Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4862

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08-00639
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BD1215, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8071, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling van op aangifte verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting in één bedrag met vermelding van de aangiftenummers, waarvan één foutief. Afboeking van het bedrag op de juist vermelde aangifte loonbelasting en terugbetaling van het restant als te veel betaalde loonbelasting. Het arrest HR van 21 augustus 1996, nr. 29 614, is niet van toepassing, omdat in casu geen sprake is van een situatie dat de gestorte bedragen buiten de wil van belanghebbende om worden terugbetaald. Belanghebbende heeft de verschuldigde omzetbelasting niet betaald in de zin van artikel 20 AWR.

De naheffingsaanslag is rechtsgeldig opgelegd.

De passage uit de Leidraad m.b.t. art. 7 van de Invorderingswet 1990 heeft blijkens de bewoordingen betrekking op de afboeking van ongerichte betalingen op openstaande aanslagen en niet op teveel op aangifte betaalde bedragen. Geen beroep mogelijk op Leidraad.

Boete passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2621
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00639

26 november 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, belanghebbende,

gemachtigde H.M. van Vliet AA,

en op het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/3412 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2005 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak vierde kwartaal 2004 naar een bedrag van € 1.187. Tegelijkertijd is een boete vastgesteld van € 59.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete een bezwaarschrift ingediend dat op 1 maart 2005 door de inspecteur is ontvangen.

1.2. Bij brief van 18 mei 2007, door de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) ontvangen op 22 mei 2007, heeft belanghebbende beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen door de inspecteur op haar bezwaarschrift.

Bij uitspraak van 11 juli 2007 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Bij uitspraak van 28 april 2008 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 80,50 en de Staat aangewezen deze kosten aan belanghebbende te vergoeden.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 juni 2008, aangevuld bij brief van 24 oktober 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft op 16 oktober 2009 een nader stuk ingediend en hierin tevens gereageerd op het incidenteel hoger beroep van de inspecteur. Bij brief van 19 oktober 2009 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. De griffier heeft van beide stukken een afschrift aan de inspecteur doen toekomen.

1.5. De inspecteur heeft een pleitnota ingediend, bij fax ingekomen op 22 oktober 2009.. Partijen hebben afschriften ontvangen van de door de wederpartij ingediende stukken.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Met inachtneming van hetgeen dienaangaande is vermeld in de uitspraak van de rechtbank, de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.2. Belanghebbende heeft tijdig aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004 gedaan van een te betalen bedrag van € 1.187. Het desbetreffende aangiftenummer is 0000.00.000.B01.4300. Eveneens tijdig heeft belanghebbende over hetzelfde tijdvak aangifte loonheffing gedaan van een te betalen bedrag van € 2.233. De gemachtigde heeft namens belanghebbende een totaalbedrag van € 3.420 overgemaakt op de rekening van de belastingdienst. Daarbij is het volgende vermeld:

‘- 0000.00.000.l01.424.0 e 2233

- 0000.00.000.b01.01.4300 e 1187’.

2.3. Het te betalen bedrag van € 2.233 is afgeboekt op de aangifte loonheffing over het vierde kwartaal 2004. Op 24 februari 2005 is een naheffingsaanslag omzetbelasting ad € 1.187 met een boete van € 59 over het vierde kwartaal 2004 opgelegd.

2.4. Op 8 maart 2005 heeft de belastingdienst het ontvangen bedrag van € 1.187 teruggestort op de rekening van belanghebbende, wegens teveel betaalde loonbelasting.

2.5. Bij het bezwaar tegen de onder 2.3. vermelde naheffingsaanslag omzetbelasting en boete heeft de gemachtigde namens belanghebbende verzocht om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten.

2.6. De inspecteur heeft bij uitspraak van 11 juli 2007 het bezwaar tegen zowel de boete als de naheffingsaanslag afgewezen. De inspecteur heeft geen vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten toegekend.

2.7. Tot de gedingstukken behoort de volgende correspondentie.

a. een brief, gedagtekend 12 november 2002 van de inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

“1. Aangifte OB 4e kwartaal 2000

(…)

2. Aangifte OB december 2001

(…)

Zoals boven is beschreven, zijn de problemen ontstaan doordat in geval 1. de toegezonden acceptgirokaart niet is gebruikt en u(w cliënt) bij de eigen overschrijving niet de exacte beschrijving van het betalingsobject heeft overgenomen.

