Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK6990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
08/01096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de aanslag belanghebbende ten tijde van het schrijven van haar brief nog niet had bereikt maar zij, op grond van de brief van de inspecteur redelijkerwijs kon menen dat- bij het uitblijven van haar reactie binnen de verlengde termijn - een aanslag zou volgen overeenkomstig de aankondiging van de inspecteur, is belanghebbendes brief terecht aangemerkt als een voortijdig ingediend bezwaarschrift.

Voorts heeft belanghebbende niet voldaan aan bewijslast betreffende kosten voor behoud van uitkeringen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10, geldigheid: 2009-11-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 64
FutD 2010-0023

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P 08/01096

26 november 2009

uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [P], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak nr. AWB 07/8420 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Alkmaar,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 28 september 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.926.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 30 oktober 2007, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.846.

Bij uitspraak van 21 augustus 2008 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 oktober 2008, aangevuld bij brieven van 31 oktober 2008, 3 november 2008 en 27 november 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens zijn conclusies van repliek en dupliek genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft een WAO/AWW uitkering alsmede een uitkering ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: WUV-uitkering).

2.2. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (aangetekende) brieven verstuurd naar de belastingdienst, de rechtbank Haarlem, het gerechtshof te Amsterdam, de Centrale Raad van Beroep, en (zoals door haar omschreven) ‘Raadkamer WUV’ en voor deze verzending kosten gemaakt. Daarnaast heeft zij griffiekosten betaald, en kosten gemaakt ter zake van lidmaatschap en/of rechtsbijstand van de ANWB, de Woonbond, Univé, de Consumenten¬bond, organisaties met de naam ‘Pelita’en ‘Vervolgingsslachtoffers VBV’, en een computer¬club. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.182 aan kosten.

In de conclusie van repliek komt zij tot een bedrag van € 1.216 omvattende de hiervóór omschreven kosten vermeerderd met een bedrag aan electriciteitskosten voor de computer en reiskosten voor een bezoek aan de Stichting Belastingwinkel.

2.3. Bij brief van 15 maart 2007 verzoekt de inspecteur aan belanghebbende om inlichtingen over de in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 opgevoerde ziektekosten, uitgaven levensonderhoud en giftenaftrek.

Bij brief van 2 augustus 2007 deelt de inspecteur, in reactie op het antwoord van belang¬hebbende op zijn vragenbrief, vervolgens aan belanghebbende mee dat hij voornemens is om in afwijking van de ingediende aangifte een aanslag op te leggen waarbij (een deel van) de opgevoerde aftrekposten niet in aanmerking worden genomen. Onder punt 3 wordt in de brief opgeno¬men:

“Als u het niet eens bent met mijn voornemen om af te wijken van uw aangifte, verzoek ik u vóór 23 augustus 2007 te reageren. Bij het vaststellen van de aanslag kan ik nog rekening houden met uw opmerkingen. Als ik vóór 23 augustus 2007 geen reactie heb ontvangen, ontvangt u enige tijd daarna het aanslagbiljet, waarop de voorgestelde afwijkingen zullen zijn verwerkt.”

2.4. Bij brief van 22 augustus 2007 deelt belanghebbende aan de inspecteur mee dat zij het niet eens is met zijn voorgenomen correcties maar nog niet in staat is geweest om binnen de gestelde termijn een reactie te geven. Zij kondigt aan ‘zo snel mogelijk’ alsnog met een antwoord te komen. De brief wordt zowel per fax (om 16.59 uur) als per reguliere post verzonden.

2.5. In een telefoongesprek op 23 augustus 2007 deelt de inspecteur aan belanghebbende mee dat de termijn zoals vermeld in de brief van 2 augustus 2007 met drie weken zal worden verlengd.

2.6. Direct na afloop van de (verlengde) termijn handelt de aanslagregelend ambtenaar de aangifte af op de wijze zoals aangekondigd in de brief van 2 augustus 2007.

