Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3563

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
08/00276
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof begrijpt de stelling van de inspecteur aldus dat aangenomen moet worden dat de als bestelauto geregistreerde auto in zodanige staat is gebracht dat daarna sprake is van een personenauto en dat zich derhalve het belastbare feit vermeld in artikel 1, derde lid, (ombouw) van de Wet BPM voordoet. De inspecteur heeft dit ter zitting bevestigd. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat naheffing op grond van artikel 1, tweede lid, (registratie) van de Wet BPM zich hier niet (meer) kan voordoen omdat de auto reeds (hoewel ten onrechte) is geregistreerd als bestelauto.

Het Hof acht in verband met de primaire stelling van de inspecteur van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto ten tijde van de tenaamstelling op 3 december 2003 niet voldeed aan de voorwaarden voor een (fiscale) kwalificatie als bestelauto. Dit betekent naar ’s Hofs oordeel dat de auto niet als bestelauto geregistreerd had dienen te worden en dat het belastbare feit ter zake waarvan kan worden nageheven de registratie is, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Wet BPM. Het belastbare feit van ‘ombouw’ als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet BPM, kan zich naar ’s Hofs oordeel in deze situatie niet voordoen, nu de auto reeds ten tijde van de registratie een personenauto was.

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van de inspecteur dat wel van belanghebbende nageheven kan worden ter zake van het onder artikel 1, tweede lid, genoemde belastbare feit (registratie) geldt het volgende. De ter zake van de registratie niet op aangifte voldane belasting kan op de voet van de artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) worden nageheven. Ingevolge artikel 20, tweede lid van de Awr geschiedt deze naheffing bij wege van naheffingsaanslag. Deze naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die, voor zover hier van belang, de belasting had behoren te betalen.

Belanghebbende heeft niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld, dat de aanvraag voor het kentekenbewijs niet door hem is geschied doch door een ander. Dit brengt mee dat de belasting ter zake van de registratie niet van belanghebbende kan worden nageheven (vgl.HR 11-04-2003, nr. 36 822, BNB 2003/264c*).

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20, geldigheid: 2009-11-12
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1, geldigheid: 2009-11-12
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1, geldigheid: 2009-11-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2589 met annotatie van Rolleman
FutD 2009-2575
V-N 2010/11.27

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00276

12 november 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

E, te U,

belanghebbende,

gemachtigde mr. A

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/5248 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is op 15 februari 2007 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd, berekend op € 3.690. De inspecteur heeft het door belanghebbende tijdig ingediende bezwaar bij uitspraak van 18 juni 2007 ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 5 februari 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 maart 2008, aangevuld bij brief van 14 april 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Op 26 maart 2006 hebben ambtenaren van de Belastingdienst bij een controle in het kader van de handhaving van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) geconstateerd dat met een motorrijtuig van het merk Volkswagen, type Transporter TDI, met dubbele cabine, kenteken … (hierna: de auto) gebruik werd gemaakt van de openbare weg in Nederland. De auto stond geregistreerd als bestelauto.

2.2. Bij voormelde controle stelden de ambtenaren vast dat de linkerzijde van de laadruimte van de auto was voorzien van een zijruit.

2.3. Op grond van de constateringen bij de controle is de auto als een personenauto aangemerkt. Degene op wiens naam de auto ten tijde van de constatering stond geregistreerd, is met toepassing van artikel 12a Wet BPM in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de auto ten tijde van de tenaamstelling op zijn naam (7 februari 2006) al in een zodanige staat verkeerde dat sprake was van een personenauto. Deze persoon had de auto op 6 februari 2006 gekocht en heeft aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

2.4. Van 3 december 2003 tot 6 februari 2006 stond de auto geregistreerd op naam van belanghebbende. Belanghebbende is bij brief van 14 augustus 2006 in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de auto door een vorige eigenaar was omgebouwd.

2.5. Belanghebbende heeft ten genoegen van de inspecteur aangetoond dat de auto op het moment dat de auto op zijn naam werd gesteld (3 december 2003) al in zodanige staat verkeerde dat sprake was van een personenauto. Belanghebbende heeft de auto gekocht van O, een garagebedrijf in L. Op 13 november 2003 is er een kentekenbewijs aangevraagd.