Bij geval 2. is de oorzaak van de problemen ook hier dat geen gebruik is gemaakt van de toegezonden acceptgirokaart(en) en dat één overschrijving is gebruikt voor betaling van twee verschillende belastingschulden.

(…)

Ik verzoek u en uw cliënten dringend voortaan:

a. de acceptgiro te gebruiken die voor betalingen wordt toegezonden

b. indien een andere vorm van betaling wordt gekozen: de omschrijving van de betaling exact over te nemen

c. slechts één overschrijvingsformulier per belastingschuld te gebruiken.”

b. een brief van 18 juni 2003 van de inspecteur aan de gemachtigde waarin onder meer het volgende staat:

“In het algemeen zijn, net als bij het geval dat is beschreven in mijn brief van 12 november inzake (…) de problemen ontstaan doordat de toegezonden acceptgirokaart niet is gebruikt en u(w cliënt) bij de eigen overschrijving niet de exacte beschrijving van het betalingsobject heeft overgenomen en/of dat één overschrijving is gebruikt voor betaling van twee of meer verschillende belastingschulden.”

c. een brief van 16 juli 2003 waarin de inspecteur de gemachtigde van belanghebbende een praktische oplossing met betrekking tot de gerezen betalingsproblemen voorstelt. In deze brief wordt onder meer het volgende meegedeeld:

“Ik heb u dringend gevraagd voor iedere aanslag een aparte boeking te verrichten. Na overleg kan ik een praktischer oplossing aanreiken.

Indien u afdrachten voor meerdere aanslagen in één betaalopdracht wilt combineren, kan dit onder de volgende voorwaarden.

Het Centraal Betalingskantoor in Apeldoorn kan één overschrijving voor meer afdrachten en betalingen wel goed afboeken indien u op de betaalopdracht als omschrijving mee laat geven: “Zie fax d.d. ……” en u(w cliënt), vervolgens op die datum een fax stuurt naar het CBA met daarin vermeld de verdeling, dus van iedere aanslag het volledige, meestal 16-cijferig betaalkenmerk plus bedrag.”

d. een brief van 23 augustus 2004 waarin de inspecteur de gemachtigde uitnodigt voor een gesprek. De inspecteur deelt de gemachtigde onder meer het volgende mee:

“Zoals u weet, kunnen betalingen die u verricht voor diverse klanten (…) niet goed door de Belastingdienst worden verwerkt. (…) In verband hiermee nodig ik u uit voor een gesprek op mijn kantoor (…). Doel van het gesprek is de zaken te bespreken en te bezien of een structurele oplossing mogelijk is.”

e. een brief van 25 augustus 2004 waarin de gemachtigde de inspecteur antwoordt niet in te gaan op diens uitnodiging van 23 augustus 2004. De gemachtigde schrijft onder meer het volgende:

“U nodigde mij uit voor een gesprek. Ik ga niet op die uitnodiging in. Ik ben van mening dat het niet mijn taak is om oplossingen te vinden om de late verwerking door de Belastingdienst van de betalingen door belastingplichtigen te verhelpen.”

f. een brief van 13 april 2005 waarin de inspecteur A uitnodigt voor een gesprek. In deze brief staat onder meer het volgende:

“Bij brief van 23 augustus 2004 is uw gemachtigde (…) uitgenodigd voor een gesprek. Dit in verband met het feit dat reeds langere tijd problemen optreden bij de betalingen die (…) (de gemachtigde) voor u verricht voor diverse vennootschappen (…). Het betreft de periodieke betalingen loonbelasting en omzetbelasting die plaatsvinden naar aanleiding van de aangiften loonbelasting en omzetbelasting. De problemen komen voort uit de wijze waarop de betalingen worden gedaan.

(…) (de gemachtigde) is niet op de uitnodiging ingegaan. Omdat ik toch een eind wil maken aan de voortdurende problemen, die niet alleen leiden tot extra werk voor de Belastingdienst maar ook voor uw gemachtigde, wil ik graag met u van gedachten wisselen over mogelijke oplossingen hiervoor. U bent als directeur-grootaandeelhouder van de verschillende vennootschappen degene die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de correcte betaling van de verschuldigde belastingen.”

g. een brief van 25 april 2005 waarin de gemachtigde de inspecteur bericht dat A niet ingaat op de uitnodiging van de inspecteur van 13 april 2005. De gemachtigde licht dit als volgt toe:

“De inhoud van uw brief van 13 april 2005 heb ik met dhr A besproken. Hij heeft mij gevraagd u te berichten. Ik adviseerde hem dat hij niet aan uw uitnodiging hoeft te voldoen. Het is de taak van de Belastingdienst betalingen juist en tijdig te verwerken. Dat advies volgt hij op.

