Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
23-003084-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2978, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verspreider van persbericht voor smaadschrift. Naar het oordeel van het hof draagt de inhoud van het persbericht niet bij aan enig publiek debat en is met het persbericht geen rechtens te beschermen belang gediend. Het hof verwerpt het beroep op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-003084-08

datum uitspraak: 23 november 2009

Tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-412659-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is blijkens mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting niet gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak van het verspreiden van de aangifte van [betrokkene 1]. Het hof zal het hoger beroep in zoverre beperkt opvatten.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 april 2008 en 19 mei 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens schending van beginselen van een behoorlijke procesorde op grond van het volgende. Aan de verdachte is door de officier van justitie in augustus 2006 een transactievoorstel gedaan ter zake van belediging, gepleegd op 29 juli 2005 in de Halvemaansteeg (te Amsterdam). Aangezien, naar de verdachte wist, belediging en smaad elkaar uitsluiten, mocht hij aan dat transactievoorstel het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij niet alsnog ter zake van smaad zou worden vervolgd. Nu hij toch vervolgd is wegens smaad, heeft het openbaar ministerie het vertrouwensbeginsel geschonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De officier van justitie heeft de verdachte op 3 augustus 2006 een transactievoorstel ten bedrage van € 750,- gedaan ter zake van belediging die hij zou hebben gepleegd op 29 juli 2005 in de Halvemaansteeg te Amsterdam. Hier is onmiskenbaar sprake geweest van een vergissing, aangezien de bedoelde belediging het incident betrof waarbij [betrokkene 1], [slachtoffer] en [betrokkene 2] zijn betrokken na afloop van de sluiting van cafés in de Halvemaansteeg op voornoemde datum. De verdachte heeft in het incident aanleiding gezien een persbericht te doen uitgaan met aantijgingen aan het adres van [slachtoffer] - waarvoor hij thans terecht staat -, maar hij had met het incident zelf geen bemoeienis. Het moet ook de verdachte duidelijk zijn geweest dat sprake was van een vergissing, aangezien hij van tijd en plaats van het beledigingsincident op de hoogte was, hij ook wist dat namens [slachtoffer] tegen hem aangifte was gedaan wegens de verspreiding van het persbericht na, en naar aanleiding van, dat incident - in verband met welke aangifte hij in 2005 als verdachte is gehoord - en de voorzieningenrechter bij vonnis van 22 september 2005 had beslist op de vordering van [slachtoffer] tot rectificatie van het persbericht. Het kan dan ook als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte wist dat het misdrijf waarvoor hem in augustus 2006 een transactie werd aangeboden een andere (strafrechtelijk relevante) gebeurtenis betrof dan de verspreiding van het persbericht. Ook de raadsman is hiervan uitgegaan (nrs. 19-20 van de pleitnota). Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat de verdachte aan het transactievoorstel het vertrouwen kon ontlenen dat hij niet wegens smaad zou worden vervolgd, zodat het verweer in zoverre wordt verworpen.

Het voorgaande neemt niet weg dat het blijkens de stukken van het geding, waaronder de tussen de officier van justitie en de voormalige raadsvrouw van de verdachte gevoerde correspondentie, wel de bedoeling van het openbaar ministerie is geweest de verdachte een (deugdelijk) transactievoorstel ter zake van het onderhavige feit te doen. De omstandigheid dat dit, zoals hiervoor is weergeven, niet is gebeurd, hoeft echter naar het oordeel van het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden, nu het maatschappelijk belang van de onderhavige zaak een behandeling ter terechtzitting rechtvaardigt en het hof geen hogere straf zal opleggen dan een geldboete van maximaal het destijds door het openbaar ministerie voorgestelde transactiebedrag.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde niet de Stichting Gay Business Amsterdam (GBA), noch de medebestuursleden van de verdachte op de voet van artikel 51 Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn vervolgd (nrs. 25-27 van de pleitnota), faalt dit verweer. Het openbaar ministerie kon op grond van het opportuniteitsbeginsel opteren voor vervolging van (alleen) de verdachte, terwijl vanwege het aandeel van verdachte in het onderhavige feit (onder meer blijkend uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 april 2008) de niet-vervolging van andere bestuursleden of de Stichting GBA niet in strijd is met enig beginsel van behoorlijk procesorde.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig is op de grond dat het ten laste leggen van het enkele “verspreiden” van een persbericht, zonder de ontvangers van het persbericht te vermelden, in de weg staat aan bewezenverklaring van de zinsnede “met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven”.

