Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK5201

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
08/00875
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht onvoldoende grond aanwezig voor het toekennen van een vergoeding voor (immateriële) schade. Niet gezegd kan worden dat er voor het aanvankelijk door de inspecteur ingenomen standpunt geen redelijke gronden zijn aan te voeren, dat de Belastingdienst van het begin af aan een volstrekt onhoudbaar standpunt heeft ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2704
FutD 2009-2670
Belastingadvies 2010/4.1

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 08/00875

datum uitspraak: 9 juli 2009

uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 07/6912 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht Gerbrandystraat,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.166. In hetzelfde geschrift is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht voor een bedrag van € 1.138.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 september 2007, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.702 en de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 100.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) en heeft daarbij onder meer verzocht om schadevergoeding.

Bij uitspraak van 27 juni 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 augustus 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten.

2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder):

2.1. Eiser verricht koeriersdiensten voor A. Hij ontvangt hiervoor een onkostenvergoeding per gereden kilometer.

2.2. In zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2004 heeft eiser geen melding gemaakt van de ontvangen kostenvergoedingen, met als gevolg dat verweerder navorderingsaanslagen IB/PVV heeft opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2003. De bezwaren hiertegen zijn gegrond verklaard, met als gevolg dat de navorderingsaanslagen zijn vernietigd. Voor het jaar 2004 is een definitieve aanslag opgelegd, die afwijkt van de ingediende aangifte in die zin, dat de ontvangen kostenvergoeding als resultaat uit overige werkzaamheden werd aangemerkt. Aan het bezwaar tegen de aanslag 2004 wordt gedeeltelijk tegemoet gekomen: € 0,18 per kilometer wordt in aanmerking genomen als kosten voor de verrichte werkzaamheden en de aanslag is verminderd tot een aanslag over het surplus van de vergoeding.

Het Hof voegt hier nog aan toe:

2.2. In de loop van de procedure bij de rechtbank heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning (en het verzamelinkomen) over het jaar 2004 ambtshalve verminderd tot nihil.

2.3. Het opleggen van de belastingaanslagen heeft ertoe geleid dat de Informatie Beheergroep (IBG) uitbetaalde studietoelagen heeft teruggevorderd. Nadat de belastingaanslagen tot nihil verminderd zijn is dit gecorrigeerd. Belanghebbende stelt echter dat bij de terugvordering door IBG in rekening gebrachte rente (€ 57,88) niet aan hem is terugbetaald.

3. Geschil in hoger beroep

Nu de inspecteur de aanslag over het onderhavige jaar 2004 reeds heeft verminderd tot nihil heeft het Hof uitsluitend te oordelen over de vraag of belanghebbende terecht aanspraak maakt op schadevergoeding.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen door hen daaraan ter zitting is toegevoegd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof twijfelt er niet aan dat belanghebbende – en met name ook zijn echtgenote – het optreden van de Belastingdienst als (sterk) belastend hebben ervaren. Desalniettemin acht het Hof onvoldoende grond aanwezig voor het ter zake toekennen van een vergoeding voor (immateriële) schade. Daarbij heeft het Hof overwogen dat niet kan worden gezegd dat voor het aanvankelijk door de inspecteur ingenomen standpunt – inhoudende dat de vergoeding die belanghebbende voor zijn koerierswerkzaamheden ontving geheel of gedeeltelijk in de belastingheffing diende te worden betrokken – geen redelijke gronden aan te voeren zijn, dat – met andere woorden – de Belastingdienst van het begin af aan een volstrekt onhoudbaar standpunt heeft ingenomen. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat de inspecteur nadat hij inzicht had gekregen in de door belanghebbende per kilometer gedeclareerde bedragen de opgelegde navorderingsaanslagen over 2001, 2002 en 2003 alsmede de daarbij opgelegde boeten reeds in de bezwaarfase heeft teruggebracht tot nihil, en de – zonder boete opgelegde – aanslag over 2004 in die fase aanzienlijk heeft verminderd.

Het is aannemelijk dat eerst het ter zitting van de rechtbank op 11 april 2008 overleggen door belanghebbende van een lijst met namen van andere koeriers bij wie de vergoeding niet in de heffing is betrokken de inspecteur aanleiding heeft gegeven ook het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2004, kennelijk op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, tot nihil terug te brengen. Hierbij verdient opmerking dat de inspecteur belanghebbende reeds bij brief van 6 juni 2007 heeft geschreven dat hem geen ongelijke behandeling bekend was en belanghebbende heeft verzocht zijn standpunt met concete gegevens van vergelijkbare gevallen te onderbouwen.

4.2. Belanghebbende heeft zich ten einde betaalde rente van de IBG terug te krijgen beperkt tot één telefoongesprek met die instelling. Daarmee heeft hij onvoldoende pogingen ondernomen de door hem gestelde schade (de rente) tot nihil terug te brengen of te beperken. Het Hof vindt dan ook onvoldoende grond de inspecteur te veroordelen de gestelde renteschade te vergoeden.

4.3. Gelet op vorenoverwogene is het verzoek tot schadevergoeding terecht afgewezen.

5. Slotsom en proceskosten

De slotstom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mr.drs. F.J.P.M. Haas, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S.E.S. Snoey Kiewit als griffier. De beslissing is op 9 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.