Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
23-005308-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep, verstek en de niet-gemachtigde raadsvrouw. Naleving artikel 51 Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005308-08

datum uitspraak: 30 oktober 2009 (promis)

VERSTEK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 7 december 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-533392-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 december 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de niet-gemachtigde raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling haar bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, terwijl een op de voet van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gemachtigde raadsman niet ter terechtzitting is verschenen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven

Motivering beslissing

De niet-gemachtigde raadsvrouw

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep mr. Van Mielen, advocaat te Amsterdam, verschenen, die desgevraagd door de voorzitter heeft verklaard niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen. Zij heeft naar voren gebracht dat zij zich, niettegenstaande het ontbreken van een machtiging om als raadsvrouw op te treden, bevoegd acht om zich uit te laten over de procesvoering in eerste aanleg. Zij voert aan dat de raadsman van verdachte in eerste aanleg, haar kantoorgenoot mr. M.A.M. Pijnenburg, niet op de hoogte is gesteld van de dag van de zitting in eerste aanleg, ondanks het feit dat hij zichzelf wel heeft gesteld door middel van een stelbrief. Doordat aan hem geen afschrift van de dagvaarding is verstrekt was hij niet bekend met dag en uur van de terechtzitting, is hij op die zitting niet verschenen en derhalve heeft hij niet de kans gekregen om als (gemachtigd) raadsman de verdachte te verdedigen. De eerste rechter heeft niettemin het onderzoek van de zaak voortgezet, gesloten en –bij verstek- eindvonnnis gewezen. De verdachte heeft hierdoor geen eerlijke behandeling van zijn zaak gehad door twee verschillende rechterlijke instanties. De raadsvrouw verzoekt het hof daarom het vonnis waarvan beroep te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

Het hof overweegt dat hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht ziet op het bepaalde in artikel 423 lid 2 Sv en de uitleg van dat voorschrift in de rechtspraak van de Hoge Raad.

In essentie voert de raadvrouw aan dat zich ter terechtzitting in eerste aanleg een zodanig gebrek heeft voorgedaan dat het in artikel 423 lid 2 Sv besloten liggende beginsel met zich brengt dat, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak dient te worden teruggewezen naar de eerste rechter. Dit gebrek is er daarbij in gelegen dat de raadsman als één van de personen die een kernrol vervult bij het onderzoek ter terechtzitting, aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

Gelet op de aard en inhoud van dit standpunt en mede gelet op de in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens vervatte waarborgen rekent het hof

–anders dan de advocaat-generaal- dit tot de uitzonderlijke gevallen waar een niet gemachtigde raadsvrouw aandacht voor kan vragen. Bovendien acht het hof zich gehouden om ambtshalve te onderzoeken of artikel 51 Sv is nageleefd.

Het vorenstaande brengt mee dat het hof de advocaat-generaal niet zal volgen in zijn vordering.

De naleving van artikel 51 Sv

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft op 7 december 2007 het onderzoek ter terechtzitting aangevangen, gehouden en gesloten. De verdachte is op die terechtzitting bij verstek veroordeeld. Bij de stukken in het dossier bevindt zich echter een brief d.d. 21 maart 2007 van de raadsman van de verdachte, gericht aan de officier van justitie te Haarlem. Daaruit blijkt dat verdachte zich heeft voorzien van rechtsbijstand door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam. Op deze brief is bovendien door het openbaar ministerie geantwoord. Alhoewel artikel 39 van het Wetboek van Strafvordering niet naar de letter is gevolgd – omdat de brief niet aan de griffier, maar aan de officier van justitie is gezonden – dient in een geval als het onderhavige – waarin uit een in het dossier aanwezig stuk blijkt dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand van een raadsman – op de voet van artikel 51 Sv een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman verzonden te worden althans dient hij op de hoogte te worden gebracht van dag en uur van de zitting. Nu de raadsman ten onrechte niet op de hoogte van de terechtzitting van 7 december 2007 is gesteld, terwijl niet is gebleken dat hij anderszins op de hoogte is geraakt van dag en uur van die zitting is het hof van oordeel dat de politierechter niet aan de behandeling van de onderhavige zaak had mogen toekomen, doch het onderzoek ter terechtzitting had dienen te schorsen, teneinde te verifiëren of de raadsman op de hoogte was van de zittingsdatum in eerste aanleg en deze zonodig daarvan alsnog op de hoogte te stellen en de gelegenheid te bieden bij meergenoemde behandeling aanwezig te zijn.

Conclusie

Al het voorgaande in aanmerking nemend zal het hof het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Haarlem van 7 december 2007 vernietigen en de zaak terugwijzen naar diezelfde rechtbank.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank te Haarlem, teneinde opnieuw recht te doen met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. M.J. Borgers, in tegenwoordigheid van mr. Z.G.I. Kooi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 oktober 2009.

Mr. M.J. Borgers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.