Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
23-005173-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promisarrest.

Heling van sleutels die toegang geven tot kluisruimtes van pinautomaten.

Vrijspraak van overval op geldlopers. Verdachte verklaart kennelijk leugenachtig.

3 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005173-06 (promis)

datum uitspraak: 13 oktober 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-447071-05 van het openbaar ministerie

tegen

[NAAM VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

adres: [straatnaam en plaatsnaam].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 17 april 2009 en 29 september 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Verdachte wordt verweten, samengevat:

- primair: medeplegen van diefstal met geweld op 27 december 2004 te Amsterdam;

- subsidiair: medeplegen van verduistering van sleutels in de periode van 27 december 2004 tot en met 25 januari 2005 te Amsterdam en/of Zaandam;

- meer subsidiair: medeplegen van opzetheling dan wel schuldheling in de periode van 27 december 2004 tot en met 25 januari 2005 te Amsterdam en/of Zaandam.

Van de tenlastelegging en de op de ter terechtzitting in eerste aanleg op 18 oktober 2006 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën aan dit arrest gehecht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof, anders dan de rechtbank, niet komt tot een volledige vrijspraak van het tenlastegelegde.

De feiten waarvan het hof uitgaat 1

Op 27 december 2004 is tijdens een overval op twee geldlopers van de firma [naam firma], toen deze een pinautomaat bij de [naam bank] te Amsterdam aan het bijvullen waren, door onbekend gebleven daders een geldbedrag ter grootte van € 194.100,- weggenomen.2 Daarnaast hebben die daders een sleutelbos meegenomen.3 Een of meer van de sleutels van de weggenomen sleutelbos zijn bestemd voor het openen van enige deuren, die na opening toegang verschaften tot de kluisruimten achter een aantal pinautomaten. Negen van die pinautomaten -waaronder de pinautomaat aan de [straatnaam]- zijn in Zaandam gesitueerd.4 De medeverdachte [naam medeverdachte] is op 25 januari 2005 omstreeks 23:45 uur te Zaandam, gemeente Zaanstad, in de door hem bestuurde auto die [straatnaam] ingereden. Hij heeft de auto tot stilstand gebracht ter hoogte van een pinautomaat. Vervolgens heeft hij na enkele seconden de auto gekeerd en heeft de auto geparkeerd in de nabijgelegen. Vervolgens is [naam medeverdachte] met zijn passagier, de verdachte [naam verdachte], uit de auto gestapt en zijn zij samen (terug)gelopen naar de pinautomaat in de [straatnaam] waar zij zijn blijven staan. Beiden hebben zich naar een onmiddellijk naast de pinautomaat gelegen deur begeven, en hebben zich daar gedurende enige tijd opgehouden, beiden met het gezicht naar die deur gericht, en enkele keren omkijkend in de richting van de straat, terwijl bovendien bewegingen van armen zijn waargenomen.5 De verdachte en de medeverdachte zijn na verloop van enkele minuten naar de zich in de [straatnaam 2] bevindende auto teruggelopen, zijn in de auto gestapt en weggereden.6 Kort daarop heeft de politie die auto doen stilhouden en zijn de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] aangehouden.7 Bij de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] in de nacht van 25 januari 2005 op 26 januari 2005 te Zaandam is in de auto waarin zij zich op dat moment bevonden een sleutelbos aangetroffen.8 De verbalisanten zijn teruggelopen naar de toegangsdeur van voormelde pinautomaat en daar bleek de baard van twee van de sleutels van die sleutelbos in het in die toegangsdeur aangebrachte slot te passen.9 De bij de aanhouding van de verdachte en [naam medeverdachte] aangetroffen sleutelbos is dezelfde als die bij de overval op 27 november 2004 te Amsterdam door onbekende daders is weggenomen.10

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich, conform hetgeen eerder is verwoord in de brief van de hoofdadvocaat-generaal van 27 juli 2009 aan het hof, op het standpunt dat de verdachte van het primair tenlastegelegde feit, namelijk het medeplegen van diefstal met geweld, moet worden vrijgesproken, nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Ook van het subsidiair tenlastegelegde verduistering zal de verdachte moeten worden vrijgesproken, nu de advocaat-generaal van oordeel is dat de bij de verdachte inbeslaggenomen sleutelbos wel degelijk door misdrijf is verkregen. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de door de verdachte en de medeverdachte afgelegde verklaringen bij de aanhouding niet stroken met hetgeen door de verbalisanten is waargenomen en derhalve de geloofwaardigheid van de door hen afgelegde verklaringen aantast. Voorts brengt de omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte bij een toegangsdeur tot de kluisruimte van een pinautomaat zijn gesignaleerd, welke toegangsdeur door middel van een van de sleutels van de op 27 december 2004 weggenomen sleutelbos kon worden geopend, met zich dat kan worden bewezen dat de verdachte en zijn mededader [naam medeverdachte] wisten dat de sleutelbos van misdrijf afkomstig was, aldus de advocaat-generaal. Dit betekent dat het meer subsidiair tenlastegelegde voor bewezenverklaring in aanmerking komt, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdachte en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw van de verdachte stelt zich op het standpunt dat de verdachte van de hem tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. Zij heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde aangevoerd dat de resultaten van de geur-identificatieproeven niet als bewijsmiddel kunnen dienen nu pas tien maanden na de overval van 24 december 2007 een geurovereenkomst tussen de aldaar aangetroffen schroevendraaier en haar cliënt is geconstateerd. Daarnaast stelt zij dat een schroevendraaier een voorwerp is dat in de regel vaak en eenvoudig kan worden uitgeleend. Ten aanzien van het meer-subsidiair tenlastegelegde voert de raadsvrouw allereerst aan dat de verdachte zich niet als eigenaar van de bij de aanhouding aangetroffen sleutelbos heeft gedragen, nu deze zich op de middenconsole in de auto bevond van een overigens van een ander geleende auto. Daarnaast stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het gebruikelijk is dat een sleutelbos, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een wapen, zich in een auto bevindt. Dat de aanwezigheid van die sleutelbos haar cliënt niet was opgevallen is derhalve zeer goed mogelijk en niet per definitie ongeloofwaardig.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd. Het dossier bevat geen bewijs van strafbare betrokkenheid van de verdachte en zijn mededader bij dit feit. Evenmin acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is ten laste gelegd, nu niet aannemelijk is dat de verdachte en zijn mededader de sleutels anders dan door misdrijf onder zich hebben gehad. Derhalve zal het hof de verdachte in zoverre vrijspreken.