(…)

Het Rijk besloot de kosten van betaling op het postkantoor voor rekening van de belastingschuldige te laten komen. Dat is een goed recht. Het is een evengoed recht dat de belastingschuldige die kosten beperkt en verder niet met werk opgezadeld wil worden om de door het Rijk beoogde kostenbesparing mogelijk te maken.”

h. een brief van de inspecteur van 26 april 2005 inzake de gevolgen van de betalingswijze van de gemachtigde. De inspecteur bericht de gemachtigde als volgt:

“Nu u weigert in te gaan op mijn uitnodiging voor een gesprek is mij nog steeds niet duidelijk waarom u betaalt op de onderhavige wijze. U geeft in uw fax van 25 april jl. aan dat u dit doet om de kosten te beperken, en dat u verder niet met werk opgezadeld wenst te worden. Ik had graag enige uitleg hieromtrent gehad, aangezien mij niet duidelijk is welke kosten u extra zou moeten maken bij betaling per acceptgiro per belastingplichtige en per belastingmiddel. Ook de hoeveelheid extra werk die deze wijze van betaling u zou kosten is mij niet helemaal duidelijk.

(…)

Nu aan u (nogmaals) expliciet gemeld is dat uw handelswijze de fiscus steeds voor problemen stelt dient u met het volgende rekening te houden. Mocht u uw betalingswijze continueren en mocht dit leiden tot bezwaarschriften, zoals in het verleden, dan zal geen kostenvergoeding in de bezwaarfase meer worden toegekend. Ik ben van mening dat de kosten die u in dat geval maakt aan uw eigen handelswijze toe te rekenen zijn.”

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag en een verzuimboete zijn opgelegd. Tevens is in geschil de vergoeding van kosten in de bezwaarfase.

Het incidenteel hoger beroep inzake de proceskostenvergoeding in de beroepsfase heeft de inspecteur ter zitting ingetrokken.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 80,50 en de Staat aangewezen deze kosten aan belanghebbende te vergoeden, waarbij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“5. Eiseres (Hof: belanghebbende) heeft beroep aangetekend tegen het niet tijdig nemen van een besluit inzake het bezwaarschrift van 1 maart 2005, dat was gericht tegen de naheffingsaanslag. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 11 juli 2007. Hierna zal de rechtbank beoordelen of het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 11 juli 2007 gegrond is.

6. De rechtbank stelt voorop dat zij verweerder (Hof: de inspecteur) volgt in zijn stelling dat belastingen een brengschuld vormen als bedoeld in artikel 6:116, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder heeft derhalve het recht te bepalen, hoe hij de betaling wenst te ontvangen. De voorschriften dienen te voldoen aan een aantal beginselen, zoals de redelijkheid en de billijkheid. Van een schending van deze beginselen aan de zijde van verweerder is de rechtbank niet gebleken. Om bijna 200 miljoen financiële transacties per jaar te verwerken, maakt de Belastingdienst noodzakelijkerwijs gebruik van een geautomatiseerd systeem. Dit is normaal en te doen gebruikelijk voor een organisatie die op dergelijke schaal betalingen moet verwerken. Niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken is aannemelijk dat de gecombineerde wijze van betaling van loonbelasting en omzetbelasting door eiseres bij verweerder aanleiding geeft tot toerekeningproblemen en aldus verweerder noodzaakt tot handmatige verwerking van betalingen, die normaal op geautomatiseerde wijze worden verwerkt. Niet in geschil is dat in dit geval de omschrijving van de door verweerder op 31 januari 2005 ontvangen betaling een niet bestaand kenmerk betrof, althans geen omschrijving welke toe te rekenen is aan de verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004. Deze mismatch heeft er toe geleid dat het bedrag niet is toegerekend aan de aangifte omzetbelasting maar als teveel betaalde loonbelasting aan eiseres is teruggestort.

