Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4731

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
23-000113-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promisarrest.

Uitgeven van valse bankbiljetten (artikel 209 Sr). Bewijsperikelen. Werkstraf van 180 uur, waarvan 90 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000113-09 (PROMIS)

datum uitspraak: 11 juni 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 17 december 2008 in de strafzaak onder de parketnummers 15-700835-08 en 23-002926-06 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [1979],

adres: [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 december 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten, samengevat, dat hij op 5 november 2008 in Haarlem :

- een vals bankbiljet heeft uitgegeven dat hij zelf heeft vervalst of nagemaakt en waarvan de valsheid hem bekend was (feit 1 primair, artikel 209 wetboek van strafrecht (sr));

- een vals bankbiljet heeft uitgegeven (feit 1 subsidiar, artikel 213 sr);

- 5 valse bankbiljetten heeft ontvangen, zich heeft verschaft of die hij zelf heeft vervalst of waarvan de valsheid hem bekend was (feit 2, artikel 209 sr).

Van de tenlastelegging is een kopie aan dit arrest gehecht.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof – ook naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd- een andere bewijsconstructie hanteert dan de eerste rechter en omdat het hof tot een andere beslissing komt op het verzoek tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

De feiten waarvan het hof uitgaat

Feit 1 primair en subsidiar

De verdachte heeft in restaurant [naam restaurant] te Haarlem op 5 november 2008 een glas whisky gekocht en heeft betaald met een vals biljet van € 50,- waarna hij € 45,50 wisselgeld heeft ontvangen en het restaurant heeft verlaten. De barvrouw, [getuige 1], die zich op 5 november 2008 achter de bar in restaurant ‘De Lachende Koe’ bevond, heeft verklaard dat de klant die een whisky kocht, toen hij afrekende twee biljetten van

€ 50,- in zijn hand had die er nieuw uitzagen; nadat de klant met een biljet van € 50,- had betaald dronk hij zijn glas snel leeg en ging hij weg. [Getuige 1] vond dit vreemd en heeft met een collega het biljet waarmee de klant had betaald nagekeken en het bleek vals te zijn. [Getuige 1] heeft de later aangehouden verdachte herkend als de man die met het valse biljet van van € 50,- had betaald1. Op aanwijzing van [getuige 1] heeft de eigenares van [naam restaurant], [aangever], aangifte gedaan2.

Feit 2

Later op die dag, 5 november 2008, is de verdachte staande gehouden door twee verbalisanten. Zij zagen dat de verdachte een blikje en mogelijk nog iets anders in een op straat staande prullenbak gooide. Bij onderzoek in de prullenbak vonden verbalisanten daarin een envelop van de Postbank met daarin 5 biljetten van € 50,-. Na buurtonderzoek bleek de verdachte ook in de coffeeshop en een snackbar met een biljet van € 50,- te hebben betaald. Het biljet van de coffeeshop was al weg en kon niet meer gecontroleerd worden.

Standpunt van de verdachte en zijn raadsman

De verdachte ontkent ook in hoger beroep dat hij wist dat hij de whisky in het restaurant [naam restaurant] had betaald met een vals biljet van € 50,-. Wel erkent hij, anders dan in zijn verklaring tegenover de politie, dat hij degene was die de vijf valse biljetten van € 50,- in de prullenbak heeft gegooid en dat hij op dat moment wel sterke vermoedens had dat deze biljetten vals waren. De valse biljetten had hij gewonnen bij een illegale voetbaltoto.

Volgens de raadsman van de verdachte bestaat er teveel twijfel of de verdachte wist of kon vermoeden dat de biljetten van € 50,- vals waren. De raadsman bepleit primair vrijspraak en subsidiair een aanzienlijk lagere straf dan door de rechtbank opgelegd.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich, evenals de rechtbank, op het standpunt dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hij wijst daarbij op het feit dat de verdachte alléén een restaurant binnenging waar hij nog nooit was geweest en waar het een beetje donker was. De verdachte hield bij het bestellen en betalen van een whisky zijn handschoenen aan. Hij betaalde met een biljet van € 50,- dat hij uit een envelop moest pakken, terwijl hij ook kleingeld – ruim voldoende voor het betalen van de whisky - in zijn jaszak had zitten. Tevens heeft de verdachte verschillend verklaard over de weggegooide valse bankbiljetten en ook over het moment waarop hij die bankbiljetten heeft weggegooid. Bovendien gooit iemand niet zomaar een aanzienlijk bedrag van € 250,- weg, aldus de advocaat-generaal.

Oordeel van het hof

Feit 1 primair

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij op 5 november 2008 te Haarlem in restaurant [naam restaurant] aan de bar een whisky heeft gedronken en dat hij deze betaald heeft met in eerste instantie per ongeluk twee bankbiljetten van € 50,-, doordat die bankbiljetten samen in een envelop zaten in de achterzak van zijn broek en hij een bankbiljet met handschoenen aan uit die envelop wilde pakken. Tevens heeft hij verklaard dat het een beetje donker was in dat restaurant en dat hij ook nog ‘echt’ geld, bestaande uit verschillend briefgeld en een aantal euromunten, bij zich had. De verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij een drankje heeft betaald met een biljet van € 50,-, terwijl hij ook nog kleingeld bij zich had. De barvrouw vond dat de twee bankbiljetten die de verdachte in eerste instantie uit zijn broekzak haalde er nog heel nieuw uitzagen en vertrouwde het niet. Zij constateerde met een collega dat het biljet vals was3. Uit onderzoek is gebleken dat het door de verdachte overhandigde bankbiljet van € 50,- als vals stond gesignaleerd4. Bovendien komt het serienummer van dit biljet overeen met een van de onder feit 2 inbeslaggenomen bankbiljetten.

