Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK6992

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
07/00630
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende voert aan dat de tweede aanvraag in vergelijking met de eerste aanvraag slechts wijzigingen van ondergeschikt belang inhield en dat beide aanvragen daarom samen als één aanvraag moeten worden beschouwd. Voorts heeft zij betoogd dat de gang van zaken met betrekking tot de behandeling van de aanvragen door de gemeente te wensen heeft overgelaten. Deze stellingen kunnen belanghebbende echter niet baten. De hier genoemde omstandigheden doen er immers niet aan af dat het belastbare feit van het in behandeling nemen van de eerste aanvraag, ter zake van welk feit de in geding zijnde aanslag is opgelegd, zich heeft voorgedaan. De daaruit voortvloeiende heffing van leges kan, indien dit belastbare feit op zichzelf wordt bezien, niet als strijdig met de wet, de Verordening of enig beginsel van behoorlijk bestuur worden aangemerkt. Evenmin is in zoverre sprake van een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever niet kan hebben beoogd.

Het Hof komt niet toe aan de beoordeling van de juistheid van de ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag opgelegde aanslag. Die aanslag is thans niet in geschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 102 met annotatie van Borghols
FutD 2010-0044
Belastingblad 2010/258

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/00630

uitspraak: 12 november 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y, belanghebbende,

gemachtigde mr. E.T. de Jong (Hekkelman advocaten en notarissen te Arnhem),

tegen de uitspraak in de zaak nr. SBR 06/3422 van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bunnik,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende is ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor de bouw van 19 appartementen aan de […]weg 32-34 te A met dagtekening 21 juli 2005 en onder aanslagnummer 72787 een aanslag in de bouwleges van de gemeente Bunnik opgelegd tot een totaalbedrag van € 23.945,65 (hierna: de aanslag). De aanslag is gebaseerd op de gemeentelijke Legesverordening 2005 met bijbehorende tarieventabel (hierna: de Verordening).

1.2. Het door belanghebbende tegen de aanslag gemaakte bezwaar is door de heffings¬ambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 22 augustus 2006 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar vervolgens aangemerkt als een verzoek tot restitutie van leges wegens het niet verlenen van de gevraagde bouwvergunning en heeft de aanslag ambtshalve met 25% verminderd tot € 17.959,23.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 juli 2007, verzonden op 10 augustus 2007, ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank op 11 september 2007 in hoger beroep gekomen bij het Hof. Bij brief van 12 oktober 2007 heeft belanghebbende de gronden van haar hoger beroep aangevuld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van 20 februari 2009. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.6. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het vooronderzoek heropend om te bezien of partijen tot een vergelijk konden komen met behulp van mediation. Bij brief van 20 mei 2009 heeft de heffingsambtenaar het Hof bericht van mediation af te zien.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende evenals onder 3.1 is aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’:

“2.1 Op 3 maart 2005 heeft eiseres een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor de bouw van 19 appartementen aan de […]weg 32-34 te A. Bij besluit van 14 juli 2005 is deze bouwvergunning geweigerd, aangezien het bouwplan niet voldoet aan de brandtechnische veiligheidseisen uit het Bouwbesluit en niet voldoet aan de parkeernormen uit de Bouwverordening. Naar aanleiding van deze weigering heeft verweerder voormelde legesaanslag opgelegd. Hierbij is tevens aangegeven dat eiseres een verzoek tot restitutie kan indienen dat ziet op 25% van de legesaanslag, nu de bouwvergunning is geweigerd.

2.2 Eiseres heeft naar aanleiding van deze weigering op 19 juli 2005 een nieuwe bouwvergunning aangevraagd voor 11 appartementen, 6 maisonnettes en een parkeerkelder. Deze vergunning is op 16, dan wel 18 augustus 2005 verleend en ook hiervoor zijn leges geheven.”

Over deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

2.2. Het Hof voegt daaraan nog toe, dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen het weigeringsbesluit. Ter zake van de tweede aanvraag voor een bouw¬vergun¬ning is een aanslag in de legesheffing opgelegd met aanslagnummer 72840 ad € 16.099,90.

