Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7198

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
23-003266-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promisarrest.

Artikel 6 Wegenverkeerswet. Twee dodelijke slachtoffers. Uitvoerige overwegingen over vraag naar oorzaak ongeval. Rijgedrag niet roekeloos maar aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig. 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, werkstraf van 240 uur (waarvan de helft voorwaardelijk) en 5 jaren ontzegging rijbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-003266-07

datum uitspraak: 10 maart 2009 (promis)

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 2 mei 2007 in de strafzaak onder parketnummer 14-700305-07 van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 april 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 april 2007 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof een andere bewijsconstructie volgt dan de rechter in eerste aanleg.

Feiten waarvan het hof uitgaat

Op 30 augustus 2006 heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden in de gemeente Alkmaar op de Kennemerstraatweg ter hoogte van snackbar [snackbar]. Hierbij was een personenauto, een groene Opel Astra, tegen de voorgevel van voornoemde snackbar aangereden. De verdachte was de bestuurder en enige inzittende van deze personenauto.1

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij die bewuste dag in zijn auto, een groene Opel Astra in Alkmaar reed. Na een gesprek met een psycholoog is hij naar een Chinees restaurant gegaan en vervolgens naar de Albert Heijn om boodschappen te doen.2 De verdachte voelde zich op enig moment moe, maar dit was niet meer het geval toen hij naar Albert Heijn ging. Voorts heeft hij bij Albert Heijn een duizeling gevoeld.3 Nadat hij bij Albert Heijn is geweest, is hij vanaf de parkeerplaats met zijn auto de Heilooërdijk opgereden.4 Vanaf daar is het nog zo’n 300 meter tot aan het kruispunt met de Kennemerstraatweg. Aangekomen bij de T-splitsing wilde de verdachte linksaf de Kennemerstraatweg oprijden, richting zijn woning.5

Nadat de verdachte vanaf de parkeerplaats de Heilooërdijk is opgereden weet hij echter naar zijn verklaring niet meer precies wat er is gebeurd. Hij kan zich naar zijn zeggen slechts delen van hetgeen vlak voor en tijdens het bewuste verkeersongeval is gebeurd, herinneren. Zo heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat hij bij de kruising naar rechts heeft gekeken, maar niets zag (het hof begrijpt: uit die richting geen verkeer zag aankomen).6 Voorts heeft hij verklaard dat hij een meisje van ongeveer acht jaar heeft gezien met een japonnetje aan (het hof begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 3]) voordat hij tegen een gevel is aangereden.7

Verschillende getuigen hebben die dag het verkeersongeval zien gebeuren. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat er vanuit een zijstraat (het hof begrijpt: de Heilooërdijk) een auto met hoge snelheid en vrijwel rechtdoorrijdend het terras van een snackbar (het hof begrijpt: snackbar [snackbar]) opreed waarbij drie mensen (het hof begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]) werden geraakt.8 Voorts heeft getuige [getuige 2] verklaard dat de groene auto (het hof begrijpt: de groene Opel Astra die de verdachte bestuurde) een rode auto, die op dat moment “extreem” langzaam de Kennemerstraatweg opreed, links wilde passeren alvorens hij tegen de voorkant van de snackbar (het hof begrijpt: snackbar [snackbar]) aanreed. De groene auto reed daarbij met een dermate hoge snelheid (“extreem snel”) dat hij de bocht naar links nooit meer kon maken.9 Getuige [getuige 3] (het hof begrijpt: de bestuurder van de rode auto) heeft verklaard dat hij op het kruispunt met de Kennemerstraatweg links werd ingehaald door een groene Opel Astra (het hof begrijpt: de groene Opel Astra die door de verdachte werd bestuurd) die hem met hoge snelheid voorbij reed. Hij zag eveneens dat de bestuurder vanwege die hoge snelheid de bocht naar links niet meer kon maken.10

Het jeugdige slachtoffer [slachtoffer 3], kleindochter van de hierna te noemen heer en mevrouw [slachtoffer 1 en 2], die door het voertuig van de verdachte was aangereden, is na het ongeval per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Zij bleek gekneusde benen, bloeduitstortingen en een schaambeenfractuur te hebben opgelopen.11 Het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1], echtgenote van de heer [slachtoffer 2], is blijkens het lijkschouwrapport van 31 augustus 2006 tengevolge van voornoemd ongeval diezelfde dag overleden.12 Het slachtoffer de heer [slachtoffer 2] is op 30 september 2006 tengevolge van ditzelfde ongeval (alsnog) overleden.13

