Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4632

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
07/00777 en 07/00778
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een vaststellingsovereenkomst over de waarde van de onroerende zaak brengt mee dat inhoudelijke grieven tegen die waarde in hoger beroep niet meer worden behandeld.

De uit de erfpachtsovereenkomst en het bestemmingsplan volgende beperkingen in het gebruik van de onroerende zaak staan er niet aan in de weg dat de genothebbende van het erfpachtsrecht als belastingplichtige ter zake van dat genot in de heffing van onroerende-zaakbelastingen wordt betrokken.

De uit het ontbreken van een milieuvergunning volgende beperkingen in gebruiksmogelijkheden van een onroerende zaak staan er niet aan in de weg dat de gebruiker van die zaak als belastingplichtige ter zake van dat gebruik in de heffing van onroerende-zaakbelastingen wordt betrokken.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 220, geldigheid: 2009-10-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2658
FutD 2009-2625
Belastingblad 2010/171

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken: P07/00777 en 07/00778

uitspraak: 22 oktober 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X], belanghebbende,

gemachtigde mr. F. van der Brug te Utrecht

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht in de zaken no. SBR 06/3295 en SBR 06/3297 in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de directeur Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de Gemeente Utrecht,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2005 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet woz) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [P] (hierna: de onroerende zaak) naar de waardepeildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op

€ […].000. Gelijktijdig zijn aan belanghebbende als zakelijk gerechtigde en als gebruiker van de onroerende zaak aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2005 opgelegd

1.1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 31 juli 2006, de waarde verminderd tot € [...].000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

1.2.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2006 aan belanghebbende als zakelijk gerechtigde en als gebruiker van de onroerende zaak aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2006 opgelegd.

1.2.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 31 juli 2006, de waarde verminderd tot € […].000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

1.3. Bij in één geschrift verenigde uitspraken van 28 augustus 2007, verzonden op 3 september 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) beide beroepen gegrond verklaard en de waarde verminderd tot € […].000.

1.4. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 10 oktober 2007, aangevuld bij brief van 7 november 2007. Het Hof heeft het beroep gesplitst en ingeboekt onder kenmerk 07/00777 (inzake de aanslagen over het jaar 2006) en 07/00778 (inzake de Wet woz-beschikking en de aanslagen over het jaar 2005).

De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

2.1 In geschil is of partijen ter zitting van de rechtbank een rechtsgeldige overeenkomst hebben gesloten over de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2003 en zo neen, op welk bedrag die waarde moet worden vastgesteld.

2.2. Voorts is in geschil of aan belanghebbende terecht aanslagen onroerende-zaakbelastin¬gen zijn opgelegd als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak en als gebruiker daarvan.

2.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot - naar het Hof begrijpt - een lagere dan de door de rechtbank vastgestelde waarde en vernietiging dan wel vermindering van de naar die waarde berekende aanslagen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft belanghebbende, kort samengevat, het volgende aangevoerd:

- zij erkent te hebben ingestemd met het aanbod de WOZ-waarde te stellen op € […].000 doch met het voorbehoud dat daaraan voorafgaat de vraag of de heffingsambtenaar bevoegd was de aanslagen onroerende-zaakbelastingen op te leggen. Haar grieven tegen de aanslagen heeft zij niet opgegeven;

- in het verleden is haar een vrijstelling voor de onroerende-zaakbelastingen verleend; de gemeente zou op grond van de hardheidsclausule of een vergelijkbare bevoegdheid ook voor de onderhavige jaren vrijstelling moeten verlenen;

- in de overeenkomst waarmee de onroerende zaak in erfpacht is uitgegeven zijn uitzonderlijk beperkende voorwaarden opgenomen. Ook in het vigerende bestemmingsplan staan dergelijke voorwaarden. Zij kan daardoor niet vrij over de onroerende zaak beschikken en kan derhalve niet als zakelijk gerechtigde (volledig) in de heffing worden betrokken;

- als gevolg van de handelwijze van de gemeente bij het verlenen van de vereiste milieuvergunning is zij niet in staat haar activiteiten voort te zetten. Zij kan daardoor ook niet als gebruiker van de onroerende zaak worden aangeslagen.

