Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3565

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
08/001174 en 08/01175
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingeval goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, maar op enig moment tijdens het verblijf onder die regeling geheel of gedeeltelijk niet aanwezig blijken te zijn, is het vermoeden gerechtvaardigd dat de goederen gedurende het verblijf onder die regeling aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203 CDW (vgl. HR 2 maart 2007, nr. 41 474, BNB 2007/189c*). Voor dit vermoeden is echter geen plaats indien de container waarin de goederen volgens de aangifte waren geladen is voorzien van een douaneverzegeling en deze verzegeling bij aankomst op de plaats van bestemming nog intact is. Deze regel leidt slechts uitzondering indien aannemelijk is dat de goederen uit de verzegelde laadruimte zijn onttrokken zonder dat hierbij het zegel is verbroken (vgl. HR 9 januari 2009, nr. 43 753, BNB 2009/63). De inspecteur heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat het vervoer in beide in 2.1. bedoelde gevallen heeft plaatsgevonden onder douaneverzegeling en dat deze verzegeling bij de beëindiging van het vervoer door de toegelaten geadresseerde nog altijd intact was. De inspecteur acht dit echter niet voldoende en heeft in aanvulling hierop gesteld dat ‘niet kan worden uitgesloten dat de goederen uit de verzegelde ruimte zijn onttrokken’. Het Hof is van oordeel dat, nu dienaangaande geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, niet aannemelijk is geworden dat de ontbrekende goederen uit de verzegelde containers zijn verwijderd. Onder deze omstandigheden is geen plaats voor het vermoeden dat die goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken tijdens het verblijf ervan onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 54 met annotatie van Schippers

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk DK 08/01174 en DK 08/01175

datum uitspraak: 29 oktober 2009

uitspraak van de Douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid/kantoor Roosendaal,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/12411 en AWB 06/12412 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in de gedingen tussen

C B.V., belanghebbende,

gemachtigde M,

en

de inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 2 november 2005 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (UTB) met nummer … wegens niet-zuivering van de aangifte voor de regeling extern communautair douanevervoer T1 met nummer …uitgereikt ten bedrage van € 17,33 aan verschuldigde douanerechten en € 125,21 aan omzetbelasting. Tevens is een bestuurlijke boete van € 90 opgelegd.

1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 1 december 2005 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (UTB) met nummer 8034.78.562/00.7.1250 wegens niet-zuivering van de aangifte voor de regeling extern communautair douanevervoer T1 met nummer … uitgereikt ten bedrage van € 762,96 aan verschuldigde douanerechten en € 1352,99 aan omzetbelasting. Tevens is een bestuurlijke boete van € 90 opgelegd.

1.3. Na door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 9 november 2006 de onder 1.1. en 1.2. genoemde UTB’s gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van 20 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op 22 december 2006, beroep ingesteld. De beroepen zijn door de rechtbank geregistreerd onder de nummers AWB 06/12411 en AWB 06/12412.

1.5. Bij uitspraak van 5 september 2008 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard. De uitspraak is op 8 september 2008 aan partijen verzonden. Het door de inspecteur tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is door hem per fax en per post verzonden op 20 oktober 2008. Het per post verzonden beroepschrift is bij de Douanekamer ingekomen op 21 oktober 2008.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7. Belanghebbende, die bij aangetekende brief van 29 juli 2009, verzonden aan C B.V. te

R, is uitgenodigd voor de zitting, is niet verschenen. Blijkens gegevens van TNT Post is de brief waarin de uitnodiging is vervat op 29 juli 2009 aan voornoemd adres aangeboden.

2. Feiten

2.1. Voor zover hier van belang neemt het de Douanekamer hier over hetgeen de rechtbank onder de feiten heeft opgenomen:

“2.1. Op 17 juni 2005 heeft C B.V. onder nummer … aangifte gedaan tot plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer van goederen bij het kantoor van vertrek te Rotterdam. De goederen bevonden zich in een container met nummer …. Na aankomst op 23 juni 2005 bij het losadres van de toegelaten geadresseerde S BV te R werd een vermis geconstateerd van 1 collo timing pulleys. In vak D (controle door kantoor van vertrek) op het douanevervoer-begeleidingsdocument staat vermeld bij uitslag: “geacht conform te zijn”, bij verzegeling aantal:”1”, bij merken: “R 7049”. De onder 1.1. genoemde UTB heeft betrekking op dit vermis.

2.2 Op 20 juli 2005 heeft C B.V. onder nummer … aangifte gedaan tot plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer van goederen bij het kantoor van vertrek te Rotterdam. De goederen bevonden zich in een container met nummer …. Na aankomst op 22 juli 2005 bij het losadres van de toegelaten geadresseerde F BV te R werd een vermis geconstateerd van 30 colli thai handicraft (geen van de colli was bevonden). In vak D (controle door kantoor van vertrek) op het douanevervoer-begeleidingsdocument staat vermeld bij uitslag: “geacht conform te zijn”, bij verzegeling aantal:”1”, bij merken: “R 7049”. De onder 1.2. genoemde UTB heeft betrekking op dit vermis.”

2.2. Aan de door de rechtbank vastgestelde feiten wordt door de Douanekamer het volgende toegevoegd.

2.2.1. Uit de handelsregisterhistorie, welke door de inspecteur bij zijn hoger beroepschrift is gevoegd, blijkt dat belanghebbende sinds haar eerste inschrijving bij de Kamer van Koophandel de dato 26 mei 1995 driemaal haar statutaire naam heeft gewijzigd. Voor zover hier van belang luidde de naam van belanghebbende:

• van 21 juli 2000 t/m 9 mei 2005: C B.V.

