Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3446

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
23-005676-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1562, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

R.H. veroordeeld tot gevangenisstraf van 14 jaar, voor de moord op cafébaas [slachtoffer]. [Slachtoffer] werd op 20 april 2006 doodgeschoten in zijn café De Hallen in Amsterdam.

Verweer: geen opzet op de levensberoving van het slachtoffer. Geen bewuste en nauwe samenwerking. Geen wetenschap van een geplande liquidatie. Hof: Verweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

parketnummer 23-005676-08

datum uitspraak 16 november 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 27 oktober 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13/529121-06 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

thans verblijvende in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 9, 10 en 13 oktober 2008 en in hoger beroep van 7 oktober en 2 november 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, na toelating van de wijziging tenlastelegging op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 oktober 2008, dat

1.

hij op 20 april 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen, zeven, althans een aantal, kogels in de rug en/of het achterhoofd en/of de nek, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] zodanige verwondingen aan (onder meer) hart en/of aorta en/of hersenen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden;

subsidiair:

[medeverdachte] en/of een of meer andere perso(o)n(en) op 20 april 2006 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of een of meer andere perso(o)n(en) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen, zeven, althans een aantal, kogels in de rug en/of het achterhoofd en/of de nek, in ieder geval het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, waardoor [slachtoffer] zodanige verwondingen aan (onder meer) hart en/of aorta en/of hersenen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door een (geladen) vuurwapen te leveren/overhandigen en/of (vervolgens) door op de uitkijk te staan;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Ruger, type P95DC, kaliber 9x19 (kleur zwart/zilver), en/of munitie van categorie III, te weten tien, althans een aantal, patronen, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsman heeft ten aanzien van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende betoogd.

De verdachte heeft geen opzet gehad op de levensberoving van het slachtoffer. Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking en daarvan is in dit geval geen sprake geweest. De verdachte is er alleen van uitgegaan dat hij moest posten, waarvoor hij geld zou krijgen, en had geen wetenschap van een geplande liquidatie.

Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen – anders dan de raadsman heeft betoogd – volgt dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking die het vereiste opzet oplevert. Het verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

-ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde-

hij op 20 april 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben de verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen zeven kogels in de rug, het achterhoofd en de nek van die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] zodanige verwondingen aan onder meer hart, aorta en hersenen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden;

-ten aanzien van het onder 2 telastegelegde-

hij in de periode van 11 april 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Ruger, type P95DC, kaliber 9x19 (kleur zwart/zilver), en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

De hierna als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

De hierna vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voorzover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

1. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 oktober 2008.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

[betrokkene] gaf mij zijn telefoonnummer en vroeg mij om met [medeverdachte] een keer naar hem toe te komen. Ik ging ervan uit dat we een klus voor hem zouden doen. We hebben afgesproken. [betrokkene] zei dat hij op drugsgebied niets voor ons te doen had, maar hij had wel een andere klus.

Later hebben wij hem in Abcoude ontmoet. In Abcoude zijn we met zijn vieren in de auto van [betrokkene] gestapt. We hebben rondgereden in Amsterdam. Wij zijn onder andere langs het café (het hof begrijpt: De Hallen) gereden. Ik heb in de auto wapens gezien. We hebben de wapens bekeken. Ik heb het pistool ook in mijn handen gehad. [medeverdachte] en ik zaten achter in de auto. [medeverdachte] zat met de bestuurder en de bijrijder te praten.

[medeverdachte] en ik gingen posten, ik denk dat ik 4 of 5 keer gedurende enkele uren heb gepost.

Ik dacht dat we de Audi ter beschikking hebben gekregen omdat we dan niet elke keer met [medeverdachte]’s eigen auto hoefden. Of omdat we anders misschien sneller herkend zouden worden. Ik heb het pistool gepakt en weggegooid. Bij het wapen zat ook een patroonhouder. Ik heb het wapen en de patroonhouder in één worp weggegooid. Het was het wapen dat ik eerder in mijn handen heb gehad toen we in de auto zaten met [betrokkene] en zijn compagnon.

Ik heb naderhand nog gebeld met [betrokkene].

