Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4853

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
200.014.111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- pensioen, korting op winstdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0915
PJ 2010, 63

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.214.111

(zaaknummer rechtbank 542291 UC EXPL 07-13496)

arrest van de vijfde civiele kamer van 7 juli 2009

inzake

[a[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E. Lutjens,

tegen:

de stichting

Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten,

gevestigd te Zeist,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.J.J.C van Nispen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

18 juni 2008, dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: het Pensioenfonds) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 10 september 2008 het Pensioenfonds aangezegd van dat vonnis van 18 juni 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van het Pensioenfonds voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] een aantal grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en opnieuw recht doende de vorderingen van [appellant] zoals verduidelijkt / aangevuld / gewijzigd alsnog zal toewijzen met veroordeling van het Pensioenfonds in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

2.3 Bij akte houdende aanvulling memorie van grieven met datum 18 november 2008 heeft [appellant] akte gevraagd van het feit dat het Pensioenfonds op grond van de exhibitieplicht ex 843 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) de volgende documenten dient te ontsluiten:

a. Documenten waaruit blijkt op welke wijze de korting is toegepast;

b. Pensioen- en administratieve opgaven in de periode waarin [appellant] in VVAA en het Pensioenfonds deelnam;

c. De methode van waardeoverdracht tussen VVAA en het Pensioenfonds;

d. De ten aanzien van die waardeoverdracht overgedragen waarden, waaronder de inkoopsom en toekomstige winstdeling bij VVAA;

e. Op welke wijze die winstdeling is betrokken bij de (koopsom voor de) waardeoverdracht.

In diezelfde akte heeft [appellant] akte gevraagd van het feit dat hij zijn bewijsaanbod heeft gespecificeerd.

2.4 Bij memorie van antwoord heeft het Pensioenfonds de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het ingestelde hoger beroep zal verwerpen, kosten rechtens.

2.5 Ter zitting van 15 mei 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam, en het Pensioenfonds door mr. C.J.J.C van Nispen, advocaat te Amsterdam; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.6 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 [appellant] is medisch specialist en is vanaf 1 mei 1978 tot aan de datum van zijn pensioen (1 januari 2007) deelnemer geweest in de beroepspensioenregeling voor medisch specialisten. In de periode vanaf 1 mei 1978 tot 1 januari 1988 heeft [appellant] de verzekering van zijn normpensioen ondergebracht bij het Pensioenfonds. In die periode is hij volledig deelnemer geweest in het Pensioenfonds. Per 1 januari 1988 heeft hij de verzekering van zijn normpensioen ondergebracht bij VVAA. Vanaf 1 januari 1998 nam [appellant] weer volledig deel in het Pensioenfonds en is de verzekering bij VVAA beëindigd.

3.3 Bij brief van 5 november 1999 zijn de verzekerden bij VVAA - waaronder [appellant] - geïnformeerd over de mogelijkheid tot overdracht van het premievrije normpensioen naar het Pensioenfonds en is hun geadviseerd daartoe over te gaan. In deze brief staat onder andere vermeld:

“Hierbij delen wij u mee, dat VVAA levensverzekeringen nv, de Stichting Pensioenfonds voor Huisartsen en de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten overeenstemming hebben bereikt over de overdracht van uw premievrije normpensioen.

(…)

Wij adviseren u met de overdracht in te stemmen en verzoeken u bijgaande verklaring - zo mogelijk voor 1 december 1999 getekend aan ons te retourneren. De overdracht kan alleen plaatsvinden met individuele instemming van de deelnemers. U kunt hiervoor gebruik maken van bijgesloten antwoordenveloppe.

(…)

Een meer uitvoerige toelichting treft u bijgaand aan. (…)”

3.4 In een bijlage bij deze brief, met als opschrift ‘TOELICHTING bij brief d.d. 5 november 1999 aan normpensioenverzekerden bij VVAA levensverzekeringen nv.’ (verder: de garantieregeling) is een toelichting gegeven. Hierin staat onder andere:

“(…)

De opgebouwde rechten blijven door de pensioenfondsen gegarandeerd. Na overdracht ontvangt u van VVAA levensverzekeringen nv in het eerste kwartaal 2000 een pensioenoverzicht met daarop de eindstand plus winstdeling over 1999. (…).