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal stelt dat er sprake is van bewust handelen van de verdachte. De verdachte wilde volgens de advocaat-generaal de stapvoets voor hem rijdende auto passeren waarbij hij al dan niet per ongeluk het gaspedaal heeft ingetrapt en een stuurbeweging heeft gemaakt om tussen de stoeprand en de andere auto door te kunnen. Dat betekent dat er in ieder geval tot en met de beslissing om in te halen en het uitvoeren daarvan, sprake moet zijn geweest van een bewuste beslissing van de verdachte. De verdachte is verantwoordelijk voor deze beslissing en roekeloos rijden dient dan ook, gelet op voornoemde omstandigheden, bewezen te worden verklaard.

Voorts stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat er geen aanwijsbare medische oorzaak is gebleken voor een black-out aan de zijde van de verdachte vlak voor en ten tijde van het ongeval. Zij neemt dan ook tot uitgangspunt dat er van een black-out geen sprake was.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte stelt zich primair op het standpunt dat de verdachte een black-out heeft gehad, dan wel is “weggeweest” en dat het ongeval hem niet kan worden verweten. Er is sprake van verontschuldigbare onmacht. De verdachte dient van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken en ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde te worden ontslagen van verdere rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld.

Subsidiair voert de raadsman aan dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde eveneens dient te worden vrijgesproken in geval een black-out niet aannemelijk is geworden. In dat geval is er namelijk geen duidelijke oorzaak en dat dient in het voordeel van de verdachte te worden uitgelegd.

Voorts stelt de raadsman dat de verdachte kampt met grote schuldgevoelens en hij heeft getracht contact op te nemen met de nabestaanden. Hij heeft ook besloten om nooit meer auto te rijden. De raadsman verzoekt bij een bewezenverklaring geen straf of maatregel op te leggen, dan wel de verdachte enkel een onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Subsidiair verzoekt de raadsman een taakstraf op te leggen.

Beoordeling van de tenlastelegging

Heeft de verdachte een black-out gehad, of is hij anderszins weggeraakt vlak voor en ten tijde van het ongeval?

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte een black-out heeft gehad, althans even “weg” is geweest, waardoor het ongeval hem niet kan worden verweten. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Uit de medische verklaring van cardioloog Boom is niet aannemelijk geworden dat de verdachte weg is geraakt door een cardiale afwijking:14 “Het aanvullend onderzoek leverde (…) geen hartproblemen op, het ECG toonde geen afwijkingen, de hart/longfoto toonde geen afwijkingen, in het laboratoriumonderzoek werden geen afwijkingen inzake hartproblematiek gevonden, met name waren er geen tekenen van beschadiging van de hartspier en ook bij ritmeregistratie gedurende 24 uur en echocardiografisch onderzoek werden geen afwijkingen aan het hart gevonden. (…). Samenvattend heb ik geen cardiale afwijkingen kunnen vinden die de wegraking zouden hebben kunnen veroorzaken.” Voort bevat de brief van de cardioloog de volgende passage: “Opvallend is dat zijn verhaal niet passend is bij een ritmestoornis met name de fase dat hij iets zou hebben waargenomen tijdens een wegraking, is niet in lijn met wat wij bij ritmestoornissen van patiënten altijd horen.”

De verdachte heeft verklaard dat door een neuroloog is vastgesteld dat er geen medische oorzaak is gevonden die ten grondslag lag aan het ongeval.15

Hoewel de raadsman van de verdachte stelt dat een mogelijke black-out niet is uit te sluiten, is het hof van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, alsmede op het feit dat verdachte zich nog wel momenten vlak voor en tijdens het ongeval kan herinneren, niet aannemelijk is geworden dat de verdachte vlak voor of ten tijde van het ongeval een black-out heeft gehad. Het hof neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor het ongeval nog naar rechts heeft gekeken of er verkeer aankwam en zijn verklaring dat hij tijdens het ongeval een meisje van ongeveer acht jaar heeft gezien (alsmede de kleding die zij droeg) alvorens hij naar zijn eigen waarneming tegen de gevel van de snackbar is aangereden.16

Was vermoeidheid de oorzaak van het ongeval?

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet door vermoeidheid is weggeraakt. Hij voert daartoe aan dat de vermoeidheid die de verdachte zou hebben gevoeld al was opgetreden voordat de verdachte naar Albert Heijn ging. Nadat hij daar boodschappen had gedaan, voelde hij de vermoeidheid niet meer. Aldus is er geen causaal verband. Het hof acht deze uitleg aannemelijk en voegt daar aan toe dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de verdachte, al zou hij wel last hebben gehad van vermoeidheid, in zo’n kort tijdsbestek, het ging immers om een afstand van ongeveer 300 meter tot aan de plaats van het ongeval, in slaap zou zijn gevallen.