2.4. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij, kort samengevat, het volgende aangevoerd:

- tijdens de zitting bij de rechtbank is een vaststellingsovereenkomst over de WOZ-waarde gesloten;

- belanghebbende is erfpachter van de onroerende zaak;

- belanghebbende maakt voor haar activiteiten gebruik van de onroerende zaak.

2.5. Voor het overige verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep.

3. De uitspraak van de rechtbank

3.1. De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de onroerende zaak als het object.

“2.3 Ter zitting van de rechtbank op 6 juli 2007 hebben partijen overeenstemming bereikt over een voor het object (opstallen plus grond) vast te stellen waarde van € […].000,- op de peildatum 1 januari 2003. Gelet op deze voorgestane waarde zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op het bezwaar vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door de waarde van het object naar de waardepeildatum 1 januari 2003 te verlagen naar € […].000,-.

2.4 Eiseres heeft ter zitting voorts betoogd dat zij - ondanks de bereikte overeenstemming over de waarde van het object - wel een uitspraak van de rechtbank wenst met betrekking tot de vraag of zij als eigenaar en gebruiker van het object kan worden aangeslagen voor de onroerendezaakbelastingen.

Eiseres heeft daartoe betoogd dat haar registratie in het kadaster slechts een vermoeden van eigenaarsbezit geeft. Zij is van mening dat zij de eigenarenbelasting niet verschuldigd is - kort gezegd - vanwege het gevestigd recht van erfpacht en het gegeven dat de waarde na afloop van de erfpacht nihil is. De gebruikersbelasing is eiseres naar haar stellen niet verschuldigd omdat zij het object niet kan/mag gebruiken overeenkomstig de bestemming vanwege het uitblijven van milieu- en bouwvergunningen.

2.5 De rechtbank overweegt dat in artikel 220 van de Gemeentewet de bevoegdheid van de gemeenten tot heffing van de onroerendezaakbelastingen is neergelegd. Tevens is bepaald wie hiervoor de belastingplichtigen zijn.

Eén belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het belastingjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, gebruiken (gebruikersbelasting). De tweede belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (zakelijkgerechtigdenbelasting of eigenarenbelasting).

2.6 Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij de eigenarenbelasting of de zakelijkgerechtigdenbelasting niet verschuldigd is, overweegt de rechtbank dat uit het zich onder de gedingstukken bevindende afschrift van het geautomatiseerde bestand van het kadaster blijkt dat eiseres staat geregistreerd als zakelijk gerechtigde van het perceel krachtens erfpacht. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2001, LJN: AB0166, wordt indien op een onroerende zaak een erfpachtrecht rust, onder het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht verstaan de aan het erfpachtrecht ontleende bevoegdheid om de onroerende zaak te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van dat recht. Eiseres is op grond hiervan en gelet op het bepaalde in artikel 220 van de Gemeentewet op goede grond betrokken in de eigenarenbelasting.

2.7 Ten aanzien van de gebruikersbelasting overweegt de rechtbank dat eiseres toegang heeft tot het object en het object gebruikt voor meerdere activiteiten, zoals de maandelijkse beurzen, zij het zeker niet in de volle door haar gewenste omvang van haar kernactiviteiten. Vast staat voorts dat eiseres de mogelijkheid heeft om na het voldoen aan de wettelijke voorwaarden (voorheen de milieuvergunning, thans nog met betrekking tot het geluidscherm) het object in volle omvang te gebruiken. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiseres het object niet feitelijk gebruikt. Zij is dan ook op goede grond betrokken in de gebruikersbelasting.”

3.2. Het dictum van de rechtbankuitspraak luidt als volgt:

“De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart de beroepen gegrond,

3.2 vernietigt de uitspraken op bezwaar van 31 juli 2006,

3.3 voorziet zelf in de zaken, bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken, en verlaagt de waarde van het object op de waardepeildatum 1 januari 2003 tot € […].000,-,

3.4 en 3.5 [proceskostenveroordeling en teruggaaf griffierechten].”

