Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK5240

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
08/00505
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BF0891, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het in mei 2003 fabriceren van en handelen in verdovende middelen. Deze veroordeling, in combinatie met tijdens een doorzoeking in mei 2003 aangetroffen bescheiden, is onvoldoende voor het over het jaar 2002 opleggen van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting ter zake van inkomsten uit genoemde strafbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2668
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 08/00505

datum uitspraak: 23 juli 2009

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

A, te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. R. Zilver,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer 07/440 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Zaandam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 12 februari 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 818.243. Gelijktijdig is een boete opgelegd van € 207.473.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 30 maart 2007, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 275.588 en de boete overeenkomstig verminderd tot € 66.383.

Bij uitspraak van 21 maart 2008 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaard dat de boete wordt verminderd tot € 59.744 vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en voor het overige het beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 mei 2008, aangevuld bij brief van 3 juni 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 april 2009 en de tweede mondelinge behandeling op 7 juli 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt die met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 2.1 tot en met 2.11 de navolgende feiten vastgesteld:

2.1. [Belanghebbende] exploiteert vanaf 1995 met zijn medefirmant B een onderneming genaamd V.O.F. “X”.

2.2 De activiteiten van de onderneming bestaan uit de import en export alsmede handel in meubelen uit Y, vanuit het bedrijfsadres a-straat te Z. Daarnaast huren [belanghebbende] en zijn medefirmant in verband met de meubelhandel al geruime tijd een opslagloods op het perceel f te W.

2.3 [Belanghebbende] heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.085. Hierin is een bedrag aan winst uit onderneming begrepen van -/- € 595.

2.5. Op 19 mei 2003 is door het personeel van de Belastingdienst / Douane West, Amsterdam, Team Surveillance, in vermelde opslagloods een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen alsmede grondstoffen en attributen die gebruikt kunnen worden bij het vervaardigen van synthetische drugs. Tijdens deze controle zijn [belanghebbende] en B aangehouden en daarbij zijn in de portemonnee van B aantekeningen aangetroffen die naar [de inspecteur] stelt betrekking hebben op de ontvangsten van gelden voor levering van de verdovende middelen. Het ter zake door een medewerker van de FIOD-ECD op 19 juni 2003 opgemaakte proces-verbaal vermeldt op p. 6 e.v. onder meer:

“(…) Tijdens de lijfsvisitatie van verdachte B werd onder andere een portemonnaie inbeslaggenomen onder inbeslagnamenummer 01-A-20. Door mij werd een onderzoek ingesteld in de inbeslaggenomen bescheiden afkomstig uit deze portemonnaie. (…)

Inbeslagnamenummer 01-A-20-1.

Hiernaast is een afbeelding weergegeven van inbeslagnamenummer 01-A-20-1. [afb.] Voor wat betreft de datering merk ik op dat er geen data vermeld staan maar dat het vermoedelijk maximaal betreft de periode 01 januari 2002 tot en met datum aanhouding, 19 mei 2003. Dit leid ik af uit de aanduiding van het Euro teken en het feit dat de Euro pas daadwerkelijk als betaalmiddel ingevoerd is op 1 januari 2002.

Uit dit bescheid merk ik, verbalisant, op dat vermoedelijk verdachte B en/of verdachte A tegoeden hebben van of verkocht hebben aan een persoon of een groepering genaamd C. Wie of welke groepering hier bedoeld wordt is niet bekend

Uit de aantekening 60 x 1000 £ - 100T = 54.000 Pond leid ik, verbalisant af dat er vermoedelijk een hoeveelheid van 60 kg amfetamine verkocht is voor een prijs van 1000 £. Op deze prijs van 1000 £. is een korting verleend van 100 £ per kg voor T. Met T wordt vermoedelijk bedoeld Tarra of Transport of Tabletteren. Het is ook mogelijk dat deze T voor iets anders staat.

Uit de aantekening 280.000 x 90c leid ik, verbalisant, af dat er vermoedelijk een levering heeft plaatsgevonden van 280.000 stuks amfetamine- of XTC tabletten met een waarde van € 114.352,-. Blijkens de aantekeningen is er, vermoedelijk in gedeelten, een bedrag betaald van € 120.000,- zodat een bedrag van € 5.648,- teveel is betaald. Dit bedrag is vermoedelijk verrekend met de levering van 40.000 stuks amfetamine- of XTC tabletten met een totaalwaarde van £ 16.000,-.