Verzekeringsmethodiek

(…)

Onderdeel van de resultatendeling van VVAA levensverzekeringen nv is een directe rentewinstdeling, gebaseerd op toekomstig te behalen rendement over iedere premiebetaling voor een periode van 10 jaar. De op grond hiervan aan de verzekerde reeds toegekende winstdeling over de periode na 1 januari 2000 neemt de VVAA volledig voor haar rekening. U gaat daarnaast ook direct en volledig delen in het rendement van de beroepspensioenfondsen, hetgeen voor u een voordeel betekent. Volledigheidshalve wordt aangetekend, dat de eigen normpensioendeelnemers van het pensioenfonds een extra reserve hebben opgebouwd ten laste van de winstdeling in de voorafgaande jaren, teneinde tegenvallende resultaten te kunnen opvangen. Over deze extra reserve wordt jaarlijks een winstdeling uitgekeerd aan de deelnemers, die deze reserve hebben opgebouwd. Zo’n extra reserve zult u in de komende jaren binnen de methodiek van de pensioenfondsen ook moeten opbouwen. Deze opbouw wordt gerealiseerd door een deel van het jaarlijks rendement niet direct aan uw pensioenaanspraken toe te voegen, maar in de te vormen extra reserve te stoppen.

(…)”

3.5 [appellant] heeft ingestemd met de overdracht. Het beleggingsbeleid van het Pensioenfonds wijkt af van dat van VVAA en is op korte termijn meer risicovol dan dat van VVAA.

3.6 Het Pensioenfonds heeft ten aanzien van de winstdeling een onderscheid gemaakt tussen de deelnemers wier pensioenaanspraken van VVAA naar het Pensioenfonds zijn overgedragen (verder ook: de oud-VVAA-deelnemers) en de deelnemers wier aanspraken altijd bij het Pensioenfonds waren ondergebracht (verder ook: de deelnemers in eigen beheer). Eind 2002 was de dekkingsgraad voor de pensioengelden die het Pensioenfonds beheert ten behoeve van de oud-VVAA-deelnemers gedaald tot 75,5 %. De dekkingsgraad voor de pensioengelden die het Pensioenfonds beheert ten behoeve van de deelnemers in eigen beheer was gedaald tot 102,6 %. Bij bestuursbesluit van 18 februari 2003 is besloten om aan de in beheer zijnde gelden ten behoeve van de oud-VVAA-deelnemers een aanvullende uitkering te verstrekken uit de collectieve middelen van het Pensioenfonds (te weten uit de reserve welvaartsvastbescherming). Hierdoor werd de dekkingsgraad ten behoeve van de oud-VVAA-deelnemers hersteld tot 100%.

3.7 Het Pensioenfonds heeft aan de onder 3.6 vermelde dekkingsgraad van 75,5% als consequentie verbonden dat - indien het tot een winstdeling zou komen - de oud VVAA deelnemers met 1% zouden worden gekort op die jaarlijkse winstdeling. De deelnemers in eigen beheer zullen niet gekort worden.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De klachten van [appellant] komen er in de kern op neer dat hij bezwaar maakt tegen het feit dat - indien het tot een winstdeling komt - de oud-VVAA deelnemers met 1% worden gekort op die jaarlijkse winstdeling. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd om:

1. het Pensioenfonds te verplichten om deelnemers aan het Pensioenfonds gelijk te behandelen door de extra inhouding van 1% op de overrentedeling terzake van de pensioenaanspraken onmiddellijk te staken;

2. het Pensioenfonds te verplichten alle op grond van deze maatregel verrichte extra inhoudingen aan [appellant] te vergoeden, waaronder begrepen het nadeel dat is geleden in verband met de indexatie, zulks te vermeerderen met wettelijke rente over de periode gelegen tussen de inhoudingsdatum en de datum van algehele voldoening.

3. het Pensioenfonds te veroordelen tot voldoening van buitengerechtelijke kosten, en

4. het Pensioenfonds te veroordelen in de kosten van de procedure.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

4.2 Het hof stelt voorop dat [appellant] in hoger beroep bij memorie van grieven zijn eis heeft gewijzigd. Het hof begrijpt die wijziging aldus dat:

(i) [appellant] ten aanzien van de vorderingen onder 1) en 2) hierboven in hoger beroep ook schadevergoeding vordert, waarbij de vergoeding overeenkomt met de maatregelen onder 1 en 2 hierboven;

(ii) [appellant] verzoekt de vorderingen onder 1) en 2) hierboven aldus te lezen dat (a) de inhouding die ten onrechte is gedaan alsnog bij de pensioenaanspraken wordt gevoegd (b) dat over deze inhouding alsnog het fondsrendement wordt meegeteld, en dat (c) over de inhouding alsnog de indexering over het verleden wordt toegekend;

(iii) [appellant] subsidiair vordert dat voor recht wordt verklaard dat het Pensioenfonds de inhouding van 1% in het verleden ten onrechte heeft toegepast.