4. Feiten

In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof de volgende feiten vast:

4.1. Het proces-verbaal van de rechtbankzitting vermeldt onder meer het volgende:

“De rechtbank schorst het onderzoek ten einde partijen de gelegenheid te geven voor nader overleg.

[namens belanghebbende]: de taxateur gaf mij € […].000,- als herbouwwaarde aan.

[namens de heffingsambtenaar]: we willen schikken op € […].000,-.

[namens belanghebbende]: ik zou me kunnen vinden in € […].000,- als nieuwbouwwaarde. De gecorrigeerde vervangingswaarde is veel lager. De WOZ-waarde zou € […].000 zijn. Het pand is in feite afgeschreven, vertegenwoordigt geen waarde meer.

[de taxateur van de heffingsambtenaar]: als gecorrigeerde vervangingswaarde voor het pand rekenen we € [..].000,-. De grond is € […].000,-. Met de extra grond komen we boven de € […].000,-

[namens belanghebbende]: Ik kan me vinden in de voorgestelde WOZ-waarde van € […].000,-. Ik wil echter nog wel een uitspraak van de rechtbank over het eigendom en het gebruik”

4.2. Tot de gedingstukken behoort een notariële akte van 19 januari 1973, waarbij de grond die deel uitmaakt van de onroerende zaak door de Gemeente Utrecht aan belanghebbende in erfpacht is uitgegeven onder in de akte vermelde voorwaarden met betrekking tot het gebruik en betaling vaneen jaarlijkse canon van ƒ [.].360 per jaar.

Ter zitting is komen vast te staan dat de canon in de onderhavige jaren nog steeds betaald werd.

4.3. In een door de heffingsambtenaar overgelegde uitdraai van […] van de gemeente Utrecht opgenomen informatie over belanghebbende, gedagtekend […], is onder meer het volgende vermeld:

“Dit is een […] centrum voor […]. waar ook diverse cursussen (…) gegeven worden. (…)

Bij de aangesloten gebruikersgroepen/clubs kunnen jeugdigen en volwassenen […] deelnemen aan tal van andere activiteiten.

Vakbekwame personen kunnen […] gebruik maken van […], alsmede van (…).

Maandelijks op 3e zaterdag van de maand, een […]beurs in de kantine (…).

Gebouw kan ook voor tijdelijk gebruik ingericht worden, zoals bijeenkomsten, tentoonstellingen, beursruimte (…) en tal van andere activiteiten zoals recreatieve doeleinden voor clubs of groepen.

Al bestaande gebruikersgroepen, clubs e.d. kunnen onderdak bij de stichting overwegen en profiteren van de aanwezige faciliteiten.”

4.4. Het proces-verbaal van de zitting voor het Hof vermeldt onder meer het volgende:

“Bij de rechtbank is besproken dat voor het geval de waarde van grond en opstal in beeld komt akkoord wordt gegaan met de waarde, maar met het voorbehoud dat daaraan voorafgaat de vraag of er een bevoegdheid is, want in het verleden is altijd vrijstelling verleend.

Het tweede voorafgaande punt is dat er de waarde van de grond en het gebruik daarvan niet worden betwist, maar wel de waarde en het gebruik van de opstallen. De opstallen hebben geen enkele waarde omdat ze niet verkocht kunnen worden en van gebruik is geen sprake in verband met de milieuvoorschriften. Deze voorbehouden zijn gemaakt tijdens de vorige zitting.

Wat in het proces-verbaal van de rechtbank staat is dus niet goed, dat is ook de reden waarom ik in hoger beroep ben gegaan.

De gemeente was er bij. Ik wilde eigenlijk helemaal niet over de waarde spreken, dat is pas het derde punt, ik wilde over die andere punten spreken. Toen heb ik gezegd als we aan de waarde toekomen dan kan ik met € […].000 akkoord gaan. Ik kom voor die 2 punten en het interesseert mij niet of het nou […].000 of […].000 waarde is.”

