambtenaar moet worden vernietigd, acht het Hof in beginsel termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Awb. Nu geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld, en het Hof daarvan evenmin is gebleken, laat het Hof een veroordeling tot vergoeding van proceskosten achterwege.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;

- vermindert de aanslag reinigingsrecht bedrijfsvuil 2004 tot een bedrag van € 515,40;

- gelast de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 24 december 2009 door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, mr. P.F. Goes en mr. J. Snitker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.