Ik heb daarna mijn kleding weggegooid.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2009.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 11 april 2006 hebben [medeverdachte] en ik in Abcoude een ontmoeting gehad met [betrokkene] en [betrokkene2]. In het totaal ben ik in de periode van 11 tot en met 20 april 2006

vijf á zes keer met [medeverdachte] meegegaan naar [betrokkene]. Ik heb tijdens die ontmoetingen met [betrokkene] met hem gesproken.

In de periode van 11 tot en met 20 april 2006 hebben [medeverdachte] en ik een aantal keren gepost, waaronder in [woonplaats] bij de woning van [slachtoffer]. Op 20 april 2006 werd ik om ongeveer 7.00 uur uit mijn bed gebeld door [medeverdachte] en zijn wij naar café De Hallen gereden. Ik ging met [medeverdachte] mee omdat ik wist dat ik geld zou verdienen.

Mijn functie op die dag was niet het besturen van de vluchtauto, dat deed [medeverdachte].

Het is juist dat [medeverdachte] op 20 april 2006, toen we bij café De Hallen stonden te posten, tegen mij zei dat ik beter weg kon gaan en ik daarop tegen [medeverdachte] heb gezegd dat ik bij hem zou blijven.

Voordat [medeverdachte] en ik naar het café liepen hebben wij in de buurt van café een ommetje gelopen. [medeverdachte] had het wapen bij zich. [medeverdachte] is het café ingelopen en heeft op [slachtoffer] geschoten. Ik stond toen buiten het café, op enkele meters van de ingang van het café. Nadat [medeverdachte] had geschoten is hij weer naar buiten gekomen en zijn wij samen weggerend in de richting van de De Rijpgracht waar onze vluchtauto, een Audi, stond. Toen wij naar de vluchtauto renden heb ik het pistool waarmee [medeverdachte] op [slachtoffer] had geschoten, bij [medeverdachte] uit diens jaszak gepakt en het gelijk weggegooid, in de De Rijpgracht. Daarna zijn [medeverdachte] en ik naar [betrokkene] gereden. Ik ben met [medeverdachte] meegegaan naar [betrokkene] om het mazzeltje op te halen.

Toen we bij [betrokkene] aankwamen zei [betrokkene]: “Wie heeft het gedaan”?

3. Een proces-verbaal, opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank te Amsterdam (doorgenummerde pagina’s 905159 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 februari 2007 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [medeverdachte]:

In Abcoude heb ik met [betrokkene] gesproken en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) met die andere persoon. [betrokkene] zei toen: “Willen jullie 60.000 euro verdienen?” De anderen waren toen binnen gehoorsafstand. Vervolgens zijn we met zijn vieren in een auto gaan zitten. We hebben eerst het traject naar café De Hallen gereden. Daar kregen we te horen wat de bedoeling was. Daarna zijn we naar [woonplaats] gereden en bij de woning van het slachtoffer hebben we instructies gekregen van zowel [betrokkene] als die andere persoon. [betrokkene] zat achter het stuur. We zijn een paar keer op en neer gereden zodat [betrokkene] en die ander er zeker van konden zijn dat wij de route goed zouden kennen. Toen we op enig moment weer in [woonplaats] waren heeft die bijrijder een weekendtas uit een Audi gehaald. Uit die tas haalde die man een wapen, het uiteindelijke moordwapen. Die man heeft vervolgens het wapen en twee magazijnen in een plastic tas gedaan, die in de Audi is achtergebleven.

Die dag was voor [verdachte] en mij de onderlinge taakverdeling duidelijk. [verdachte] had geen rijbewijs en kon niet rijden, dus hij zou schieten. [betrokkene] heeft gezegd dat de een zou rijden en de ander zou schieten. [betrokkene] ging er vanaf het begin van uit dat [verdachte] de schutter zou zijn.

[verdachte] had het wapen. Over de werking van het wapen hadden we eerder uitleg van [betrokkene] gekregen. Hij heeft laten zien hoe je het wapen moet spannen en vervolgens moet afdrukken.

