Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3568

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
08/01335
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor het jaar 2008. Vervolgens is haar een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor het incidenteel ophalen van huishoudelijk afval in januari 2008. Het Hof komt tot het oordeel dat de laatste aanslag dezelfde belasting betreft als die waarop de eerste aanslag betrekking heeft.

De in geding zijnde (tweede) aanslag kan niet worden aangemerkt als een navorderingsaanslag. Artikel 16 Awr is niet bedoeld om de aanslag te verhogen in de situatie dat de totale omvang van de verschuldigde belasting nog niet bekend is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2009-11-05
Wet milieubeheer 15.33, geldigheid: 2009-11-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2685 met annotatie van Borghols
FutD 2009-2516
Belastingblad 2010/42

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01335

uitspraak: 5 november 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Y, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/4038 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 7 februari 2008 aan belanghebbende voor het incidenteel aan de openbare weg afhalen van twee colli huishoudelijk afval een aanslag in de afvalstoffenheffing van het stadsdeel Amsterdam Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het stadsdeel) opgelegd voor een te betalen bedrag van € 150.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 18 april 2008, de aanslag gehandhaafd. De rechtbank heeft het door belanghebbende daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard bij mondelinge uitspraak van 10 november 2008, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 13 november 2008.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 december 2008. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 april 2009 heeft hij zijn verweerschrift aangevuld.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Belanghebbende is, zonder bericht aan het Hof, niet verschenen. De aangetekend aan hem verzonden uitnodiging voor de zitting is ter griffie terugontvangen, nadat deze vergeefs met achterlating van bericht aan zijn adres is aangeboden en vervolgens niet op het postkantoor is afgehaald. Na verificatie van het adres heeft de griffier de uitnodiging op 3 september 2009 per gewone post nogmaals naar hetzelfde adres gezonden.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Aan belanghebbende is vóór 7 februari 2008 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor het jaar 2008 ter zake van het feitelijke gebruik van het perceel […] 52 te Amsterdam, ten aanzien waarvan voor het stadsdeel de verplichting tot inzameling van huishoudelijk afval geldt.

2.2. Op 28 januari 2008 zijn tijdens een controle door de Milieupolitie van het stadsdeel twee vuilniszakken aangetroffen naast een ondergrondse vuilcontainer. Het aangetroffen afval is afkomstig van het perceel van belanghebbende.

3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat de onder 1.1 bedoelde aanslag in overeenstemming met het bepaalde in de hierna onder 5.2 vermelde verordening is opgelegd. Voorts heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel verworpen.

4. Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de onder 1.1 bedoelde aanslag terecht is opgelegd.

5. Toepasselijke bepalingen

5.1. Artikel 15.33, eerste lid, Wet milieubeheer luidt als volgt:

” 1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.”

5.2. In de Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsvuil Stadsdeel Amsterdam Noord 2008 (hierna: de Verordening) is in Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing, voor zover van belang voor de onderhavige procedure, het volgende vermeld:

”Art. 4

Belastingplicht

Belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing is degene die naar de omstandigheden beoordeeld, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Art. 5

Maatstaf van heffing en tarief

1. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, € 226,37 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon,

2. De belasting bedraagt, per perceel per belastingjaar, € 301,83 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer personen.

3. Voor het incidenteel aan de openbare weg afhalen van huishoudelijke afvalstoffen die daar worden aangetroffen, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de Afvalstoffenverordening, is per collo een tarief van € 75,-- verschuldigd.

Art. 6

Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan een jaar.

Art. 7

Wijze van belastingheffing

1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

(…)

Art 8

Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle maanden overblijven.

(…)

4. De belasting, genoemd in artikel 5.3, is verschuldigd bij de aanvang van het incidenteel afhalen.”

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Aan belanghebbende is voor een tijdvak van één jaar, te weten het kalenderjaar 2008, een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd. Vervolgens is, eveneens aan belanghebbende, een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor het incidenteel aan de openbare weg afhalen van huishoudelijke afvalstoffen die daar op 28 januari 2008 zijn aangetroffen.

6.2. De heffingsambtenaar heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de eerste aanslag niet in de weg staat aan het opleggen van de in geding zijnde tweede aanslag. Hij stelt daartoe dat naast het algemene tarief een tariefdifferentiatie is aangebracht om de kosten die worden gemaakt voor het incidenteel verwijderen van huishoudelijk afval te kunnen verhalen op de vervuiler. De heffingsambtenaar stelt dat het in feite om een andere belasting gaat waarvoor een wettelijke grondslag aanwezig is.

6.3. Uit de Verordening volgt dat de omvang van de afvalstoffenheffing mede wordt bepaald door feiten, het incidenteel afhalen van huishoudelijke afvalstoffen die aan de openbare weg worden aangetroffen, die zich in de loop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven – het kalenderjaar – kunnen voordoen. Dit brengt mee dat pas aan het einde van het kalenderjaar kan worden beoordeeld of de heffing naar de heffingsmaatstaven en de tarieven, bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid van de Verordening, toereikend is.

6.4. Het Hof is van oordeel dat de algemene regel, dat een eenmaal opgelegde aanslag niet door een tweede aanslag mag worden verhoogd (zie onder meer Hoge Raad 6 december 1922, B. 3158 en Hoge Raad 26 juni 1974, BNB 1974/228), de heffingsambtenaar de bevoegdheid ontneemt om na het opleggen van de aanslag over het kalenderjaar een tweede primitieve aanslag op te leggen. Het Hof ziet in het standpunt van de heffingsambtenaar, dat de Verordening daartoe de bevoegdheid geeft, geen reden om een uitzondering te maken op de hiervoor opgenomen algemene regel. Anders dan de heffingsambtenaar heeft betoogd, is de afvalstoffenheffing voor het incidenteel ophalen van huishoudelijk afval dezelfde belasting als die waarop de eerste aanslag betrekking heeft. In beide gevallen knoopt het belastbare feit immers aan bij het gebruik van een perceel waarvoor een inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen geldt en is de belastingplichtige de feitelijke gebruiker van het perceel. Het enkele feit dat in de Verordening in artikel 5, derde lid, een uitbreiding is opgenomen van de in het eerste en tweede lid van dit artikel omschreven maatstaven van heffing en tarieven, maakt dit niet anders.

6.5. De in geding zijnde aanslag kan evenmin worden aangemerkt als een navorderingsaanslag. Artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) biedt de mogelijkheid om een aanslag die ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, te herstellen. Deze bepaling is niet bedoeld om in een situatie, waarin het opleggen van een definitieve aanslag plaatsvindt op een moment waarop de totale omvang van de verschuldigde belasting nog niet bekend is, de aanslag te verhogen. De AWR biedt voor dit geval de mogelijkheid om een voorlopige aanslag op te leggen.

Slotsom

6.6. Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven en dat de aanslag met dagtekening 7 februari 2008 dient te worden vernietigd. De overige door belanghebbende aangevoerde grieven behoeven daarom geen behandeling meer.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.2. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties. Voor het beroep bij de rechtbank is € 39 betaald en voor het hoger beroep € 107, dus in totaal € 146.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag met dagtekening 7 februari 2008; en

- gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende € 146 griffierechten vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, J.P.F. Slijpen en A.P.M. van Rijn, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, als griffier. De beslissing is op 5 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.