7. Op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag omzetbelasting was de betaling die door eiseres bedoeld was als betaling van omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004 op de bankrekening van de Belastingdienst bijgeschreven. Nu bij de betaling een niet bestaand kenmerk was vermeld en de bedoeling van eiseres overigens niet kenbaar was, uit bijvoorbeeld een niet mis te verstane aanvullende mondelinge of schriftelijke toelichting op de betaling, was niet voldoende duidelijk en buiten twijfel vast te stellen op welke belasting de betaling betrekking had. Onder deze omstandigheden was verweerder niet gehouden om de betaling aan te merken als een betaling van omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004 en stond het verweerder vrij het bedrag terug te storten op de rekening van eiseres. Eiseres heeft de verschuldigde omzetbelasting dus niet betaald. Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht is opgelegd.

8. Ten aanzien van de boete overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Verweerder heeft met toepassing van voormeld artikel 67c en paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) een verzuimboete opgelegd van vijf procent. Nu eiseres over het derde kwartaal van 2004 een eerste verzuim heeft gepleegd, is sprake van een tweede verzuim, zodat de boete in beginsel tot het juiste bedrag is opgelegd.

9. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van avas. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres meerdere brieven van verweerder heeft ontvangen om haar op de moeilijkheden te wijzen die de door haar gevolgde betaalwijze veroorzaakten, en dat eiseres desalniettemin heeft volhard in deze betaalwijze. Zij kon zich ervan bewust zijn dat het voortzetten van deze betaalwijze tot gevolg kon hebben dat de betaling van de omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2004 door verweerder niet zou worden herkend en dus niet als betaling van de betreffende belastingschuld zou worden aangemerkt.

10. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de gemachtigde heeft gesteld dat eiseres een belang heeft bij het structureel combineren van betalingen. Dit belang zou bestaan in het beperken van de kosten van spoedoverboekingen. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de kosten die samenhangen met een spoedoverboeking € 2,60 bedragen. De rechtbank benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor een tijdige betaling - en dus voor het voorkomen van spoedbetalingen - bij eiseres ligt. Indien eiseres de kosten van een spoedboeking wil beperken, zal zij de bedragen eerder over moeten maken. Zij kan hiervoor gebruik maken van de accept-giro die verweerder speciaal voor dit doel ter beschikking stelt. Dat eiseres er, blijkens de ter zitting afgelegde verklaring, kennelijk de voorkeur aan geeft andere crediteuren eerder te betalen dan verweerder, komt voor haar risico. Indien eiseres zichzelf toch in de positie brengt dat zij een spoedbetaling moet doen, zal zij dit op de door verweerder voorgeschreven wijze moeten doen: één spoedbetaling per aangifte c.q. belastingaanslag. Dat andere crediteuren geen of minder eisen stellen, kan eiseres verweerder niet tegenwerpen. Verweerder is bevoegd zelf te bepalen hoe hij de betaling wenst te ontvangen. De gekozen manier komt de rechtbank, gelet op de verklaring die verweerder ter zitting heeft gegeven, redelijk en billijk voor. Eiseres kan de gevolgen van haar handelwijze niet op de samenleving afwentelen. Uit het voorgaande volgt dat de boete terecht is opgelegd.

11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

12. Hoewel het beroep ongegrond is, ziet de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, nr. 38.440, reden voor een proceskostenveroordeling.”

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

6. Relevante bepalingen

6.1. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) kan de inspecteur, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf van belasting is verleend.

6.2. Artikel 6:114, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien in een land waar de betaling moet of mag geschieden, een rekening ten name van de schuldeiser bestemd voor girale betalingen bestaat, de schuldenaar de verbintenis kan voldoen door het verschuldigde bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten.

6.3. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een vergoeding in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.4. Ingevolge artikel 67c van de Awr kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.537 indien, voor zover hier van belang, de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet heeft betaald. In paragraaf 23, vijfde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) is opgenomen dat bij een tweede verzuim een boete van 5 procent van het niet betaalde bedrag kan worden opgelegd.