[betrokkene] had een beschrijving gegeven van het beoogde slachtoffer. Op een gegeven moment (het hof begrijpt: op 20 april 2006) waren de rolluiken van het café omhoog. We zijn toen naar het café gelopen en zagen één man binnen die voldeed aan de beschrijving. [verdachte] vroeg toen of ik het wilde doen. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat hij beter weg kon gaan. Hij zei toen: “Ik blijf bij je, je hebt me nodig, we zijn samen gekomen”. De beloning was inmiddels verhoogd naar 75.000 euro en [verdachte] stelde een verdeling voor van 20.000 voor hem en 55.000 voor mij. [verdachte] gaf mij het wapen en ik hem het extra magazijn. [verdachte] zei ook dat hij het wapen naderhand van mij zou overnemen en zou zorgen dat het wapen zou worden weggemaakt.

Nadat het gebeurd was zijn we naar [betrokkene] gegaan om onze beloning op te halen.

4. Een proces-verbaal met nummer 2006101363-1 van 20 april 2006, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 901035 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten of één van hen:

Op 20 april 2006 stelden wij een onderzoek in. Naar aanleiding hiervan verklaren wij het volgende.

Op 20 april (het hof begrijpt: 2006) te 8.49 uur bevonden wij ons op de Jan van Galenstraat te Amsterdam. Aldaar kregen wij van de centrale meldkamer de opdracht te gaan naar café De Hallen op de hoek van de Jan van Galenstraat en de Willem de Zwijgerlaan, waar een persoon zou zijn neergeschoten. Onmiddellijk begaven wij verbalisanten ons naar de opgegeven locatie.

Ik, eerste verbalisant, ben hierna naar de ingang van café De Hallen gelopen. Ik stond in de deuropening van café De Hallen. Ik zag dat er een manspersoon op de grond van het café lag. Ik zag dat er een kogelgat rechtsachter in zijn hoofd zat. Ik zag dat de man totaal niet bewoog.

5. Een verslag, laboratoriumnummer 2006.04.20.262, van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk van 1 mei 2006, opgemaakt door [naam], arts en patholoog, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed/belofte (doorgenummerde pagina’s 903317 e.v.).

Dit verslag houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Bij sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren [1956], is het navolgende gebleken.

Er waren aan het lichaam zeven schotbanen zichtbaar, vijf verlopend vanaf de rug, één vanaf het achterhoofd en twee vanaf de nek. Alle schotbanen verliepen min of meer van achteren naar voren. In de schotbanen lagen “vitale” organen zoals het hart, de aorta en de hersenen. Gezien de grote hoeveelheid bloed in de borst- en buikholte, en de bloeduitstorting rond de letsels waren deze letsels bij leven opgelopen en ze verklaren het intreden van de dood op basis van uitval van vitale organen, weefselschade en bloedverlies.

Conclusie

Bij [slachtoffer] was uitval van vitale organen, weefselschade en bloedverlies ten gevolge van meervoudig schotletsel de oorzaak voor het intreden van de dood.

6. Een proces-verbaal met nummer 2006101363 van 1 mei 2006, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 901089 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 20 april 2006 werd een getuige van de moord c.q. doodslag gehoord. De getuige is met zijn fiets achter twee mannen, die uit de richting van café De Hallen kwamen, aangereden en zag op de De Rijpgracht te Amsterdam één van de mannen iets in het water van de De Rijpgracht gooien.

In café De Hallen werden zeven hulzen aangetroffen. Gezien de plaats waar de hulzen lagen was zeer aannemelijk dat er geschoten was met een rechtsuitwerpend pistool.

Door politieduikers is een onderzoek verricht in het water van de De Rijpgracht, op de door de getuige aangewezen plek, waar deze het door een van de mannen in het water gegooide voorwerp terecht had zien komen.

Hierbij werd een pistool van het merk RUGER, kleur zwart/zilver, aangetroffen. Het pistool is na aantreffen voor sporenonderzoek overgebracht naar het NFI.

7. Een proces-verbaal met nummer 2006101363 van 5 juli 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 903575 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Door duikers is een onderzoek verricht in het water van de De Rijpgracht. Hierbij werd het navolgende aangetroffen:

Een pistool, merk RUGER, kleur zwart/zilver, rechtsuitwerpend.

Uit onderzoek bij het NFI bleek dat in de patroonhouder 2 patronen zaten. Tevens bleek 1 patroon in de kamer aanwezig.

Bij onderzoek bleek mij het volgende:

merk: Ruger; type: P95DC; kaliber: 9x19; capaciteit: 10 patronen.