Uit de aantekeningen blijkt dat er aan de onbekende persoon of groepering C vermoedelijk een partij verkocht is van 75 kg tegen een prijs van f. 2.000,- per kg. Met 75 kg wordt vermoedelijk bedoeld 75 kg amfetamine. Totaalbedrag € 68.067,- Tevens staat vermeld de aantekening 750.000 x 80c. Vermoedelijk wordt hier bedoeld dat uit de 75kg vermoedelijke amfetamine 750.000 stuks amfetamine- of XTC tabletten vervaardigd kunnen worden en dat daarvoor nog een bedrag van 80c per stuk betaald moet worden, totaal f. 600.000,-.

Eveneens blijkt uit de aantekeningen dat er vermoedelijk een partij amfetamine verkocht is van 25 kg tegen een prijs van 1200 £. Op deze prijs van 1200 £. is een korting verleend van 100 £ per kg voor T. (…) Tevens staat vermeld de aantekening 250.000 x 40p. Vermoedelijk wordt hier bedoeld dat uit de 25kg vermoedelijke amfetamine 250.000 stuks amfetamine- of XTC tabletten vervaardigd kunnen worden en dat daarvoor nog een bedrag van 40p per stuk betaald moet worden, totaal 100.000 Pond. (…)

Inbeslagnamenummer 01 -A-20-2.

Hiernaast is een afbeelding weergegeven van inbeslagnamenummer 01-A-20-2. [afb.] Voor wat betreft de datering merk ik op dat er geen data vermeld staan maar dat het vermoedelijk maximaal betreft de periode 01 januari 2002 tot en met datum aanhouding, 19 mei 2003. (…)

Uit dit bescheid merk ik, verbalisant, op dat vermoedelijk verdachte B en/of verdachte A een berekening hebben opgemaakt in verband met afrekening van vermoedelijke levering van amfetamine- of XTC tabletten. Uit deze berekening leid ik, verbalisant, af dat er een hoeveelheid van 804.167 tabletten verkocht zijn voor een prijs van € 474.389,- en dat er in totaal een bedrag van € 15.171,-teveel is betaald.

Inbeslagnamenummer 01 -A-20-3.

Hiernaast is een afbeelding weergegeven van inbeslagnamenummer 01-A-20-3. [afb.] Voor wat betreft de datering merk ik op dat er geen data vermeld staan maar dat het vermoedelijk betreft de periode voor 01 januari 2002. Dit leid ik af uit de aantekening met valuta-aanduiding van guldens en het feit dat per 1 januari 2002 de Euro als daadwerkelijk betaalmiddel is ingevoerd.

Uit dit bescheid merk ik, verbalisant, op dat vermoedelijk verdachte A en/of verdachte B contact hebben met een persoon of een groepering met de afkorting R. Wie of welke groepering hier bedoeld wordt is niet bekend Uit de aantekeningen leid ik, verbalisant, af dat er vermoedelijke verkopen hebben plaatsgevonden van grondstoffen welke benodigd zijn voor de vervaardiging van amfetamine. Met KAU wordt vermoedelijk bedoeld Caustic Soda. Met water wordt vermoedelijk bedoeld Waterstof. Met Mierre wordt vermoedelijk bedoeld Mierenzuur.

Inbeslagnamenummer 01-A-20-4.

Hiernaast is een afbeelding weergegeven van inbeslagnamenummer 01-A-20-4. [afb.] Voor wat betreft de datering merk ik op dat er geen data vermeld staan en geen valuta-aanduiding. Hierdoor is het niet mogelijk dit bescheid te dateren. Gezien de aantekening 19 puur is, gelet op het feit dat bij de aanhoudingen van verdachten B en A ongeveer 90 liter BMK, BenzylMethylKeton, werd aangetroffen en inbeslaggenomen is, is het niet ondenkbaar dat deze aantekening vermoedelijk betrekking kan hebben op 19 liter BMK. Ook is het mogelijk dat het vermoedelijk betrekking kan hebben op 19 kg puur amfetamine. Het getal 15416 kan betrekking hebben op een geldbedrag of op een hoeveelheid amfetamine- of XTC tabletten.

Inbeslagnamenummer 01-A-20-5.

Hiernaast is een afbeelding weergegeven van inbeslagnamenummer 01-A-20-5. [afb.] Voor wat betreft de datering merk ik op dat er geen data vernield staan maar dat het vermoedelijk maximaal betreft de periode 01 januari 2002 tot en met datum aanhouding, 19 mei 2003. (…)

Uit dit bescheid merk ik, verbalisant, op dat vermoedelijk verdachte B en/of verdachte A een berekening hebben opgemaakt in verband met afrekening van vermoedelijke levering van 50.000 stuks amfetamine- of XTC tabletten. Eveneens betreft het een aantekening van Sp met een bedrag van € 9.075,-. Waar deze aantekening betrekking op heeft is niet bekend.