2.7. Bij brief met dagtekening 19 september 2007 deelt belanghebbende aan de inspecteur mee, onder verwijzing naar de brief van de inspecteur van 2 augustus 2007 en in vervolg op haar brief van 22 augustus 2007, dat zij niet akkoord gaat met de door de inspecteur beschreven correcties, onder nadere specificatie van de door haar gedane uitgaven.

2.8. Bij brief van 27 september 2007 reageert de inspecteur op de brief van belanghebbende van 19 september 2007. De brief vangt als volgt aan:

“Geachte mevrouw X,

Op 20 september 2007 ontving ik uw brief waarin u bezwaar maakt tegen de aanslag inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2005, aanslagnummer 0100.00.000.H56, dagtekening van het aanslagbiljet 28 september 2007.”

waarna de inspecteur mededeelt dat hij deels aan het bezwaar tegemoet komt en het belastbaar inkomen uit werk en woning nader zal vaststellen op € 23.846.

2.9. Met dagtekening 28 september 2007 wordt de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.926.

2.10. Bij brief van 15 oktober 2007 doet de inspecteur uitspraak op bezwaar, waarin hij aangeeft dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te worden gehoord en deelt vervolgens mee:

“Overeenkomstig de inhoud van mijn brief van 27 september 2007 stel ik het inkomen uit werk en woning (box 1) nader vast op op € 23.846.”

2.11 Bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2007 vermindert de inspecteur de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.846.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Tussen partijen is in geschil of de inspecteur de brief van belanghebbende met dagtekening 19 september 2007 terecht heeft aangemerkt als bezwaarschrift tegen de aanslag inkomsten¬belasting/premie volksverzekeringen 2005.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, waarbij zij – zo begrijpt het Hof het gestelde op bladzijde 6, zesde en zevende alinea van de conclusie van repliek – concludeert tot gegrondverklaring van haar beroep maar zonder terugwijzing naar de inspecteur, en het vervolgens toekennen van een proceskosten¬vergoeding.

De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.

3.2. Tussen partijen is voorts in geschil of belanghebbende een bedrag van € 1.182 (derde aanvulling op het beroep¬schrift in appèl) dan wel € 1.216 (conclusie van repliek) als gemaakte kosten voor behoud van haar WUV-uitkering (beroep¬schrift in appèl) dan wel haar AOW-uitkering (conclusie van repliek) ten laste kan brengen van haar belastbaar inkomen uit werk en woning.

In dit verband houdt partijen ook verdeeld of een gedeelte (door belanghebbende becijferd op 10% van de minimum grondslag) van de WUV-uitkering alsnog buiten de belastingheffing dient te blijven omdat dit een onbelaste vergoeding betreft voor de zogeheten niet-meetbare invaliditeitskosten.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.3. In de brief van 27 november 2008 ter aanvulling van het hoger beroep, heeft belanghebbende onder punt 2 verwezen naar door haar gemaakte ziektekosten tot een totaal bedrag van € 40. In de conclusie van repliek wordt op bladzijde 6 dienaangaande door belanghebbende opgemerkt:

‘Ziekte kosten

Betreft ziekte kosten wil Eiseres hier niet verder op in gaan, ook al heeft zij het recht om te hebben denk zij dat de Belastingdienst het mag houden omdat het een onnodig conflict betekend over € 40,-‘

Het Hof begrijpt deze passage aldus, dat belanghebbende haar standpunt dat nog een bedrag van € 40 in mindering dient te komen op haar belastbaar inkomen uit werk en woning, heeft laten varen.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Hetgeen de inspecteur ter zitting heeft opgemerkt is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting welke aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot - zo begrijpt het Hof - een nog nader te bepalen bedrag.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

voortijdig ingediend bezwaarschrift

4.1. Bij brief van 2 augustus 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een termijn gegeven tot 23 augustus 2007 om te reageren op zijn voornemen om bij het vaststellen van de aanslag af te wijken van de aangifte. In dezelfde brief geeft hij aan dat bij het achterwege blijven van een reactie, hij een aanslag zal opleggen zoals omschreven in de brief. Tegen het einde van deze termijn heeft de inspecteur, zo is niet in geschil, deze termijn nog eens met drie weken verlengd.