Verder begrijpt het hof de ‘akte houdende aanvulling memorie van grieven’ met datum

18 november 2008 aldus dat [appellant] vordert dat het Pensioenfonds de aldaar genoemde informatie ontsluit.

4.3 Nu de wijziging van eis bij memorie van grieven tijdig is gedaan en het Pensioenfonds daartegen geen - anders dan inhoudelijk - bezwaar heeft gemaakt, gaat het hof uit van die gewijzigde eis. De ‘akte houdende aanvulling memorie van grieven’ met datum 18 november 2008 is ingediend op dezelfde rolzitting als die waarop de memorie van grieven is ingediend, en vóór het indienen de memorie van antwoord, zodat het Pensioenfonds op de wijziging c.q. aanvulling van de eis in die akte heeft kunnen reageren. Het hof zal derhalve uitgaan van die gewijzigde c.q. aangevulde eis.

4.4 Met zijn grieven legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voor. Ter onderbouwing van zijn betoog dat het Pensioenfonds zich ten onrechte het recht voorbehoudt om een korting van 1% toe te passen, beroept [appellant] zich allereerst op de garantieregeling (weergegeven onder 3.4 hierboven). Het hof oordeelt als volgt.

Garantieregeling

4.5 Tussen partijen staat niet ter discussie dat tussen VVAA en het Pensioenfonds een contractuele regeling tot stand is gekomen waarbij pensioenaanspraken van [appellant] van VVAA naar het Pensioenfonds zijn overgedragen en dat [appellant] zijn instemming aan die contractuele regeling heeft verleend. Evenmin staat ter discussie dat [appellant] een beroep op de garantieregeling toekomt. [appellant] stelt dat het Pensioenfonds in strijd met de garantieregeling handelt, omdat zij het herstel van de dekkingsgraad indirect door middel van een korting door [appellant] laat financieren. Het Pensioenfonds heeft dit gemotiveerd betwist. Om de inhoud van de garantieregeling vast te stellen, zal deze moeten worden uitgelegd. Bij de uitleg van dit schriftelijke contract zijn van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Het komt dan in beginsel aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over een weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gesteld noch gebleken is dat over de inhoud van de brief van 5 november 1999 en de toelichting daarop onderhandelingen of besprekingen (al dan niet met [appellant]) hebben plaatsgevonden. Evenmin hebben partijen andere dan tekstuele argumenten aangedragen waaruit de betekenis van de garantieregeling kan worden afgeleid. Hieruit vloeit voort dat het hof de garantieregeling zal moeten uitleggen naar objectieve maatstaven, waarbij zal worden aangesloten bij de meest voor de hand liggende betekenis.

4.6 Naar het oordeel van het hof kan uit de tekst van de garantieregeling (weergegeven onder 3.4 hierboven) niet anders worden geconcludeerd dan dat alleen de opgebouwde rechten over het verleden worden gegarandeerd. Het hof leidt dit af uit het feit dat in de garantieregeling staat vermeld dat de oud-VVAA-deelnemers een pensioenoverzicht krijgen met de eindstand plus winstdeling over 1999. Hieruit vloeit voort dat die eindstand gegarandeerd wordt en niet de nadien ontstane pensioenaanspraken, waaronder toekomstige aanspraken op een winstdeling. Op grond van de garantieregeling bestaat derhalve geen recht op toekomstige winstdelingen. In de garantieregeling staat bovendien niet vermeld - en evenmin valt daarin te lezen - dat het Pensioenfonds met betrekking tot de pensioenverplichtingen voor de oud-VVAA-deelnemers te allen tijde een dekkingsgraad van 100% garandeert, laat staan dat voor toekomstige verplichtingen, waaronder de winstdeling, altijd een dekkingsgraad van 100% wordt gegarandeerd. Verder kan uit die garantieregeling worden afgeleid dat een verschil in behandeling wordt gemaakt bij de winstdeling.

4.7 Uit het voorgaande vloeit voort dat het Pensioenfonds niet in strijd handelt met de garantieregeling indien zij een korting toepast op toekomstige winstdelingen. In zoverre falen de grieven.