Op grond van bovenstaande verklaringen en bevindingen, in samenhang met hetgeen de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastgelegde feit heeft verklaard alsmede de bevindingen van de politie ten aanzien van dat feit (zie hierna) acht het hof wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte wist dat het biljet waarmee hij de whisky kocht, vals was.

Feit 2

Verbalisanten zagen op 5 november 2008 te Haarlem de verdachte iets weggooien in een prullenbak op straat. Zij stelden hierop een onderzoek in. Naast het weggegooide blikje lag een envelop van de Postbank met daarin 5 biljetten van € 50,- 5. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat hij op 5 november 2008 te Haarlem na de eerste confrontatie met de politie, maar nog vóór zijn aanhouding, de vijf bankbiljetten in een envelop tezamen met een blikje Redbull heeft weggegooid in een prullenbak nu hij ernstige vermoedens had dat de bankbiljetten vals waren. Uit onderzoek is gebleken dat de aangetroffen vijf briefjes van € 50,- als vals stonden gesignaleerd6.

Op grond van het bovenstaande verklaringen en bevindingen in samenhang met het feit van algemene bekendheid dat niemand zomaar een aanzienlijk geldbedrag ter hoogte van € 250,- euro weggooit, acht het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het bewijs en het bewezenverklaarde

Feit 1 primair

Het hof baseert het bewijs voor feit 1 primair op de ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2009 afgelegde verklaring van de verdachte en op de processen-verbaal genoemd in de voetnoten 2 tot en met 5, met dien verstande dat de verdachte:

op 5 november 2008 te Haarlem, opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljet heeft uitgegeven een bankbiljet van 50 euro, waarvan de valsheid de verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was.

Feit 2

Het hof baseert het bewijs voor feit 2 op de ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2009 afgelegde verklaring van de verdachte en op de processen-verbaal genoemd in de voetnoten 3, 5 en 6, met dien verstande dat de verdachte:

op 5 november 2008, te Haarlem, opzettelijk vijf bankbiljetten van 50 euro, waarvan de valsheid de verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven in voorraad heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

Het uitgeven of in vooraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid van degene die ze uitgeeft of in voorraad heeft bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven , meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en tevens heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de bij arrest van 18 december 2006 van het gerechtshof te Amsterdam voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Tegen dat vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een geldboete ter hoogte van € 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van 18 december 2006 van het gerechtshof te Amsterdam voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en omzetting daarvan gevorderd in een werkstraf voor de duur van 180 uren, bij niet voldoen weer omzetting naar 4 maanden gevangenisstraf, de verbeurdverklaring van een geldbedrag en de onttrekking aan het verkeer van de valse bankbiljetten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van valse bankbiljetten van € 50,- en het uitgeven van een vals bankbiljet van € 50,- waarvan de valsheid de verdachte bekend was.

Door deze gedragingen heeft de verdachte het vertrouwen in chartaal geld geschonden en tevens nadeel teweeggebracht bij de ontvanger van het valse bankbiljet.

Ook is de verdachte blijkens zijn Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 april 2009 eerder ter zake van vermogensdelicten, waaronder oplichting en valsheid in geschrifte veroordeeld.

De voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de advocaat-generaal tenuitvoerlegging heeft gevorderd betreft onder meer eenzelfde feit als het onderhavige, gepleegd op 28 maart 2006.

Het hof acht, alles afwegende, net als de rechtbank een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Het schenden van het vertrouwen dat in chartaal geld mag worden gesteld, is een ernstig feit dat maakt dat, ook gelet op genoemde recidive, niet kan worden volstaan met een kortere vrijheidsstraf.

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen geldbedrag, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het onder 1 primair bewezengeachte is verkregen.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 2 bewezengeachte met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 december 2006, parketnummer 23-002926-06, van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, termen aanwezig zijn om in plaats van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, te gelasten een taakstraf bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren onbetaalde arbeid, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 209 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs en bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder onder het 1 primair en 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 x een vals bankbiljet met serienummer X26195726161;

- 2 x een vals bankbiljet met serienummer U77948546747;

- 2 x een vals bankbiljet met serienummer U20527526044.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten een geldbedrag van € 45,50.

Gelast de teruggave aan van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp respectievelijk de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten:

- 1 paar handschoenen;

- 6 x een bankbiljet van € 20,- = € 120,-;

- 8 x een bankbiljet van € 10,- = € 80,-;

- 4 x een bankbiljet van € 5,- = € 20,-;

- een aantal euromunten met een gezamenlijke waarde van € 8,90.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 december 2006 met parketnummer 23-002926-06:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren onbetaalde arbeid, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. M.J.L. Mastboom en mr. B.W.M. van der Lugt, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2009.

Mr. Van der Lugt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal met nummer PL1228/08-134948 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1], d.p. 31 t/m 32.

2 Een proces-verbaal met nummer PL1228/08-134948 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de aangifte van [aangever], d.p. 27 t/m 28.

3 Een proces-verbaal met nummer PL1228/08-134948 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1], d.p. 31 t/m 32.

4 Een proces-verbaal onderzoek falsificaat met nummer PL1228/08-134948 van 20 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], d.p. 45.

5 Een proces-verbaal met nummer PL1228/08-134948 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 1 en verbalisant 4], inhoudende een relaas van bevindingen, d.p. 29 t/m 30.

6 Een proces-verbaal onderzoek falsificaat met nummer PL1228/08-134948 van 20 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], inhoudende het relaas van bevindingen en/of verrichtingen van voornoemde verbalisant, d.p. 45.