Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK5095

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08/00246, 08/00247 en 08/00239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak (8:29 Awb). De beperking van de kennisneming ziet in de onderhavige situatie op het door de inspecteur weglaten van adressen en telefoonnummers in de stukken. De gemachtigde van belanghebbende heeft geschreven niet te staan op openbaarmaking van deze adressen en telefoonnummers. Wel wil zij graag in staat gesteld worden om twee personen ([B] en [E]) als getuigen te (laten) horen.

Het Hof bepaalt dat de beperking van de kennisneming waarom de inspecteur heeft verzocht gerechtvaardigd zijn en verwijst de zaak ter verdere behandeling naar de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof. Het door de gemachtigde gedane verzoek om getuigen op te roepen zal door de vierde meervoudige kamer van het Hof worden beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken P08/00246, 08/00247 en 08/00239

19 november 2009

(tussen)uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

- [X],

wonende te [Z],

belanghebbende,

gemachtigde mr. L.F. Jagtenberg,

tegen de uitspraken in de zaken met de kenmerknummers 06/1513 en 06/930 van de rechtbank Haarlem van 24 januari 2008 in het geding tussen belanghebbende en

- de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur

en het hoger beroep van

- de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn,

de inspecteur MRB

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummer 06/6413 van de rechtbank Haarlem van 24 januari 2008 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur MRB.

Overwegingen van het Hof

1. De hogere beroepen zijn op 25 augustus 2009 ter zitting door de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof behandeld. De inspecteur heeft op deze zitting verklaard een aantal stukken niet in de ongeschoonde vorm te willen overleggen.

2. De inspecteur heeft de stukken, waarvan gedeelten onleesbaar zijn gemaakt, in de procedure gebracht ter onderbouwing van zijn standpunten en met name ook van zijn (door belanghebbende betwiste) stelling dat belanghebbende een kilometertelleronderbreker heeft laten inbouwen.

3. In hoger beroep is er van de zijde van belanghebbende over geklaagd dat hij slechts beschikt over de deels onleesbaar gemaakte stukken.

4. De vierde meervoudige kamer heeft in zijn tussenuitspraak overwogen:

“De onder 2.3.1. bedoelde stukken behoren in hun originele vorm – dat wil zeggen zonder dat daarvan gedeelten onleesbaar zijn gemaakt – tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. Hoge Raad, 3 april 2009, nr. 07/13014, LJN BH9184). Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had de inspecteur die stukken in beginsel in die originele vorm bij het verweerschrift moeten voegen. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven de stukken niet in de ongeschoonde vorm te willen overleggen hetgeen het Hof begrijpt als een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

Het Hof heeft te beoordelen of de weigering de stukken in de ongeschoonde vorm over te leggen door gewichtige redenen gerechtvaardigd is.”

5. De vierde meervoudige belastingkamer heeft vervolgens de zaak hiertoe, dat wil zeggen uitsluitend ter toetsing van de vraag of er gewichtige redenen zijn die het overleggen van de ongeschoonde versie van de stukken rechtvaardigen, verwezen naar de vijftiende enkelvoudige belastingkamer als zogenoemde ‘geheimhoudingskamer’.

6. De inspecteur heeft als bijlagen bij een brief van 23 september 2009 een ongeschoonde en een geschoonde versie van de stukken aan het Hof gezonden en daarbij de volgende toelichting gegeven:

“Het beroep dat gedaan wordt op artikel 8.29 Awb ziet alleen op de adresgegevens en telefoonnummers die in de verklaringen vermeld staan.

In een soortgelijke zaak voor gerechtshof Amsterdam heeft tijdens een getuigenverhoor in de zaak met kenmerknummer BK 08/00686 t/m 688, 08/00777 en 08/00778 de getuige domicilie gekozen op het adres van het gerechtshof. Dit getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009.

In die zaak zullen de overwegingen om adres te kiezen bij het gerechtshof, naar wij aannemen, hebben gelegen in het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de getuige.

Wij kiezen er voor om in deze zaak eveneens zo te handelen.

Bovendien is de bekendheid met het woonadres niet van een significant belang voor een goede beoordeling van het bestreden besluit.

Voor het overige wordt geen beroep meer gedaan op art 8.29 Awb. Na nadere bestudering van de gegevens en na overleg op het kantoor mede naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009, zijn wij tot de conclusie gekomen dat er in beginsel geen gewichtige redenen bestaan om de versie van de stukken niet alsnog te overhandigen; het beroep op art. 8.29 Awb beperkt zich dus tot de adres en telefoongegevens.

Naast de ongeschoonde versie van de verklaringen hebben wij bijgesloten een versie waarbij de adressen zijn weggehaald. Het overhandigen van die laatste versie heeft onze instemming.

Voor de volledigheid wijzen wij u nog op het volgende.

Tijdens het doorlopen van de stukken is geconstateerd dat van twee processen-verbaal geen

ongeschoonde versies in het beroepsdossier meer aanwezig zijn. Het gaat hierbij om de processen-verbaal die als nummers 13 en 14 in de ordner zitten. Aan de hand van de overige aanwezige stukken is achterhaald wat de oorspronkelijke tekst was van de geschoonde gedeeltes. In een memo dat bij het betreffende stuk is gevoegd, is de oorspronkelijke tekst apart weergegeven. Onze excuses voor het ongemak”.