Onrechtmatige daad: ongelijke behandeling

4.8 [appellant] legt aan zijn beroep op onrechtmatige daad ten grondslag dat het Pensioenfonds [appellant] ongelijk behandelt ten opzichte van de deelnemers in eigen beheer. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat, indien het tot een winstdeling komt, hem een (potentieel) voordeel wordt onthouden in de vorm van 1% van die winstdeling. Naar het oordeel van het hof is dit echter niet onrechtmatig. Het Pensioenfonds heeft immers - niet, althans onvoldoende bestreden - aangevoerd:

(i) dat de deelnemers in eigen beheer, in tegenstelling tot de oud-VVAA-deelnemers, voldoende buffer hadden opgebouwd om een verval in dekkingsgraad te kunnen opvangen.

(ii) dat de dekkingsgraad van het Pensioenfonds als geheel steeds ruim boven de 100% is geweest, zodat het normpensioen van [appellant], dat was gegarandeerd (te vermeerderen met een jaarlijkse indexering van 3%), niet in gevaar zou komen;

(iii) dat het verschil in dekkingsgraden tussen de deelnemers in eigen beheer en de oud-VVAA-deelnemers, uitsluitend werd gehanteerd ten behoeve van aanspraken op de winstdeling;

(iv) dat er geen (wettelijke) verplichting op het Pensioenfonds rust, om enkel ter wille van de toekomstige aanspraken op winstdeling, een dekkingsgraad van 100% aan te houden;

(v) dat het Pensioenfonds de dekkingsgraad van de oud-VVAA deelnemers ter wille van de winstdeling uit de collectieve middelen heeft hersteld tot 100%;

(vi) dat, indien het Pensioenfonds ervoor zou hebben gekozen de dekkingsgraad voor de oud-VVAA-deelnemers niet aan te vullen, dit zou hebben betekend dat die deelnemers, waaronder [appellant], voorlopig geen uitzicht meer zouden hebben gehad op een toekomstige winstdeling en dat met het herstel van de dekkingsgraad een perspectief op winstdeling in de toekomst is hersteld.

4.9 Op basis van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de oud-VVAA-deelnemers ten gevolge van het herstel van de dekkingsgraad uit algemene middelen, een voordeel zouden krijgen, waar ze zonder het herstel van de dekkingsgraad geen recht op zouden hebben. Nu de oud-VVAA niet of nauwelijks hebben bijgedragen aan de collectieve middelen waarmee de dekkingsgraad is hersteld, acht het hof het verschil in onderscheid niet ongerechtvaardigd dan wel onrechtmatig.

4.10 [appellant] stelt nog dat artikel 69 Wet Verplichte Beroepspensioenregeling juncto artikel 58 van de Pensioenwet, dan wel de artikelen 105 lid 2 en 119 Wet Verplichte Beroepspensioenregelingen, alsmede artikel 123 Pensioenwet, aan het door het Pensioenfonds gemaakte onderscheid in de weg staan . De kantonrechter heeft in dat verband geoordeeld dat in die artikelen geen steun kan worden gevonden voor het oordeel dat het in het onderhavige geval niet is toegestaan om een - zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld - gerechtvaardigd onderscheid te maken. Het hof sluit zich aan bij dit oordeel van de kantonrechter en de daarvoor gegeven gronden.

4.11 Ten aanzien van het beroep van [appellant] op artikel 26 van het pensioenreglement overweegt het hof als volgt. [appellant] erkent dat het maken van een onderscheid ten aanzien van de winstdeling tussen de oud-VVAA-deelnemers en de deelnemers in eigen beheer is toegestaan ten behoeve van het opbouwen van een extra reserve voor de oud-VVAA deelnemers. Dit staat haaks op - en is in zoverre tegenstrijdig met - de stelling van [appellant] dat artikel 26 van het pensioenreglement het maken van onderscheid niet zou toestaan. Bovendien heeft het Pensioenfonds aangevoerd dat dit artikel veeleer noopt tot het maken van een onderscheid. Dit artikel spreekt van een ‘recht (…) op een aandeel in de door de verzekeraar of het pensioenfonds op de verzekering gemaakte winst’, hetgeen volgens het Pensioenfonds betekent dat de deelnemers in eigen beheer recht hebben op de winst die is gemaakt op de verzekeringen in eigen beheer. Nu, aldus het Pensioenfonds, de winst op die verzekeringen niet meer zuiver kan worden bepaald indien de daarvoor opgebouwde reserve zou worden vermengd met andere vermogens, is het noodzakelijk om ter voldoening aan artikel 26 van het pensioenreglement, een onderscheid te maken. Nu [appellant] niets, althans onvoldoende, tegenover die stellingen heeft gesteld of haar standpunt heeft verduidelijkt faalt het beroep op artikel 26 van het pensioenreglement.