Was een duizeling de oorzaak van het ongeval?

Ten aanzien van de duizeling die de verdachte heeft gevoeld bij Albert Heijn stelt de raadsman dat hieruit niet de conclusie getrokken kan worden dat het niet veilig was voor de verdachte om te gaan rijden. Zeker bij bukken heeft iedereen wel eens last van duizeligheid bij het te snel omhoog komen. Bovendien heeft dit bij de verdachte nooit geleid tot een black-out of wegraking. Hij heeft deze duizeling ook niet genegeerd, maar heeft gewacht tot het weer goed ging, aldus de raadsman

Het hof gaat uit van de juistheid van het door de raadsman hieromtrent gestelde.

Was de inwerking van alcohol, geneesmiddelen of drugs de oorzaak van het ongeval?

Uiteraard is naar deze vraag onderzoek ingesteld, en de resultaten daarvan17 geven geen indicatie dat de verdachte verkeerde onder invloed van alcohol, geneesmiddelen of drugs. Ook de verdachte heeft verklaard dat hij die bewuste dag voorafgaande aan het ongeval geen middelen heeft gebruikt die zijn rijvaardigheid hadden kunnen beïnvloeden. Het hof sluit dan ook uit dat de rijvaardigheid van de verdachte ten tijde van het ongeval is beïnvloed door enige van de hier bedoelde middelen.

Wat was dan wel de oorzaak van het ongeval?

Nu vorenomschreven omstandigheden zijn uit te sluiten, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bij volle bewustzijn verkerende bestuurder van zijn voertuig was. Thans moet dan ook worden aangenomen dat de rijrichting en snelheid van het door de verdachte bestuurde voertuig kan worden aangemerkt als rijgedrag van de verdachte. De vraag of dit rijgedrag roekeloos is geweest komt hieronder aan de orde.

Was er sprake van roekeloosheid, en zo nee hoe moet het rijgedrag dan worden gekwalificeerd?

Uit het voorgaande volgt dat het voertuig van de verdachte met een hogere snelheid dan de wegsituatie ter plaatse toeliet een T-splitsing is opgereden, zulks nadat hij een ander voertuig had ontweken, ingehaald of vermeden, en dat de verdachte daarbij heeft getracht linksaf te slaan, doch in plaats daarvan vrijwel rechtdoor is gereden.

Het hof is van oordeel dat er (desalniettemin) geen sprake is geweest van roekeloosheid aan de zijde van de verdachte en overweegt daartoe als volgt.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat de verdachte in twintig jaar tweemaal een boete heeft gehad voor lichte snelheidsovertredingen en tot op heden geen roekeloos rijgedrag heeft vertoond.18 Ook overigens is er geen enkele aanwijzing dat de verdachte in het verleden gevaarlijk of risicovol heeft gereden. Van enige relevante strafrechtelijke documentatie is niet gebleken.

Het hof neemt dan ook – mede gelet op de indruk die de verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt – tot uitgangspunt dat de verdachte in het algemeen een rustige weggebruiker is (geweest), die zich houdt aan de verkeersregels die mede met het oog op de veiligheid in het verkeer in het leven zijn geroepen.

Vervolgens rijst de vraag of de handelwijze van de verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval – in weerwil van voorafgaande overwegingen en in zoverre een uitzondering op het doorgaans door de verdachte vertoonde rijgedrag - het gevolg is van roekeloosheid van zijn zijde.

Hoewel die roekeloosheid niet kan worden uitgesloten, acht het hof een andere verklaring voor het rijgedrag evenzeer, zo niet méér aannemelijk en dat is dat het ongeval is veroorzaakt door een buitengewoon ongelukkige uitwijkmanoeuvre van de verdachte, die de rode auto die in een buitengewoon traag tempo voor hem reed wilde ontwijken en daarbij de controle over zowel rijrichting als snelheid van zijn voertuig is verloren.