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat partijen tijdens de zitting bij de rechtbank een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Het proces-verbaal van de zitting en de uitspraak van de rechtbank zijn de enige kenbronnen van wat ter zitting is voorgevallen, tenzij de vastlegging onbegrijpelijk is (vergelijk HR 16 april 2004, nr. 39 829, BNB 2004/220). Uit het in 4.1 geciteerde proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg in samenhang met het oordeel van de rechtbank leidt het Hof af dat de vaststellingsovereenkomst niet is gesloten onder het door belanghebbende gestelde voorbehoud. Het Hof ziet ook overigens geen reden van de overeenkomst af te wijken.

5.2. Het voorgaande brengt mee dat beide partijen aan de overeenkomst zijn gebonden en dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2003 € […].000 bedraagt. Omdat beide partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst kunnen de inhoudelijke grieven van belanghebbende voor zover deze betrekking hebben op de WOZ-waarde, in hoger beroep niet meer worden behandeld.

5.3. Met betrekking tot de opgelegde aanslagen overweegt het Hof als volgt.

Ingevolge artikel 220 van de Gemeentewet kunnen, voor zover thans van belang, ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven:

a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;

b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.”

5.4. Nu is komen vast te staan dat belanghebbende in de onderhavige jaren krachtens erfpacht het genot had van de onroerende zaak, oordeelt het Hof dat de heffingsambtenaar gerechtigd was aan belanghebbende op de voet van artikel 220, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet de aanslagen onroerende-zaakbelastingen wegens beperkt recht op te leggen (vergelijk HR 18 april 1990, nr. 26 607, BNB 1990/197). Het standpunt van belanghebbende dat de erfpachtovereenkomst en het bestemmingsplan uitzonderlijk beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van de onroerende zaak bevatten doet – wat daar ook van zij - hieraan niet af. Uit de Gemeentewet en haar geschiedenis kan niet worden afgeleid dat dergelijke beperkingen de mogelijkheid om de belasting te heffen in de weg staan.

5.5. Het Hof leidt uit de in 4.3 geciteerde algemene informatie, waarvan belanghebbende de gestelde geldigheid voor de onderhavige jaren niet heeft weersproken, af dat belanghebbende de onroerende zaak gebruikte als bedoeld in onderdeel a van artikel 220 van de Gemeentewet. Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar gerechtigd was aan belanghebbende de aanslag op de voet van artikel 220, aanhef en onderdeel a, Gemeentewet op te leggen. De omstandigheid dat belanghebbende niet over een zodanige milieuvergunning beschikte dat zij zonder de beperkingen die daarvan het gevolg waren, van de onroerende zaak gebruik kon maken doet daaraan niet af, omdat de Gemeentewet niet de eis stelt dat het gebruik zonder beperking moet zijn.

5.6. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op de hardheidsclausule of een vergelijkbare regeling oordeelt het Hof dat de belastingrechter niet bevoegd is daarover te oordelen. (vergelijk HR 29 maart 2002, nr. 36 513, BNB 2002/174).

5.7. De slotsom is dat de grieven van belanghebbende falen. De rechtbank heeft echter verzuimd de aanslagen te verminderen tot aanslagen, berekend naar de door haar verminderde WOZ-waarde van € […].000. Als gevolg daarvan zijn de hoger beroepen gegrond. Het Hof zal dit verzuim herstellen.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (vergelijk HR 16 november 2007, nr. 41 876, BNB 2008/25).

7. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing inzake de proceskosten en het griffierecht;

- verklaart de beroepen gegrond,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar;

- vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde tot € […].000;

- vermindert de aanslagen onroerende-zaakbelastingen tot aanslagen naar een waarde van € […].000; en

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende voor de behandeling van de hoger beroepen betaalde griffierecht van € 428 aan haar vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.F. Slijpen, voorzitter, W.M.G. Visser en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 22 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd

mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.