Het hof overweegt hieromtrent dat de stelling van de raadsman geen steun vindt in het recht, terwijl voorts kan worden vastgesteld dat de tenlastelegging voldoende feitelijk is, bij de verdachte geen misverstand heeft bestaan omtrent hetgeen hem wordt verweten en hij daartegen uitvoerig verweer heeft gevoerd en doen voeren.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

De raadsman heeft vrijspraak bepleit op de grond dat - zo begrijpt het hof het verweer - niet de verdachte maar (het bestuur van) de Stichting GBA verantwoordelijk is voor het opstellen en doen uitgaan van het persbericht.

Het hof overweegt hieromtrent dat de omstandigheid dat de Stichting GBA als dader van het onderhavige feit zou kunnen worden aangemerkt, niet in de weg staat aan het oordeel dat (ook) de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat

hij in de periode van 29 juli 2005 tot en met 2 augustus 2005 te Amsterdam opzettelijk, door middel van de verspreiding van een geschrift, de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel een persbericht opgesteld en verspreid waarin de volgende passages zijn opgenomen:

- “[slachtoffer] heeft samen met de eigenaar van het café Montmartre, de heer [betrokkene 2], een smadelijke aanval uitgevoerd op de heer [betrokkene 1]”, en

- “De heer [betrokkene 1] is door beide heren fysiek bedreigd en uitgescholden voor ‘vuile dief’ en ‘smerige, nare NSB’er’ ”.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Ten aanzien van de laatste passage in de tenlastelegging (3e gedachtestreepje) overweegt het hof dat de daarin omschreven gedraging van [slachtoffer] onvoldoende concreet is om tot bewezenverklaring van het bestanddeel “tenlastelegging van een bepaald feit” te komen.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Beroep op artikel 261, derde lid, Sr en artikel 10 EVRM

Door de raadsman van de verdachte is betoogd dat artikel 261, derde lid, Sr en artikel 10 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de onderhavige zaak aan een veroordeling in de weg staan, op de grond dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en hij heeft gehandeld in het belang van de veiligheid van (bezoekers van) de Gay Pride, waarvoor GBA verantwoordelijk was. Met betrekking tot artikel 10 EVRM heeft de raadsman voorts gewezen op door de verdachte behartigde algemene belangen en de positie van [slachtoffer] als ex-wethouder die (in het persbericht) als publiek persoon en niet als gewoon burger zou zijn aangesproken en die zich als politicus in het publieke debat meer zou moeten laten welgevallen dan een burger.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan - hoewel de verdachte lichtvaardig heeft gehandeld door ten aanzien van het incident op 29 juli 2005 in de Halvemaansteeg alleen af te gaan op de getuigenissen van de hem/GBA welgezinde [betrokkene 1] en [betrokkene 3] - in het midden blijven of de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het aan [slachtoffer] tenlastegelegde waar was, aangezien hij niet heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang het persbericht vereiste, zodat het beroep op het derde lid van artikel 261 Sr op die grond wordt verworpen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Bij de politie heeft de verdachte op 21 september 2005 verklaard (dossierpagina 31-32) dat het incident tussen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [slachtoffer] op 29 juli 2005 - waarbij [betrokkene 1] in de visie van de verdachte ernstig zou zijn beledigd - verregaande consequenties had voor GBA en de Gay Pride, zonder dat hij evenwel die consequenties nader heeft aangeduid. Daaraan heeft de verdachte toegevoegd, zoals hij ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft opgemerkt, dat het zijns inziens belangrijk was dat journalisten de zaak nader zouden onderzoeken. Het was hem echter bekend dat [betrokkene 1] al aangifte had gedaan en dat de politie dus de zaak voor nader onderzoek onder zich had. Voorts wordt in het persbericht niet opgeroepen tot het doen van nader onderzoek. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte voorts gewezen op de veiligheid van (bezoekers van) de Gay Pride, welk belang hem bij het opstellen en verspreiden van het persbericht in het bijzonder voor ogen zou hebben gestaan. Ter staving daarvan is door de verdediging gesteld dat de buurtregisseur zou hebben gezegd dat de Gay Pride door voornoemd incident “zou escaleren en uit de klauwen dreigde te lopen”. De stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden evenwel geen enkele steun aan de door de verdachte ingenomen stellingen. Voordat de verdachte met zijn persbericht de publiciteit zocht, was slechts een beperkt aantal personen op de hoogte van het nachtelijk incident op 29 juli 2005. De verdediging heeft niet concreet aangevoerd noch is aannemelijk geworden dat, en op welke wijze, door het incident op zichzelf de veiligheid van (bezoekers van) de Gay Pride in gevaar werd of kon worden gebracht. In het persbericht wordt ook in het geheel niet gerefereerd aan die veiligheid en de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep niet kunnen toelichten waaruit het gevaar voor die veiligheid zou hebben bestaan. Evenmin heeft hij uitleg kunnen geven over de wijze waarop hij de gestelde uitlating van de buurtregisseur heeft opgevat.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat er al langer onmin bestond tussen GBA, waarvan de verdachte bestuurslid was, en [betrokkene2].