7 . Beoordeling van het geschil in hoger beroep

7.1. Vaststaat dat belanghebbende op de rekening van de Belastingdienst een bedrag gelijk aan het bedrag van de over het vierde kwartaal 2004 verschuldigde loonheffing ad € 2.233 vermeerderd met het bedrag van de verschuldigde omzetbelasting ad € 1.187 heeft gestort. Belanghebbende heeft dit bedrag gestort onder vermelding van een juist aangiftenummer wat betreft de verschuldigde loonheffing en onder vermelding van een onjuist aangiftenummer wat betreft de verschuldigde omzetbelasting. Van het gestorte bedrag is € 2.233 door de belastingdienst afgeboekt op de aangifte loonheffing en het restant ad € 1.187 is teruggestort als teveel betaalde loonheffing.

7.2. Vaststaat voorts dat de inspecteur belanghebbende herhaaldelijk erop heeft gewezen dat een dergelijke gecombineerde storting van omzetbelasting en loonheffing, waarbij slechts aangiftenummers en geen betalingskenmerken zijn vermeld én waarbij ook nog één van die aangiftenummers niet correct is, door de belastingdienst, in ieder geval wat betreft de storting inzake het niet correct vermelde aangiftenummer, niet kan worden verwerkt. De inspecteur heeft in dit verband benadrukt dat de belastingdienst jaarlijks 180 miljoen financiële transacties te verwerken heeft, dat dit niet anders dan geautomatiseerd kan geschieden en dat ook het aantal niet direct te verwerken betalingen dermate hoog is dat deze niet allemaal handmatig kunnen worden afgedaan zodat dit slechts selectief gebeurt.

7.3. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 augustus 1996, nr. 29 614, V-N 1996/3368, geldt dat, ingeval de Belastingdienst een gestort bedrag abusievelijk en buiten de wil van belanghebbende om terugbetaalt, dit niet kan meebrengen dat de belanghebbende niet heeft betaald in de zin van artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de Awr.

7.4. De onderhavige situatie verschilt echter in zoverre van de casus die ten grondslag lag aan het onder 7.3. vermelde arrest van de Hoge Raad van 21 augustus 1996, dat van de zijde van belanghebbende sprake is van een moedwillige frustratie van de verwerking van de betaling door de belastingdienst. Belanghebbende is zich er immers terdege van bewust, aldus is ter zitting gebleken, dat haar handelwijze problemen veroorzaakt en kan leiden tot ten onrechte verrichte terugbetalingen. De stelling van belanghebbende dat dit haar niet regardeert, doet niet af aan het feit dat alsdan geen sprake is van een situatie waarin de terugbetalingen geheel buiten de wil van belanghebbende om geschieden; belanghebbende was zich bewust van de mogelijke gevolgen van haar handelen en heeft nochtans willens en wetens nagelaten die gevolgen te voorkomen. Het Hof acht daarom de situatie dat de gestorte bedragen buiten de wil van belanghebbende om worden terugbetaald, niet aan de orde.

7.5. De motieven van belanghebbende om de desbetreffende, onder 7.4. vermelde, problemen niet te voorkomen zijn het Hof, ook na ter zake gestelde vragen op zitting, niet duidelijk geworden. Met betrekking tot het argument van belanghebbende dat haar handelwijze kosten bespaart omdat door het verrichten van een gecombineerde betaling slechts één betaling wordt verricht in plaats van twee betalingen, geldt dat de belastingdienst hieraan tegemoet is gekomen door toe te staan dat door middel van één gezamenlijke betaling wordt betaald, onder de voorwaarde dat alsdan wél de twee bijbehorende betalingskenmerken en belastingbedragen per fax bekend dienen te worden gemaakt. Met betrekking tot het argument van belanghebbende dat ook dit teveel moeite en werk met zich brengt, geldt dat het Hof dit argument zonder nadere motivering niet kan volgen. Het vermelden van een aangiftenummer bij iedere betaling brengt immers, naar ’s Hofs oordeel, een gelijke hoeveelheid werk mee als het vermelden van een betalingskenmerk, nog daargelaten dat belanghebbende in het onderhavige geval voor de omzetbelasting geen juist aangiftenummer heeft vermeld.