Inbeslagnamenummer 01 -A-20-6.

Hiernaast is een afbeelding weergegeven van de voorzijde van inbeslagnamenummer 01-A-20-6. [afb.] Voor wat betreft de datering merk ik op dat er geen data vermeld staan maar dat het vermoedelijk maximaal betreft de periode 01 januari 2002 tot en met datum aanhouding, 19 mei 2003. (…) Uit dit bescheid merk ik, verbalisant, op dat vermoedelijk verdachte A en/of verdachte B tegoeden hebben van een persoon genaamd D. Niet bekend is wie deze persoon is.

Uit dit bescheid merk ik, verbalisant, op dat vermoedelijk verdachte B en/of verdachte A een berekening hebben opgemaakt in verband met afrekeningen. Of deze bedragen betrekking hebben op vermoedelijke levering van amfetamine- of XTC tabletten is niet bekend. De aanduiding ‘voldaan’ duidt er op dat alle genoemde bedragen betaald zijn. Het betreft vermoedelijk een totaalbedrag van € 1.537.804,30. De bedragen die vermeld staan recht onder de naam D zijn in deze telling niet meegenomen aangezien het onderste bedrag van 95.800 overeenkomt met het niet betaalde bedrag van € 95.804,39. (…)”

2.6 Blijkens een besprekingsverslag van 6 september 2005 heeft [belanghebbende] in aanwezigheid van zijn gemachtigde onder meer verklaard dat het vanaf een bepaald moment minder goed ging met de verkoop van de meubels. Toen een niet nader genoemde persoon de bedrijfsruimte wilde huren tegen betaling van een hoge huursom, hebben [belanghebbende] en zijn mede firmant hiermee ingestemd. [Belanghebbende] stelt dat de op de bonnetjes vermelde bedragen niet aan hem zijn uitbetaald. Voor het jaar 2003 erkent hij niet-aangegeven inkomsten te hebben genoten, voor de jaren 2001 en 2002 heeft hij geen verklaring willen afleggen.

2.7. Aan de hand van de aangetroffen bescheiden is een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) tegen [belanghebbende] ingesteld. Hierbij is uitgegaan van een 50/50 verdeling van opbrengsten tussen [belanghebbende] en zijn medefirmant. Voor het jaar 2002 zijn de totale inkomsten becijferd op € 1.575.022,46 waarvan € 805.158 aan [belanghebbende] is toegerekend.

2.8 Bij vonnis van 5 september 2003 heeft de rechtbank Haarlem wettig en overtuigend bewezen verklaard dat [belanghebbende] op of omstreeks 19 mei 2003 als medepleger onder meer opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet.

2.9 [Belanghebbende] is tegen het vonnis van de Rechtbank Haarlem in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het Gerechtshof heeft [belanghebbende] schuldig verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.

2.10 Bij het opleggen van de aanslag is [de inspecteur] als volgt van de ingediende aangifte afgeweken:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 13.085

Bij: belastbaar resultaat uit een werkzaamheid 805.158

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 818.243

2.11 Met dagtekening 30 maart 2007 heeft [de inspecteur] bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de opgelegde boete verminderd. Uit de aangetroffen bescheiden heeft [de inspecteur] afgeleid dat de over 2002 berekende inkomsten niet slechts over [belanghebbende] en zijn medefirmant, maar over een zestal personen moeten worden verdeeld. De aan [belanghebbende] toe te rekenen inkomsten bedragen alsdan (€ 1.575.022/6) € 262.503. Het belastbaar inkomen is als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 13.085

Bij: belastbaar resultaat uit een werkzaamheid 262.503

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 275.588

De boete bedraagt na de uitspraak op bezwaar € 66.383

Tegen de vaststelling van deze feiten is in hoger beroep geen bezwaar ingebracht. Het Hof zal eveneens van deze feiten uitgaan.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Tussen partijen is in geschil of de inspecteur terecht het aangegeven inkomen heeft verhoogd met € 262.503 en voorts terecht een boete heeft opgelegd van € 66.383

Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Hetgeen partijen voorts ter zitting hebben opgemerkt is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting die aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, en – naar het Hof verstaat – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag overeenkomstig de aangifte en vernietiging van de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd voor handelen in strijd met de Opiumwet. Hem is ten laste gelegd het medeplegen op 19 mei 2003 te W van de strafbare feiten van artikel 2, aanhef en onderdeel B, en 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel 3, van de Opiumwet. Hij is hiervoor door de strafkamer van de Rechtbank Haarlem en in hoger beroep door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