• van 10 mei 2005 t/m 19 november 2006: C B.V.

• van 20 november 2006 tot heden: C B.V.

2.2.2. De aangiften tot plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer hebben plaatsgevonden langs elektronische weg via het … System (hierna: S).

2.3. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een TG dossier … waarin voor zover van belang is vermeld:

“MRN: …

(...)

Ontvanger Nr. :

F

(…)

MELDINGEN BIJ LOSSEN

verzegeling OK J/N : J

(…)

2.3.1. Bij brief van 19 juli 2005 aan P BV heeft F BV verklaard dat de container is aangekomen met een intact zegel van de rederij.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een brief met 22 juli 2005 van F BV aan C waarin voor zover van belang is vermeld:

“Betreft: MRN …

(…)

Hierbij verklaren wij dat bovengenoemde container op ons terrein is gelost. Bij aankomst en voor lossing was de douane en/of rederijzegel nog intact.

Het is een container waarbij fysieke controle verlegd is naar ons depot, waarbij de douane voor opening van de container aanwezig is.

(…)”

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de inspecteur de onder 1.1. en 1.2. genoemde uitnodigingen tot betaling terecht aan belanghebbende heeft uitgereikt.

4. De standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de overgelegde stukken en naar het proces-verbaal van de zitting van 14 september 2009.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft op 17 juni 2005 en 20 juli 2005 via NCTS een tweetal aangiften tot plaatsing van goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer gedaan. In deze aangiften duidde belanghebbende zichzelf aan met de naam ‘C B.V’, terwijl zij reeds op 10 mei 2005 haar statutaire naam had gewijzigd in ‘C S B.V.’. De inspecteur heeft de bestreden uitnodigingen tot betaling van 2 november 2005 en 1 december 2005 gericht aan

‘C S B.V.’, de naam die belanghebbende op dat moment volgens het handelsregister nog altijd officieel voerde. De uitnodigingen tot betaling zijn derhalve juist tenaamgesteld.

5.2. Belanghebbende was als subject van de regeling extern communautair douanevervoer ingevolge artikel 96, lid 1, onder a, van het CDW en artikel 406 UCDW gehouden de goederen welke zij onder de regeling extern communautair douanevervoer had geplaatst binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de toegelaten geadresseerde aan te brengen met inachtneming van de getroffen identificatiemaatregelen. Na aankomst van de goederen bleek evenwel dat 1 collo, respectievelijk 30 colli, niet bij de toegelaten geadresseerde zijn aangekomen.

5.3. Ingeval goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, maar op enig moment tijdens het verblijf onder die regeling geheel of gedeeltelijk niet aanwezig blijken te zijn, is het vermoeden gerechtvaardigd dat de goederen gedurende het verblijf onder die regeling aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203 CDW (vgl. HR 2 maart 2007, nr. 41 474, BNB 2007/189c*). Voor dit vermoeden is echter geen plaats indien de container waarin de goederen volgens de aangifte waren geladen is voorzien van een douaneverzegeling en deze verzegeling bij aankomst op de plaats van bestemming nog intact is. Deze regel leidt slechts uitzondering indien aannemelijk is dat de goederen uit de verzegelde laadruimte zijn onttrokken zonder dat hierbij het zegel is verbroken (vgl. HR 9 januari 2009, nr. 43 753, BNB 2009/63).

5.4. De inspecteur heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat het vervoer in beide in 2.1. bedoelde gevallen heeft plaatsgevonden onder douaneverzegeling en dat deze verzegeling bij de beëindiging van het vervoer door de toegelaten geadresseerde nog altijd intact was. De inspecteur acht dit echter niet voldoende en heeft in aanvulling hierop gesteld dat ‘niet kan worden uitgesloten dat de goederen uit de verzegelde ruimte zijn onttrokken’. Het Hof is van oordeel dat, nu dienaangaande geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, niet aannemelijk is geworden dat de ontbrekende goederen uit de verzegelde containers zijn verwijderd. Onder deze omstandigheden is geen plaats voor het vermoeden dat die goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken tijdens het verblijf ervan onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer.

5.5. De inspecteur heeft ter zitting betoogd dat een onttrekking plaatsgevonden zou kunnen hebben vóór het aanbrengen van de verzegeling. Aangezien er volgens de inspecteur sprake zou zijn van een ‘ketenaansprakelijkheid’, waarbij belanghebbende – naar de Douanekamer begrijpt – door het doen van de aangifte aansprakelijkheid aanvaardt voor alle voorafgaande schakels, zou belanghebbende pas zijn gevrijwaard indien zij aantoont dat het vermis buiten de EU is ontstaan. Deze stelling van de inspecteur vindt geen steun in het recht. ‘De Douanekamer wijst in dit verband op artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het CDW, waaruit volgt dat belanghebbende als subject van de regeling extern communautair douanevervoer slechts kan worden aangesproken voor onttrekkingen welke hebben plaatsgevonden terwijl de goederen zich onder déze regeling bevonden en niet voor onttrekkingen welke plaatsvonden vóór de goederen door haar onder de regeling extern communautair douanevervoer werden geplaatst.

5.6. Gelet op het voorgaande zijn de bestreden uitnodigingen tot betaling ten onrechte aan belanghebbende uitgereikt, daar niet aannemelijk is geworden dat zich in de tijdspanne waarin de goederen zich onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer bevonden, enige onttrekking heeft voorgedaan.

5.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de bestreden uitnodigingen tot betaling dient te worden bevestigd, met verbetering van gronden, als hiervoor aangegeven.

6. Kosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

De Douanekamer bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op de onder 1.1. en 1.2. genoemde uitnodigingen tot betaling.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 29 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.