2.6. Blijkens de registratie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hiema: RDW) is de auto niet eerder geregistreerd dan op 3 december 2003, zijnde de datum waarop het kenteken van de auto op op naam van belanghebbende werd gesteld. De datum eerste toelating tot de weg is 10 februari 2000.

2.7. Aan belanghebbende is op 15 februari 2007 een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd. Deze naheffingsaanslag is voor zover hier van belang als volgt gemotiveerd:

“Daar u zoals gezegd als eerste kentekenhouder wordt aangemerkt wordt aan u een naheffingsaanslag voor de BPM opgelegd. Dat u mogelijk destijds verkeerd bent voorgelicht door de toenmalige verkoper van de bestelauto doet niets af aan het geconstateerde belastbare feit.”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder (Hof: de inspecteur) voldoende aannemelijk gemaakt de auto niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wet BPM en sprake is van een personenauto als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet BPM. Op grond van het feit dat eiser (Hof: belanghebbende) degene was op wiens naam de auto voor de eerste maal op kenteken werd gesteld, is met inachtneming van de (…) wettelijke bepalingen de naheffingsaanslag terecht aan eiser opgelegd. ”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht zijn opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet BPM (tekst met ingang van 1 januari 2006) wordt onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s.

6.2. Het tweede lid van artikel 1, Wet BPM bepaalt dat de belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. Ingevolge artikel 2 van de Wet BPM wordt onder registratie verstaan het opnemen van de bij een motorrijtuig behorende gegevens in het kentekenregister. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de registratie pas is voltooid na tenaamstelling en dagtekening van het kenteken:

“Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige is de registratie voltooid wanneer het kenteken te naam gesteld is en van een dagtekening is voorzien. Ook het kentekenbewijs dat ter zake van het opgegeven kenteken is afgegeven, is dan compleet en van alle gegevens voorzien. De voltooiing van de registratie (dat wil zeggen tenaamstelling én datering) wordt aangemerkt als het tijdstip waarop de belasting van personenauto's moet zijn voldaan; dit tijdstip is op eenvoudige wijze aan de hand van het kentekenregister te constateren.:”

MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 3, blz. 7.

6.3. Artikel 1, derde lid, van de Wet BPM houdt in dat, ingeval een geregistreerd ander motorrijtuig dan een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in een zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto is, de belasting verschuldigd is ter zake van de registratie als personenauto, als motorrijwiel of als bestelauto dan wel, indien geen nieuw kenteken wordt opgegeven ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto, motorrijwiel of bestelauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

6.4. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, eerste volzin, van de Wet BPM kan, ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van een feit als bedoeld in artikel 1, derde of vierde lid, niet is betaald, de belasting worden nageheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van constatering.

6.5. In het derde lid van artikel 12a van de Wet BPM is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien degene bij wie de belasting wordt nageheven, aantoont dat de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto op het tijdstip van tenaamstelling reeds in een zodanige staat verkeerde dat het een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto was, de belasting kan worden nageheven van degene op wiens naam het kenteken daaraan voorafgaand was gesteld, waarbij de aanvang van het gebruik van de weg wordt gesteld op het tijdstip van de desbetreffende tenaamstelling.

6.6. De inspecteur heeft zijn stellingen ter zitting aldus gepreciseerd dat er BPM dient te worden nageheven omdat op 26 maart 2006 geconstateerd is dat de als bestelauto geregistreerde auto een personenauto was. Deze naheffing dient te geschieden op de voet van de regels gegeven in artikel 12a van de Wet BPM, welk artikel bepaalt bij wie in een dergelijke situatie dient te worden nageheven. De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag gelet op dit artikel terecht aan belanghebbende is opgelegd, omdat hij de eerste kentekenhouder is. Weliswaar heeft belanghebbende aangetoond dat de auto op het tijdstip van tenaamstelling reeds in een zodanige staat verkeerde dat het een personenauto was, maar omdat er geen voorafgaande kentekenhouder is waarop kan worden teruggevallen, kan hem dat niet baten, aldus de inspecteur. De inspecteur concludeert dat de fictie van artikel 12a meebrengt dat de belasting van belanghebbende, als eerste kentekenhouder, dient te worden nageheven.