Het Hof heeft kopieën van deze brief van de inspecteur en de daarin vermelde geschoonde versie van de bijlagen in kopie aan de gemachtigde doen toekomen en haar in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

7. De gemachtigde heeft bij faxen van 14, 15 en 28 oktober 2009 gereageerd en het volgende geschreven:

Fax van 14 oktober 2009

“Ik kreeg de “geschoonde” versie van de stukken. Veel schiet ik daar niet mee op want het gaat me nu juist om inbouwers [B] en [E] die ik als getuigen wil oproepen.

Dan moeten ze maar opgeroepen via het Gerechtshof, zoals de belastingdienst ook voorstelt al ben ik daar persoonlijk geen voorstander van. Mij wordt namelijk de mogelijkheid ontnomen om vooraf (zulks ter voorkoming van een ieder’s tijd, geld en moeite) na te gaan of en in hoeverre deze getuigen iets zinvols kunnen getuigen”

Fax van 15 oktober 2009

“Ten vervolge op mijn fax van gisteren (en het zojuist gevoerde telefoongesprek met de heer Couperus) kan ik u mededelen dat ik niet sta op openbaarmaking van de adressen respectievelijk telefoonnummers van de mogelijke getuigen.

Ik heb enerzijds begrip voor het argument van de persoonlijke levenssfeer van de getuigen:

anderzijds is hier geen enkele sprake van mogelijke bedreiging waardoor hun adressen per se

geheim moeten blijven.

Ik ben echter voor de praktische kant: als de getuigen via het Hof kunnen worden opgeroepen dan trek ik mijn beroep op artikel 8:29 Awb in”

Fax van 28 oktober 2009

“Ten vervolge op mijn eerdere faxen en het zojuist gevoerde telefoongesprek met de heer

Couperus deel ik u mede dat ik mij niet verzet tegen het verzoek van de inspecteur om de

getuigen domicilie te laten kiezen hij uw Hof.

Zoals al gezegd, gaat het er mij om de getuigen te laten horen en ik ben voor de praktische

kant.

Een zitting hierover kan wat mij betreft dan ook achterwege blijven”.

8. Nu ook de inspecteur in een schrijven van 21 oktober 2009 heeft geschreven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting heeft het Hof bepaald een nadere zitting achterwege te laten.

9. Het Hof heeft kennisgenomen van zowel de geschoonde stukken als de ongeschoonde versie daarvan en heeft beoordeeld of er zwaarwichtige redenen zijn die zich – bij een afweging van het belang dat de inspecteur heeft bij een beperkte kennisneming van de stukken tegenover het belang dat belanghebbende heeft bij een onbeperkte kennisneming daarvan – tegen een onbeperkte kennisneming van die stukken verzetten.

10. Naar het oordeel van het Hof vormt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen een zwaarwichtige reden die een beperking van de kennisneming van de overgelegde stukken kan rechtvaardigen. Tegen dit belang weegt het belang dat belanghebbende in beginsel heeft op een onbeperkte kennisneming van alle door het bestuursorgaan overgelegde stukken. De beperking van de kennisneming ziet in de onderhavige situatie op het door de inspecteur weglaten van adressen en telefoonnummers in de stukken. De gemachtigde heeft in haar fax van 15 oktober 2009 geschreven niet te staan op openbaarmaking van deze adressen en telefoonnummers. Wel wil zij graag in staat gesteld worden om twee personen ([B] en [E]) als getuigen te (laten) horen. Het Hof acht het onder dergelijke omstandigheden gerechtvaardigd dat de adresgegevens en telefoonnummers die in de stukken zijn vermeld niet ter kennis van belanghebbende komen. Het door de gemachtigde gedane verzoek om getuigen op te roepen teneinde in staat te worden gesteld op concreet voor de beslissing van het geschil mogelijk van wezenlijk belang zijnde punten tegenbewijs te leveren zal door de vierde meervoudige kamer van dit Hof worden beoordeeld. Daarbij heeft het Hof de mogelijkheid om getuigen domicilie te laten kiezen op het adres van het Hof.

3. Beslissing

In de hogere beroepen van belanghebbende en het hoger beroep van de inspecteur MRB

Het Hof:

- bepaalt dat de beperkingen van de kennisneming waarom de inspecteur heeft verzocht gerechtvaardigd zijn;

- verwijst de zaak ter verdere behandeling naar de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof;

- stelt het procesdossier, met uitzondering van de door de inspecteur aan het Hof gezonden ongeschoonde stukken, ter beschikking van de vierde meervoudige belastingkamer en verzoekt de griffier de ongeschoonde versie van de stukken in een verzegelde envelop te deponeren welke in die toestand tot het dossier blijft behoren.

De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier.

De beslissing is op 19 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze tussenuitspraak kan ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen slechts tegelijk met beroep in cassatie tegen de uitspraak in de hoofdzaak beroep in cassatie worden ingesteld.