Het voorwerp is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. Dit voorwerp is een semi-automatisch wapen.

Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1°, van de Wet wapens en munitie.

De patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4°, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

-ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde-

medeplegen van moord,

-ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde-

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de benadeelde partij [benadeelde2] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat de door de benadeelde partij [benadeelde] gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 16.863,51 en dat de door de benadeelde partij [benadeelde2] gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, met daarbij telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat het hof de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot het beslag zal overnemen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededader [slachtoffer] doodgeschoten in diens café De Hallen. De verdachte en zijn mededader kenden [slachtoffer] niet persoonlijk maar zij beschikten over een beschrijving van de persoon die moest worden doodgeschoten. Aan de verdachte en zijn mededader was voor de liquidatie van het slachtoffer een in hun ogen groot geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. Zij hebben een wapen en een auto van hun opdrachtgevers ter beschikking gekregen. Ze zijn op de bewuste dag in de omgeving van het café gaan posten en hebben gewacht totdat het slachtoffer het café geopend had. Vervolgens zijn zij naar het café gelopen, is de mededader daar binnengegaan en heeft deze zeven kogels afgevuurd op het slachtoffer, dat aan zijn verwondingen is overleden.

Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Hij heeft met zijn daad onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, zoals mede blijkt uit de verklaringen die door nabestaanden van het slachtoffer zijn afgelegd. Deze moord was te meer schokkend, nu het een liquidatie betrof in een reeks van afrekeningen in en rondom Amsterdam, die de samenleving hebben beroerd, en waarbij slechts het recht van de sterkste leek te gelden.

De verdachte heeft samen met zijn mededader enige dagen het pistool en de munitie die bij de moord moesten worden en zijn gebruikt, voorhanden gehad; deze hebben in de vluchtauto gebruiksgereed gelegen en zijn meegenomen tijdens het posten bij de woning en het café van [slachtoffer].

Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 15 oktober 2009, waaruit blijkt dat hij eerder voor een geweldsdelict en overtreding van de Wet wapens en munitie is veroordeeld, alsmede op een rapport van de Reclassering Nederland van 23 september 2008. Voorts heeft het hof kennisgenomen van een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), Locatie Pieter Baan Centrum, van 18 januari 2008, met als conclusie onder meer dat het door de weigering van de verdachte aan het onderzoek mee te werken niet mogelijk is geweest vast te stellen of er bij de verdachte sprake was of is van een psychische stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Het hof acht gezien de ernst van de feiten in elk geval een langdurige vrijheidsstraf geboden en acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 16 jaren een juist uitgangspunt.

Het hof neemt echter in het bijzonder nog het volgende in aanmerking.

De verdachte was ten tijde van het begaan van de feiten 21 jaar oud. Los van de feiten waarvoor hij thans wordt veroordeeld, lijkt hij niet in het ‘criminele milieu’ te hebben verkeerd. Bij de feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld, gaat het om feiten die vóór zijn achttiende levensjaar zijn begaan, door de kinderrechter zijn berecht en met een relatief lichte straf zijn gesanctioneerd. Hij is via zijn mededader in contact gekomen met een van de opdrachtgevers. De verdachte en zijn mededader hebben deze opdrachtgever, die in het ‘criminele milieu’ verkeerde, benaderd in de veronderstelling dat zij via hem geld konden verdienen met de handel in verdovende middelen. Vervolgens heeft deze opdrachtgever samen met een handlanger de verdachte en zijn mededader op abrupte wijze geconfronteerd met de onderhavige opdracht tot liquidatie.

De mededader van de verdachte heeft tijdens het vooronderzoek verklaard dat zij, toen hij de opdrachtgever duidelijk maakte dat zij de opdracht terug wilden geven, door die opdrachtgever en diens handlanger onder druk zijn gezet, dat zij daarbij met de dood zijn bedreigd en dat ook in de richting van hun familie dreigementen zijn geuit. Het hof acht aannemelijk dat dit zich heeft voorgedaan. De verdachte heeft zich kennelijk uit die situatie niet losgemaakt en onvoldoende weerstand geboden aan die druk en ten slotte gemeend geen andere oplossing te hebben dan het slachtoffer van het leven te beroven. Van de verdachte had anders mogen worden gevergd en deze omstandigheden verontschuldigen de verdachte geenszins. Niettemin vindt het hof in voormelde omstandigheden aanleiding een gevangenisstraf van 14 jaren in dit geval in beginsel passend te oordelen.