6.7. Het Hof begrijpt de stelling van de inspecteur aldus dat aangenomen moet worden dat de als bestelauto geregistreerde auto in zodanige staat is gebracht dat daarna sprake is van een personenauto en dat zich derhalve het belastbare feit vermeld in artikel 1, derde lid, (ombouw) van de Wet BPM voordoet. De inspecteur heeft dit ter zitting bevestigd. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat naheffing op grond van artikel 1, tweede lid, (registratie) van de Wet BPM zich hier niet (meer) kan voordoen omdat de auto reeds (hoewel ten onrechte) is geregistreerd als bestelauto. Ingeval het Hof hier echter anders over mocht denken stelt de inspecteur subsidiair, aldus heeft hij ter zitting aangegeven, dat terecht is nageheven op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet BPM.

6.8. Het Hof acht in verband met de primaire stelling van de inspecteur van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto ten tijde van de tenaamstelling op 3 december 2003 niet voldeed aan de voorwaarden voor een (fiscale) kwalificatie als bestelauto. Dit betekent naar ’s Hofs oordeel dat de auto niet als bestelauto geregistreerd had dienen te worden en dat het belastbare feit ter zake waarvan kan worden nageheven de registratie is, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Wet BPM. Het belastbare feit van ‘ombouw’ als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet BPM, kan zich naar ’s Hofs oordeel in deze situatie niet voordoen, nu de auto reeds ten tijde van de registratie een personenauto was.

6.9. Met betrekking tot de subsidiaire stelling van de inspecteur dat wel van belanghebbende nageheven kan worden ter zake van het onder artikel 1, tweede lid, genoemde belastbare feit (registratie) geldt het volgende. De ter zake van de registratie niet op aangifte voldane belasting kan op de voet van de artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) worden nageheven. Ingevolge artikel 20, tweede lid van de Awr geschiedt deze naheffing bij wege van naheffingsaanslag. Deze naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die, voor zover hier van belang, de belasting had behoren te betalen.

6.10. Aangaande de vraag wie deze belasting had behoren te betalen bepaalt artikel 7 van de Wet BPM dat indien de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de Awr, die ander gehouden is de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. In de memorie van toelichting is dienaangaande het volgende opgemerkt:

“(…) In het wetsvoorstel zijn geen afzonderlijke bepalingen opgenomen met betrekking tot de naheffing van belasting. Daarvoor geldt de algemene in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) neergelegde systematiek, inhoudende dat indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting kan worden nageheven (artikel 20, eerste lid, AWR).

(…) De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen (…). Betreft het de belasting verschuldigd ter zake van registratie, dan wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de belastingplichtige om opgave van een kenteken heeft verzocht en die waarin dat een ander is (bij voorbeeld de importeur). In beide gevallen wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan degene die de belasting, die op aangifte had moeten worden voldaan, niet heeft betaald. In het eerste geval is dit de belastingplichtige. In het tweede geval is dit een ander dan de belastingplichtige, namelijk degene die om opgave van het kenteken heeft verzocht. Dat is degene die de belasting had moeten voldoen en deze is ervoor verantwoordelijk dat de belasting niet is betaald (…).”

(Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 3 blz. 17)

6.11. Belanghebbende heeft niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld, dat de aanvraag voor het kentekenbewijs niet door hem is geschied doch door een ander. Dit brengt mee dat de belasting ter zake van de registratie niet van belanghebbende kan worden nageheven (vgl.HR 11-04-2003, nr. 36 822, BNB 2003/264c*). De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.

6.12. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daartoe behorende bijlage, vast op (2+2) punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak) zijnde € 1.288 wegens de beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.

Voorts dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten van respectievelijk € 143 en € 107 aan belanghebbende te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.288;

- gelast de inspecteur het voor deze zaak in eerste aanleg (€ 143) en in hoger beroep (€ 107) betaalde griffierecht van € 250 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, A. Bijlsma en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 12 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.