2.3. Ingevolge artikel 2 van de Verordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

3. Procedure voor de rechtbank

3.1. Voor de rechtbank was in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd. De rechtbank heeft omtrent het geschil onder meer het navolgende overwogen:

“2.6 Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend, nu ook ter zake van de geweigerde bouwvergunning diensten zijn verleend door het gemeentebestuur. Dienaangaande heeft verweerder gesteld dat er veelvuldig overleg is geweest tussen eiseres, de architect en medewerkers van de gemeente Bunnik over het (originele) bouwplan. Wat er ook zij van de stelling van eiseres dat de vertraging aan de zijde van de gemeente Bunnik is ontstaan, in voldoende mate is de rechtbank duidelijk geworden dat de bouwvergunning niet verleend kon worden op basis van hetgeen eiseres had aangevraagd en de naar aanleiding van voormeld overleg aangebrachte wijzigingen. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat de in de Woningwet neergelegde beslistermijn van 12 weken, waarbinnen een besluit moet zijn genomen, ook voor verweerder een vast gegeven is.

2.7 Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat het tweede bouwplan, waarvoor wel een bouwvergunning is verleend, zodanig verschilt van het originele bouwplan, dat niet gezegd kan worden dat verweerder in feite twee keer leges heft ter zake van hetzelfde bouwplan. Hiertoe wijst de rechtbank er op dat het tweede bouwplan ziet op minder appartementen en dat de parkeergarage een andere indeling heeft gekregen, waardoor er minder parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden en waardoor de draagconstructie van het bouwwerk anders is geworden. Ter zitting heeft verweerder hierbij onder meer gesteld dat er ten opzichte van het originele bouwplan zuilen in de parkeergarage zijn verwijderd, dan wel verplaatst en dat er op last van de brandweer een tweede vluchtweg op de tweede verdieping is aangelegd. Ten slotte is de rechtbank gebleken dat, alvorens de bouwvergunning is verleend, ook nog het nodige overleg heeft plaatsgevonden tussen eiseres en medewerkers van de gemeente Bunnik. Dat het tweede bouwplan op hoofdlijnen overeenkomt met het eerste bouwplan, maakt dit niet anders.

2.8 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres aangevoerde bezwaren niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.”

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe hebben aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

4.3. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de recht¬bank en van de aanslag.

4.4. De heffingsambtenaar heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat belanghebbende op 3 maart 2005 een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet heeft ingediend (hierna: de eerste aanvraag) en dat deze in behandeling is genomen. Tevens staat vast dat het bij die aanvraag behorende bouwplan is getoetst aan de destijds in de gemeente Bunnik geldende voorschriften van het bestemmingsplan, redelijke eisen van welstand, Bouwverordening en Bouwbesluit. Hieruit vloeit voort dat het belastbare feit als omschreven in artikel 2 van de Verordening in verbinding met hoofdstuk 5 van de bij de Verordening behorende tarieventabel heeft plaatsgevonden. De gehanteerde heffingsmaatstaf, die is gerelateerd aan de bouwkosten, en de hoogte van het bedrag van de aanslag zijn als zodanig niet betwist.

5.2. Voorts staat vast dat belanghebbende op 19 juli 2005 wederom voor […]weg 32-34 te Bunnik een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet heeft ingediend (hierna: de tweede aanvraag). Naar aanleiding van deze aanvraag is op 16 augustus 2005 een bouwvergunning verleend.

5.3. Belanghebbende voert aan dat de tweede aanvraag in vergelijking met de eerste aanvraag slechts wijzigingen van ondergeschikt belang inhield en dat beide aanvragen daarom samen als één aanvraag moeten worden beschouwd. Voorts heeft zij betoogd dat de gang van zaken met betrekking tot de behandeling van de aanvragen door de gemeente te wensen heeft overgelaten. Deze stellingen kunnen belanghebbende echter niet baten. De hier genoemde omstandigheden doen er immers niet aan af dat het belastbare feit van het in behandeling nemen van de eerste aanvraag, ter zake van welk feit de in geding zijnde aanslag is opgelegd, zich heeft voorgedaan. De daaruit voortvloeiende heffing van leges kan, indien dit belastbare feit op zichzelf wordt bezien, niet als strijdig met de wet, de Verordening of enig beginsel van behoorlijk bestuur worden aangemerkt. Evenmin is in zoverre sprake van een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever niet kan hebben beoogd.

5.4. Het Hof komt niet toe aan de beoordeling van de juistheid van de ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag opgelegde aanslag. Die aanslag is thans niet in geschil. In (hoger) beroep kan de belastingrechter zich daarom niet uitspreken over de gegrondheid van de bezwaren van belanghebbende voorzover deze tegen die aanslag zijn gericht. Om dezelfde reden kan het Hof evenmin beoordelen in hoeverre de beide aanslagen, in hun onderlinge samenhang beschouwd en na de vermindering van de in geding zijnde aanslag met 25%, gezamenlijk leiden tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever niet kan hebben beoogd. Dit laat overigens onverlet de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om die beoordeling zelf te maken.

Slotsom

5.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, W.M.G. Visser en P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van

mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 12 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.