7.6. Het Hof concludeert dat het in het huidige tijdsgewricht, gelet op het massale betalingsverkeer met de belastingdienst, naar algemeen geldende verkeersopvattingen geheel geaccepteerd is dat de verwerking van de betalingen geautomatiseerd geschiedt, zodat van belanghebbende kan worden gevraagd om bij betaling van belasting betalingskenmerken in plaats van aangiftenummers te vermelden. Dit geldt te meer nu belanghebbende zich bewust was van het belang van het verstrekken van deze gegevens, dit haar meerdere malen is meegedeeld en belanghebbende geen valide argument naar voren heeft gebracht waarom zij dit desalniettemin heeft nagelaten, en zij bovendien nog in het onderhavige geval een onjuist aangiftenummer heeft vermeld. Door het stellen van evenvermeld vereiste is het voor de belastingdienst mogelijk het enorme aantal transacties geautomatiseerd, en snel en efficiënt, te verwerken. Een dergelijke wijze van verwerken past niet alleen in de huidige maatschappij, maar mag, in het belang van alle belastingbetalers, ook worden verwacht van de belastingdienst. In dat verband geldt dat ook van belanghebbende mag worden verwacht dat zij een geautomatiseerde wijze van verwerken niet onnodig frustreert.

7.7. Belanghebbende heeft in haar pleitnota verklaard een beroep te doen op hetgeen is vermeld in de Leidraad invordering 1990 (hierna: de Leidraad), met betrekking tot artikel 7 van de Invorderingswet 1990.

In deze leidraad staat met betrekking tot artikel 7 voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Zowel bij vrijwillige betalingen als bij betalingen die door invorderingsmaatregelen zijn afgedwongen kunnen zich vragen voordoen inzake de afboeking van de ontvangen bedragen, wanneer de belastingschuldige meer dan één belastingaanslag heeft openstaan. In dat geval gelden de volgende richtlijnen. (…) Wanneer de betaling is gedaan zonder aangegeven bestemming (de zogenaamde ongerichte betaling) stelt de ontvanger de betaler schriftelijk in de gelegenheid alsnog een bestemming aan te geven.”

7.8. Evenvermelde passage uit de Leidraad heeft blijkens de bewoordingen, voor zover hier van belang, betrekking op de afboeking van ongerichte betalingen op openstaande aanslagen en niet op teveel op aangifte betaalde bedragen. Belanghebbendes betaling is afgeboekt op de aangifte loonbelasting omdat te herleiden viel dat het loonbelasting betrof. Het restant van de betaling is teruggestort als te veel op aangifte betaalde loonbelasting. Niet duidelijk was dat in het betaalde bedrag een bedrag aan omzetbelasting was begrepen. De omstandigheid dat de belastingdienst niet in staat is betalingen als door belanghebbende gedaan, te verwerken is belanghebbende een en ander maal meegedeeld.

Naar ’s Hofs oordeel kon belanghebbende uit de Leidraad redelijkerwijs niet afleiden dat de ontvanger in een geval als het onderhavige gehouden is contact op te nemen met de betaler ingeval belasting op aangifte wordt betaald en de betaling meer bedraagt dan het bedrag dat verschuldigd is blijkens de aangifte waarvan het nummer juist is vermeld. Uit de Leidraad valt voorts in het geheel niet af te leiden dat belanghebbende na terugbetaling van een gestort bedrag inzake een aangifte loonbelasting, de omzetbelasting niet meer verschuldigd zou zijn. Dit brengt mee dat belanghebbende aan de Leidraad niet het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat geen omzetbelasting was verschuldigd.

7.9. Gelet op alle vorenvermelde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband bezien, concludeert het Hof dat belanghebbende de voor het vierde kwartaal 2004 verschuldigde omzetbelasting niet heeft betaald in de zin van artikel 20 van de Awr en dat de desbetreffende naheffingsaanslag mitsdien rechtsgeldig is opgelegd.

7.10. Met betrekking tot de boete geldt dat er sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen omdat de belasting niet is betaald binnen de gestelde termijn. De inspecteur heeft met toepassing van paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 een boete opgelegd van 5 procent omdat sprake is van een tweede verzuim. Belanghebbende stelt dat de boete in strijd is met artikel 7 EVRM. Belanghebbende stelt met name dat geen boete kan worden opgelegd omdat geen rechtsregel is overtreden. Deze stelling faalt gelet op het onder 7.9 overwogene. De boete is overigens niet in strijd met enige wettelijke regeling dan wel enig beginsel van behoorlijk bestuur. Het Hof acht de boete ook passend en geboden.

7.11. Slotsom

Het Hof is van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

8. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover het de procedure voor het Hof betreft.

9. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, B.A. van Brummelen en D.B. Bijl, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 26 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Bij ontstentenis van de voorzitter is de uitspraak getekend door de oudste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.