4.12 Voor zover [appellant] nog betoogt dat hij ook een buffer heeft opgebouwd, omdat hij de bij VVAA ingekochte winstdeling van 10 jaar heeft meegenomen, gaat het hof daaraan voorbij. De winstdeling bij VVAA kwam er, zoals het Pensioenfonds onbestreden heeft gesteld, kort gezegd op neer dat een deelnemer op het moment van deelname een winstdeling werd toegekend voor een (toekomstige) periode van 10 jaar, waarbij het rentepercentage werd vastgesteld op de rentestand in het jaar van inleg van de premie. Het Pensioenfonds heeft onbestreden gesteld dat bij de overdracht van de pensioenaanspraken is bedongen dat deze, door VVAA vooraf afgegeven, aanspraken op winstdelingen volledig op 100% gefinancierd zouden worden, dat het Pensioenfonds dit heeft gedaan in de vorm van een betaling aan VVAA en dat deze aanspraak op winstdeling voor een periode van tien jaar in feite in één keer is meegegeven. Dat met die financiering door het Pensioenfonds tevens een buffer zou worden gecreëerd, vindt geen steun in die garantieregeling en blijkt, zonder nadere feiten (die niet zijn gesteld en evenmin zijn gebleken) ook overigens nergens uit.

4.13 De slotsom van het voorgaande is dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd dan wel onrechtmatig onderscheid in behandeling.

onrechtmatige daad: onzorgvuldig beheer

4.14 [appellant] legt aan zijn beroep op onrechtmatige daad verder ten grondslag dat het Pensioenfonds de portefeuille van de oud-VVAA-deelnemers niet zorgvuldig heeft beheerd. Volgens [appellant] had het Pensioenfonds voor de oud-VVAA-deelnemers een gematigder beleggingsbeleid dienen te hanteren dan voor de deelnemers in eigen beheer, gelet op het verschil in buffer tussen de beide groepen en gelet op het verschil in behandeling ten aanzien van de winstdeling tussen de beide groepen in geval van beleggingsverliezen.

4.15 Het hof stelt voorop dat het feit dat de dekkingsgraad met betrekking tot de pensioenverplichtingen voor de oud-VVAA-deelnemers tot 75,5% is gedaald en daarmee onder de 100% is gekomen, het beheer nog niet onzorgvuldig maakt. Dit enkele feit betekent immers nog niet dat het Pensioenfonds de haar ter beschikbaar gekomen gelden niet in overeenstemming met de prudent-person regel (als bedoeld in artikel 121 van de Wet verplichte beroepspensioenverzekering) heeft beheerd. Of dit het geval is geweest hangt af van alle omstandigheden waarin een individueel pensioenfonds verkeert. In dat verband heeft het Pensioenfonds, niet, althans onvoldoende, bestreden aangevoerd dat de dekkingsgraad van het Pensioenfonds ook ten tijde van de beurskrach aan het begin van deze eeuw als geheel steeds ten minste 100% is geweest en dat zij steeds voldoende collectieve middelen heeft gehad om de bestaande verplichtingen van alle deelnemers van het Pensioenfonds te kunnen garanderen. Verder beschikte het Pensioenfonds over voldoende reserves om de dekkingsgraad van de pensioengelden van de oud-VVAA-deelnemers te herstellen tot 100%, zoals zij ook heeft gedaan. Het risico aan welke het Pensioenfonds de deelnemers heeft blootgesteld en zoals zich dat heeft geopenbaard is derhalve beperkt gebleven tot een korting van 1% op de jaarlijkse winstdeling over 2007 en een mogelijke korting van 1% in de toekomst. Het Pensioenfonds heeft ten aanzien van het door haar gehanteerde beleid gesteld dat uit de resultaten vanaf 1973 blijkt dat dit beleid op de langere termijn tot betere resultaten leidt voor de deelnemers, zowel wat betreft de winstdeling als wat betreft de buffers, zodat het voor de hand lag dit beleid te volgen. Zij voegt daaraan toe dat een beleid waarbij beleggingsrisico’s zouden zijn gemeden, niet zou hebben kunnen resulteren in (substantiële) overwinst en de opbouw van een buffer. Zij heeft dit onderbouwd met een overzicht met winstdelingspercentages van het Pensioenfonds en de commerciële verzekeraars vanaf 1973 tot en met 2008. Uit dit overzicht kan worden afgeleid dat vanaf 1994 de commerciële verzekeraars, waaronder ook VVAA, minder winstdeling gingen toekennen dan het Pensioenfonds. [appellant] heeft in algemene bewoordingen betwist dat het beleggingsbeleid van het Pensioenfonds tot betere resultaten leidt doch hij heeft zijn stellingen niet nader onderbouwd, terwijl [appellant] - zoals ter zitting in hoger beroep is gebleken - wel over persoonlijke overzichten beschikte. Tegenover de gedocumenteerde stellingen van het Pensioenfonds acht het hof dit onvoldoende, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Tot slot heeft het Pensioenfonds onbestreden gesteld dat niemand deze beurskrach had verwacht en dat deze sinds de jaren zeventig niet, althans niet in een zodanige omvang, was voorgekomen.