Voor een verdere matiging ziet het hof geen grond.

Dat de verdachte niet zelf heeft geschoten, dient gelet op de verdere omstandigheden – anders dan de rechtbank oordeelde – niet in het voordeel van de verdachte mee te wegen.

De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven over zijn eigen en andermans aandeel in de feiten. Ook heeft hij niet meegewerkt aan het onderzoek naar zijn persoon door het NIFP, zodat geen verder inzicht kon worden verkregen in zijn persoonlijkheid. Of er gevaar voor recidive bestaat valt daardoor evenmin te beoordelen. De verdachte heeft daarenboven, gelet op zijn proceshouding, geweigerd de verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen.

De rechtbank was van oordeel dat de zaak tegen de verdachte in eerste aanleg niet is behandeld binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en de rechtbank vond daarin aanleiding de op te leggen straf met 10% te verminderen. Dat brengt het hof ertoe, ambtshalve, het volgende te overwegen, hoewel in hoger beroep ter terechtzitting niet een verweer is gevoerd dat die redelijke termijn is overschreden als gevolg van het tijdsverloop in de eerste aanleg of bij de behandeling in hoger beroep.

De zaak tegen de verdachte heeft aanvankelijk onderdeel uitgemaakt van het zogenaamde Passageonderzoek, betreffende onder meer liquidaties. Thans vindt de behandeling in eerste aanleg van zaken tegen een aantal andere verdachten in dat onderzoek plaats. Dit onderzoek is grootschalig en complex. De zaak tegen de verdachte is verweven met de zaken tegen enkele van die andere verdachten, die tevens verdacht worden van nog andere misdrijven. De zaak tegen de verdachte is op enig moment van die zaken afgesplitst.

Gelet op deze bijzondere omstandigheden is het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de redelijke termijn, binnen welke berechting in eerste aanleg diende plaats te vinden, in deze zaak niet 16 maar 24 maanden beliep. Deze termijn is in zeer geringe mate overschreden, te weten met een week. De behandeling in hoger beroep heeft voortvarend kunnen plaatsvinden. Dit arrest wordt uitgesproken binnen 13 maanden na het instellen van het hoger beroep. Dat compenseert naar het oordeel van het hof ruimschoots de geringe overschrijding in eerste aanleg.

Met de constatering dat de redelijke termijn als vorenbedoeld in geringe mate is overschreden, kan worden volstaan; verdere gevolgen dienen daaraan niet te worden verbonden.

Het hof acht alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering van € 31.863,50 tot vergoeding van door haar, als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, geleden schade, te vermeerderen met de kosten voor rechtsbijstand.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 16.863,51.

De benadeelde partij heeft zich vervolgens in hoger beroep schriftelijk gevoegd met een vordering van € 500.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het bedrag dat door de rechtbank was toegekend, te vermeerderen met de kosten gemoeid met het indienen van de vordering.

De verdachte heeft deze vordering betwist.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In hoger beroep kan niet een hoger bedrag dan in eerste aanleg worden gevorderd, gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal daarom uitgaan van het in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het beloop van na te melden bedrag (waarin een optelfout in het in eerste aanleg ingediende formulier is verbeterd). De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van € 16.863,11 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde2]

De benadeelde partij heeft zich mondeling ter terechtzitting in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 10.000,- als voorschot op vergoeding van immateriële schade, zoals door haar ook mondeling ter terechtzitting in eerste aanleg gevorderd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdachte heeft deze vordering betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, ook al gaat het om een voorschot, niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte - die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voorzover de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd - om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde] te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer]3, een bedrag van € 16.863,11 (zestienduizend achthonderd drieënzestig euro en elf cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.856,40.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot

€ 16.863,11 (zestienduizend achthonderd drieënzestig euro en elf cent), zulks ten behoeve van [benadeelde] te [woonplaats].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 119 (honderd negentien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien en voorzover de verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde2] niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.M.J. Chorus, M. Gonggrijp-van Mourik en L.A.J. Dun in tegenwoordigheid van mr. B. van der Werf, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 november 2009.