[betrokkene 2] had zelfstandig een vergunning voor een feest tijdens de Gay Pride aangevraagd, ter zake waarvan door GBA tevergeefs procedures tegen de gemeente waren gevoerd. [betrokkene 2] droeg niet financieel bij aan de door GBA georganiseerde Gay Pride en liftte - in de woorden van de verdachte - mee met de door GBA georganiseerde evenementen. Gelet op deze achtergrond en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte met het persbericht zijn persoonlijke frustraties heeft willen afreageren op [slachtoffer], die publiekelijk had laten weten dat zijns inziens het monopolie van GBA op de organisatie van de Gay Pride niet moest worden gehandhaafd. De inhoud van het persbericht is van dien aard dat de verdachte moet hebben geweten dat daarmee de eer en goede naam van [slachtoffer] werd aangetast - zo dat al niet zijn vooropgezette bedoeling was - en dat met het persbericht geen als algemeen belang te beschouwen doel werd gediend. De omstandigheid dat de verdachte achteraf bepaalde belangen heeft aangevoerd om zijn handelen te rechtvaardigen, kan daaraan niet afdoen, terwijl deze evenmin aannemelijk kunnen worden geacht. Het beroep op artikel 261, derde lid, Sr wordt dan ook verworpen.

Met betrekking tot artikel 10 EVRM is het hof van oordeel dat de vervolging en (eventuele veroordeling) van de verdachte geen ontoelaatbare inbreuk op verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting oplevert, waartoe het volgende heeft te gelden.

Het recht op vrije meningsuiting, als gegarandeerd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan beperkingen, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van - onder meer - de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Artikel 10 EVRM laat weinig ruimte voor beperkingen ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen met betrekking tot het algemeen belang. Daarnaast zullen de grenzen van toelaatbare kritiek minder snel overschreden worden in geval de uitlatingen een politicus betreffen dan in het geval dat een gewone burger is.

De aantijgingen in het persbericht aan het adres van [slachtoffer] betreffen de omschrijving van een feitelijke gebeurtenis, waarvan de juistheid blijkens de stukken van het geding alleszins in twijfel kan worden getrokken, in het bijzonder voor wat betreft de door [slachtoffer] en [betrokkene 2] geuite scheldwoorden en het gebruikte geweld, of dreiging daarmee. Zoals hiervoor al overwogen, is de verdachte louter afgegaan op mededelingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3], terwijl uit de stukken in het dossier eveneens naar voren komt dat [betrokkene 1] als eerste [slachtoffer] en [betrokkene 2] ernstige beledigingen heeft toegevoegd en met zijn buik tegen [slachtoffer] is gaan staan, zonder dat [slachtoffer] zelf enig geweld heeft gepleegd of een bedreiging heeft geuit. De belediging van [betrokkene 1] door [slachtoffer] is, gelet op de verklaringen in het dossier, een reactie geweest op de uitlatingen van [betrokkene 1]. Voorts moet worden geconstateerd het incident zich afspeelde in de vroege uren van de 29 juli 2005 in een uitgaansgebied waar [slachtoffer] klaarblijkelijk als privé-persoon een café had bezocht. Het gaat derhalve naar het oordeel van het hof om niet meer dan een scheldpartij tussen gewone burgers. De omstandigheid dat [slachtoffer] voormalig wethouder van Amsterdam was, kan daaraan niet afdoen.