Dit rijgedrag is niet roekeloos, doch wel aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig. In het voordeel van de verdachte acht het hof dit rijgedrag en niet de roekeloosheid bewezen.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 30 augustus 2006 in de gemeente Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Heilooërdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend

- te rijden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en

- gekomen bij de kruising van die weg met de Kennemerstraatweg een andere personenauto, die zich op dat moment op dat kruisingsvlak bevond, links in te halen en

- gekomen bij genoemde kruising een bocht naar links met te hoge snelheid in te zetten en

- daarbij zijn, verdachtes, auto niet voldoende onder controle te houden en

- in plaats van de bocht naar links te voltooien “rechtdoor” te rijden, waardoor de door hem, verdachte, bestuurde auto op het aan de “overzijde” van de rijbaan van de Kennemerstraatweg gelegen trottoir belandde, op welk trottoir zich het terras van snackbar [snackbar] bevond, op welk terras zich [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bevonden, waardoor hij, verdachte, met de door hem bestuurde auto in botsing is gekomen met die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en vervolgens met de voorgevel van snackbar [snackbar], waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) werd gedood en waardoor aan een ander (genaamd [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk letsel (een schaambeenfractuur) werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd, en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het hem tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de verdachte een rijontzegging voor de duur van 5 jaar opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een bijzonder ernstig verkeersongeval veroorzaakt waardoor twee personen zijn komen te overlijden en een derde persoon, hun kleindochter, zwaar gewond is geraakt. De verdachte heeft hierbij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld en veel leed toegebracht aan de nabestaanden van de slachtoffers. Voor de kleindochter die het ongeval heeft overleefd, moet dit een enorme traumatische ervaring zijn geweest die zij haar leven lang bij zich zal dragen. De laatste maand van het leven van de heer [slachtoffer 2] moet voor hem buitengewoon tragisch zijn geweest. Een en ander heeft diep ingegrepen op het leven van de nabestaanden.

Anderzijds heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zijn spijt betuigd aan de nabestaanden en is de verdachte emotioneel onder de inderdaad zeer trieste gebeurtenissen. Het ongeluk en de buitengewoon tragische gevolgen houden hem naar zijn zeggen nog dagelijks bezig. Hij heeft verklaard dat hij nooit meer een auto zal besturen.

Voorts heeft hij zich bereid verklaard om een werkstraf uit te voeren, mits rekening kan worden gehouden met zijn fysieke beperkingen. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 februari 2009 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het bovenstaande en zulks ondanks de vrijwel ongekende tragiek van het ongeval, dan ook niet passend en geboden.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een werkstraf en een rijontzegging passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. D.J.C. Aben en mr. H.P. Wooldrik, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2009.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal met nummer PL 1000/06-015740 van (volgens dit proces-verbaal:) 30 december 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende het relaas van verbalisant, doorgenummerde pagina 18 en 19.

2 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 april 2007, pagina 2.

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2009.

4 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 april 2007, pagina 2.

5 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1000/06-231578 van 1 september 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], inhoudende de verklaring van de verdachte, doorgenummerde pagina 50.

6 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1000/06-231578 van 13 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van de verdachte, doorgenummerde pagina 59.

7 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1000/06-231578 van 1 september 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], inhoudende de verklaring van de verdachte, doorgenummerde pagina 50 en 51.

8 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1000/06-231578 van 9 januari 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1], doorgenummerde pagina 30.

9 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1000/06-231578 van 12 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2], doorgenummerde pagina 33.

10 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1000/06-231578 van 30 augustus 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 3], doorgenummerde pagina 38.

11 Proces-verbaal met nummer PL 1000/06015740 van 16 januari 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende het relaas van verbalisant, doorgenummerde pagina 4.

12 Geschrift, zijnde een lijkschouwrapport van de Forensische geneeskundige Eenheid Noord-Holland Noord van T.G. Engelhart, van 31 augustus 2006, doorgenummerde pagina 62 en 63.

13 Geschrift, zijnde een lijkschouwrapport van de Forensische geneeskundige Eenheid Noord-Holland Noord van P.T. Bet, van 30 september 2006, zich bevindende na doorgenummerde pagina 63.

14 Brief van cardioloog P.A. Boom van 22 november 2006, doorgenummerde pagina 72.

15 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1000/06-231578 van 13 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van de verdachte, doorgenummerde pagina 60.

16 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1000/06-231578 van 13 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van de verdachte, doorgenummerde pagina 59, en proces-verbaal van verhoor met nummer PL 1000/06-231578 van 1 september 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], inhoudende de verklaring van de verdachte, doorgenummerde pagina 50 en 51.

17 NFI-rapport van 7 september 2006, opgemaakt door B. Ruiter, (alcoholonderzoek), doorgenummerde pagina 64, NFI-rapport van 24 november 2006, opgemaakt door drs. B.E. Smink (toxicologisch onderzoek), doorgenummerde pagina’s 67 – 71.

18 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2009.