4.16 In het licht van het voorgaande beschouwd is het hof van oordeel dat [appellant] tegenover de gemotiveerde verweren van het Pensioenfonds onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan het Pensioenfonds onzorgvuldig beheer kan worden verweten. Aan bewijslevering kan daarom niet worden toegekomen. Op dit punt falen de grieven.

Schending waarschuwingsplicht

4.17 Tegen voornoemde achtergrond heeft het Pensioenfonds naar het oordeel van het hof geen zorgvuldigheidsnorm geschonden door de oud-VVAA-deelnemers niet te waarschuwen dat zij een verschil in dekkingsgraad hanteerde ten behoeve van de winstdeling. Het Pensioenfonds kon volstaan met de mededeling in de garantieregeling, inhoudende dat - naar die deelnemers hadden kunnen en moeten begrijpen - er een verschil in winstdeling zou zijn. Het hof neemt bij dit oordeel in het bijzonder in aanmerking dat - zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld - van onzorgvuldig beheer door het Pensioenfonds geen sprake was, dat het Pensioenfonds - niet, althans onvoldoende bestreden - heeft gesteld dat het beleggingsbeleid van het Pensioenfonds op termijn tot betere resultaten leidde dan dat van VVAA en dat een beleid waarbij beleggingsrisico’s zouden zijn gemeden, niet zou hebben kunnen resulteren in (substantiële) overwinst, zulks in verbinding met het feit dat het mogelijke voordeel dat [appellant] wordt onthouden bij toepassing van de winstdeling, geen recht betrof, waarop de deelnemers bij voorbaat aanspraak hebben, nu dit afhankelijk is van de resultaten van het fonds.

Ten onrechte geen rekening gehouden met eerdere deelname?

4.18 [appellant] heeft gesteld dat het Pensioenfonds bij de toepassing van de korting op de winstdeling geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij in de periode vanaf 1 mei 1978 tot 1 januari 1988 volledig heeft deelgenomen in het Pensioenfonds en in de periode na

1 januari 1988 gedeeltelijk en derhalve in die periode wel een extra reserve heeft opgebouwd. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat hij niet over gegevens beschikt om zijn stelling te onderbouwen en dat het aan het Pensioenfonds is om inzage te verstrekken in de wijze waarop zij met die reserve rekening heeft gehouden. Het Pensioenfonds heeft aangegeven dat zij wel degelijk met de door [appellant] opgebouwde reserve heeft rekening gehouden. Verder heeft zij bij de pleidooi-zitting in hoger beroep aangevoerd dat [appellant] steeds persoonlijke overzichten heeft gekregen, waaruit zijn pensioenaanspraken kunnen worden afgeleid. [appellant] heeft dit niet weersproken. Tegen die achtergrond lag het op de weg van [appellant] om zijn vordering op dit punt nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten zal het hof die vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd, afwijzen.

4.19 Het oordeel omtrent het voorgaande is dat uit de stellingen van [appellant] niet kan worden afgeleid dat het Pensioenfonds onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Om die reden komt het hof niet aan bewijslevering toe.

Slotsom

4.20 De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

4.21 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 18 juni 2008;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Pensioenfonds begroot op € 2.682,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,-- voor griffierecht;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, R. Prakke-Nieuwenhuizen en

C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2009.