Overwegingen en oordeel van het hof

De verdachte heeft het meer subsidiair tenlastegelegde feit in vrijwel elk onderdeel ontkend. Ook [naam medeverdachte], zijn mededader, heeft het tenlastegelegde ontkend. De laatstgenoemde heeft gesteld dat hij deze sleutels in Amsterdam op straat heeft gevonden en bij zich heeft gestoken met de bedoeling deze op enig moment als gevonden voorwerp bij de politie af te geven.11 [naam medeverdachte] heeft verklaard dat het daarvan echter nog niet was gekomen. De verdachte heeft bij zijn aanhouding verklaard dat hij de auto niet heeft verlaten12, terwijl de medeverdachte later heeft gesteld dat hij en de verdachte, in afwachting van de meisjes met wie zij hadden afgesproken, louter rondjes hebben gelopen op de parkeerplaats bij de [straatnaam] te Zaandam.13 Uit hetgeen hiervoor is vastgesteld volgt, dat het hof voorbij gaat aan de stelling van de verdachte.

De uiterlijke verschijningsvorm van de door de verbalisanten beschreven gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte bij de eerder bedoelde toegangsdeur is door hen geduid als het door verdachte en zijn mededader proberen te openen van een deur. Deze beschrijving van de door hen gedane waarneming, gevoegd bij hetgeen is komen vast te staan met betrekking tot achtereenvolgens de herkomst van de sleutelbos en de door de verdachte en zijn medeverdachte gemaakte keuze om toen, daar en op dat uur doende te zijn bij de onderhavige toegangsdeur, brengen het hof tot de conclusie dat –nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden- de verdachte en zijn mededader toen en daar hebben getracht met een of meer sleutels van die sleutelbos het slot van die deur te ontsluiten. Nog daargelaten dat de verklaring van [naam medeverdachte] en die van de verdachte met elkaar in strijd zijn, merkt het hof, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor weergegeven waarnemingen van verbalisanten, deze verklaring van de verdachte aan als een kennelijke leugen, die ertoe strekt te bemantelen dat hij met een of meer sleutels van die sleutelbos getracht heeft het slot van die deur te openen.

Gelet op hetgeen de ervaring leert ten aanzien van de omvang van de kring van personen waarbinnen sleutels als hier aan de orde rechtmatig circuleren kan het –nu gesteld noch is gebleken dat de verdachte of de evengenoemde [naam medeverdachte] tot die kring kunnen worden gerekend- niet anders zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat deze sleutels van misdrijf afkomstig waren.

Het bewijs en het bewezenverklaarde

Het hof acht op grond van de onder de voetnoten 2 t/m 10 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte het meer-subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof acht dus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 27 december 2004 tot en met 25 januari 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander sleutels voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde

medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

Tegen dat vonnis heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem (meer subsidiair) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van sleutels van deuren die toegang gaven tot de kluisruimtes van pinautomaten. Het hof overweegt voorts dat de bewezenverklaarde opzetheling vragen oproept, nu de feitelijkheden er het hof van overtuigen dat bij de verdachte evenals bij de medeverdachte opzet aanwezig was die kennelijk op meer dan opzetheling was gericht. Naar het oordeel van het hof was derhalve geen sprake van een op zichzelf staande opzetheling. In het voorgaande ziet het hof aanleiding een hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Volgens het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte, gedateerd 14 september 2009, is hij eerder voor gelijksoortige misdrijven veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek “Het bewijs en het bewezenverklaarde” omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. R. Veldhuisen en mr. A.G. Korvinus, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 oktober 2009.

Mr. A.G. Korvinus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in het dossier van de centrale recherche van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende ordners en pagina’s in de dossiers.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 17 en 18.

3 Aanvullend proces-verbaal, p. 11 en 12

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 117 en 118

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 102

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 102 en 103

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 104

8 Zie noot 7

9 Zie noot 7

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 99

11 Proces-verbaal van verhoor, p. B003 en B004

12 Proces-verbaal van bevindingen p. 103

13 Proces-verbaal van verhoor, p. B004