4.2. Op basis van de strafrechtelijke veroordeling van belanghebbende, de verschillende tijdens de doorzoeking op 19 mei 2003 aangetroffen bescheiden (zoals omschreven onder punt 2.5 in de uitspraak van de rechtbank) en de op basis van deze bescheiden opgestelde rapportage in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (punt 2.7 en 2.11 in de uitspraak van de rechtbank) komt de inspecteur tot de conclusie dat belanghebbende zich op aanzienlijke schaal heeft bezig gehouden met de fabricage en handel in verdovende middelen en in het onderhavige jaar inkomsten uit zijn betrokkenheid bij de drugshandel heeft genoten tot een bedrag van minimaal € 262.503.

4.3. Het Hof kan de inspecteur in zijn conclusie niet volgen.

De strafrechtelijke veroordeling ziet – overeenkomstig de tenlastelegging – (slechts) op het handelen van belanghebbende op 19 mei 2003. De uitspraak ziet niet op enige betrokkenheid bij de fabricage en/of handel in verdovende middelen op enig moment of in enige periode voorafgaand aan 19 mei 2003. Alsdan kan de strafrechtelijke veroordeling op zichzelf niet dienen ter onderbouwing van de stelling van de inspecteur dat belanghebbende in het onderhavige jaar betrokken is geweest bij drugshandel.

Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de loods waarin gedragingen hebben plaatsgevonden waarvoor belanghebbende strafrechtelijk is veroordeeld, reeds in het onderhavige jaar bij belanghebbende en zijn zakenpartner in gebruik was, omdat de loods – zo is tussen partijen niet in geschil – wordt gebruikt in het kader van meubelhandel van belanghebbende en de partner. Het op 19 mei 2003 gebruiken van de loods in het kader van de bewezen verklaarde strafbare feiten is dan ook op zichzelf onvoldoende grond voor de conclusie dat deze loods ook in het onderhavige jaar mede voor dat doel zal zijn gebruikt.

4.4. Op de bij de doorzoeking en lijfsvisitatie van belanghebbendes medefirmant aangetroffen bescheiden staan, zo acht ook het Hof aannemelijk, aantekeningen vermeld die verband houden met de fabricage van en/of handel in verdovende middelen. De bescheiden zijn evenwel niet gedateerd en bevatten ook overigens geen gegevens die de slotsom rechtvaardigen dat ze geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op het onderhavige jaar.

Voor zover in dit verband – ook ter zitting – verklaringen zijn afgelegd, zijn ze dermate onduidelijk en onderling tegenstrijdig, dat ook deze niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stelling van de inspecteur dat belanghebbende in het onderhavige jaar inkomsten heeft genoten uit betrokkenheid bij de drugshandel.

4.5. Alles afwegende komt het Hof tot het oordeel dat de strafrechtelijke veroordeling, het gebruik van de loods (ook) in 2002 en de aangetroffen bescheiden, noch op zichzelf noch in onderling verband en samenhang bekeken het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in het onderhavige jaar 2002 inkomsten heeft genoten uit betrokkenheid bij de fabricage van en/of handel in verdovende middelen.

4.6. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak van de inspecteur vernietigen, de aanslag overeenkomstig de aangifte verminderen tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.085, en de boetebeschikking vernietigen.

5. Kosten

De rechtbank heeft miskend dat aan vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten in de weg staat dat daarom niet voor de uitspraak op bezwaar is verzocht (artikel 7:15, tweede en derde lid, Awb).

Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties en op vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding gesteld op € 644 in beroep (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting is twee punten maal € 322 maal wegingsfactor 1) en € 805 in hoger beroep (indienen beroepschrift in appel en verschijnen ter zitting en ter nadere zitting is 2,5 punten maal € 322 maal wegingsfactor 1) wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.427

Nu aan belanghebbende een toevoeging is verleend worden de proceskosten vergoed aan de griffier.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vernietigt de boetebeschikking;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.085;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een totaalbedrag van € 1.427, te vergoeden aan de griffier;

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145.

Aldus vastgesteld door mrs. A.M. van Amsterdam, voorzitter, F.J.P.M. Haas en A.O. Lubbers, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S.E.S. Snoey Kiewit als griffier.

De uitspraak is bij afwezigheid van de voorzitter van de belastingkamer door de oudste raadsheer en de griffier ondertekend. De beslissing is op 23 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.