4.2. Bij het vaststellen van de aanslag op vrijdag 14 september 2007 na afloop van de (verlengde) termijn, heeft de inspecteur - zoals omschreven in het verweerschrift en nader door hem toegelicht ter zitting - de gegevens van de aanslag vastgelegd in het electronisch systeem van de belastingdienst waarna de daartoe benodigde gegevens op electronische wijze naar de belasting¬dienst te Apeldoorn zijn gezonden teneinde een aanslag te laten opleggen overeenkomstig de aankondiging in zijn brief van 2 augustus 2007.

4.3. De door belanghebbende verzonden brief met dagtekening 19 september 2007 (waarin zij zich verzet tegen het voornemen van de inspecteur) is verzonden buiten de door de inspecteur gestelde termijn en heeft - volgens de geloofwaardige uiteenzetting van de inspecteur - hem pas bereikt op een moment dat de administratieve verwerking van de aanslag (tussen het vastleggen in het electronisch systeem van de belastingdienst op 14 september 2007 en het met dagtekening 28 september 2007 door de belastingdienst te Apeldoorn verzenden van de aanslag) zo ver gevorderd was dat met de brief geen rekening meer kon worden gehouden bij het opleggen van de aanslag.

Alsdan heeft de inspecteur terecht – zo hij al een andere mogelijk had – de brief buiten beschouwing gelaten buiten het vaststellen van de aanslag.

4.4. De brief van belanghebbende van 19 september 2007 heeft de inspecteur bereikt op een moment voorafgaand aan de dagtekening van de aanslag. In artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is, voor zover hier van belang, bepaald:

“Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.”

Nu de aanslag met dagtekening 28 september 2007 belanghebbende ten tijde van het schrijven van haar brief van 19 september 2007 nog niet had bereikt maar zij, op grond van het gestelde in de brief van de inspecteur van 2 augustus 2007 redelijkerwijs kon menen dat bij het uitblijven van haar reactie binnen de verlengde termijn een aanslag zou volgen overeenkomstig de aankondiging van de inspecteur, heeft de inspecteur terecht belanghebbenedes brief van 19 september 2007 aangemerkt als een voortijdig ingediend bezwaarschrift.

kosten voor behoud uitkering

4.5. Op belanghebbende, die een bedrag van € 1.182 dan wel € 1.216 als aftrekpost in aanmerking genomen wil zien, rust de bewijslast voor haar stelling dat deze door haar gemaakte kosten (zoals omschreven onder 2.2) zijn gemaakt ter behoud van een of meer uitkeringen.

Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, die stelling niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele opsomming van de gemaakte kosten, is daartoe onvoldoende. Een verwijzing naar een procedure ter verwerving dan wel behoud van een uitkering ontbreekt, laat staan dat er een relatie tussen een dergelijke procedure en de door belanghebbende gepresenteerde kosten is.

4.6. Op belanghebbende rust evenzeer de bewijslast voor haar stelling dat (alsnog) het deel van de door haar ontvangen WUV-uitkering buiten de belastingheffing dient te blijven dat ziet op de vergoeding van niet-meetbare invaliditeitskosten.

Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, die stelling niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele verwijzing naar artikel 21b van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 is daartoe onvoldoende.

slotsom

Het voorgaande houdt in dat het gelijk aan de inspecteur is. De aanslag is tot het juiste bedrag opgelegd. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden voor zover belanghebbende in hoger beroep nadere gronden heeft aangevoerd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. A.M. van Amsterdam, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands, griffier. De beslissing is op 26 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.