De inhoud van het persbericht kan in het licht hiervan en gelet op hetgeen ten aanzien van het beroep op artikel 261, derde lid, Sr is overwogen, niet geacht worden bij te dragen aan enig publiek debat en ook overigens is met het persbericht geen rechtens te beschermen belang gediend. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het in het eerste lid van artikel 10 EVRM gegarandeerde recht kon worden beperkt door de tegen de verdachte ingestelde strafvervolging, die door het hof als noodzakelijk en proportioneel, en in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van anderen wordt geoordeeld. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Smaadschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat de verdachte niet strafbaar is op de grond dat [slachtoffer] zelf heeft bewerkstelligd dat hij in zijn eer is aangerand, omdat hij na de aangifte van [betrokkene 1] contact met de media heeft gezocht (nr. 41 van de pleitnota), overweegt het hof dat, voor zover deze stelling juist is, dit de strafbaarheid van de verdachte niet wegneemt. Het verweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte van het hem tenlastegelegde vrijgesproken.

Tegen dit vonnis is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 800,-, subsidiair 16 dagen hechtenis, waarvan € 400,-, subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft smaad gepleegd jegens [slachtoffer] door een incident tussen [slachtoffer] en [betrokkene 2] enerzijds en - de bij Gay Business Amsterdam betrokken – [betrokkene 1] anderzijds op 29 juli 2005 te gebruiken als aanleiding om [slachtoffer] in een persbericht in een kwaad daglicht te stellen. Bij dat incident is tussen [betrokkene 1], eigenaar van café Entrenous in de Halvemaansteeg, enerzijds en [slachtoffer] en [betrokkene 2], eigenaar van café Montmartre in de Halvemaansteeg, anderzijds gescholden. Achtergrond daarvan was, zo kan worden aangenomen, de boosheid van [betrokkene 1] (en GBA) over het feit dat [betrokkene 2] op eigen houtje, dus los van GBA, een vergunning had aangevraagd en gekregen voor een feest tijdens de Gay Pride die tot dusverre steeds geheel door GBA was georganiseerd.

De verdachte heeft ter rechtvaardiging van het persbericht, waarin onder meer was opgenomen dat [slachtoffer] een “smadelijke aanval had uitgevoerd op [betrokkene 1]” en dat [betrokkene 1] door [slachtoffer] en [betrokkene 2] fysiek was bedreigd en was uitgemaakt voor “vuile dief” en “smerige nare NSB’er”, aangevoerd dat hij daarmee handelde in het algemeen belang en dat de veiligheid van (bezoekers van) de Gay Pride door het incident in de Halvemaansteeg in gevaar was gebracht. Naar het oordeel van het hof betreft het hier vooral een persoonlijke wraakactie van de verdachte die is voortgekomen uit het verlies van de monopoliepositie van GBA voor wat betreft de organisatie van de Gay Pride. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij om die reden de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangetast en niet in staat is gebleken de ontwikkelingen rond de organisatie van de Gay Pride op een louter zakelijke, professionele wijze te benaderen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2009 is de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld.

Zoals hiervoor bij de bespreking van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen, zal geen hogere straf worden opgelegd dan een geldboete van maximaal het destijds door het openbaar ministerie voorgestelde transactiebedrag. Ook zal het hof rekening houden met het tijdsverloop sinds het plegen van het feit.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit wettelijke voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 350,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. M. Gonggrijp-Van Mourik en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. A. Sahin, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2009.