Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK2861

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
07/00671 DK
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO5986
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5986
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vast staat dat het onderhavige product door de importeur, C B.V. te L, wordt gebruikt als groeibodem bij de vervaardiging van antilichamen die worden gebruikt bij de bestrijding van diverse ziekten. Het product zelve heeft aldus geen therapeutische of profylactische werking, maar is wezenlijk bij de totstandkoming van het antilichaam, dat wel therapeutische werking heeft, en komt daarin, na de celkweek, nog voor, zoals belanghebbende - niet, althans onvoldoende, weersproken - heeft gesteld.

Vorengenoemd gebruik kan een objectief indelingscriterium zijn, wanneer dat gebruik inherent is aan het product;

Belanghebbende heeft gesteld en de Douanekamer acht aannemelijk dat het onderhavige product een onmisbare component is bij de vervaardiging van antilichamen en dat het een hoge kwaliteit en prijs heeft. Op grond van deze kenmerken moet worden geoordeeld dat het gebruik als groeibodem inherent is aan het product.

Ander gebruik van het product is wellicht mogelijk, maar acht de Douanekamer, mede gelet op vorengenoemde kenmerken, niet waarschijnlijk.

De Douanekamer onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat van producten als de onderhavige, die zijn bereid om een wezenlijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van (eind)producten die worden gebruikt voor bestrijding van ziekten en die in dat eindproduct nog aanwezig zijn, moet worden geoordeeld dat zij (evenzeer) zijn bereid voor therapeutisch gebruik. De bewoordingen van post 3002 noch de Toelichtingen bij de post verzetten zich tegen dit oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 07/00671 DK

Uitspraakdatum 17 september 2009

uitspraak van de Douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst /Douane West, kantoor Hoofddorp,

de inspecteur,

tegen de uitspraak van de meervoudige douanekamer van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 27 augustus 2007 in de zaak nr. AWB 06/3730, in het geding tussen

Amsterdam B.V.,

gevestigd te S,

belanghebbende, gemachtigde W,

en

de inspecteur.

1. Uitnodiging tot betaling, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 25 juli 2005 een uitnodiging tot betaling, nr. 0094.52.400/00.7.1147, uitgereikt ten bedrage van in totaal

€ 134.143,49 aan douanerechten.

1.2. De inspecteur heeft het tegen de uitnodiging ingediende bezwaarschrift bij uitspraak van

van 30 januari 2006 afgewezen.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 10 maart 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem. Met de in de aanhef hierboven vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.

2. De procedure voor de Douanekamer van het Gerechtshof

2.1. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur bij op 19 september 2007 ingekomen beroepschrift hoger beroep ingesteld bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer).

2.2. Belanghebbende heeft op 22 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

2.3. De inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende W en R. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. M en drs. D.

3. De feiten

3.1. De Douanekamer neemt de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten over:

“2.1. In de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft W B.V., de rechtsvoorganger van eiseres (Douanekamer: belanghebbende) aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van goederen die volgens de productinformatie worden aangeduid als “…”. Als land van oorsprong is aangegeven de Verenigde Staten van Amerika en als goederencode

3002 10 10 (tarief 0%). De goederen waren bestemd voor C B.V. te L.

2.2. Het product is een bloedalbumine en wordt gewonnen uit runderbloed. Het wordt verkregen door bewerking van bloedplasma door toevoeging van ethanol, aanpassing van de zuurgraad en toevoeging van zouten. Het is niet geschikt voor menselijke of dierlijke consumptie. Deze albumine wordt door de importeur gebruikt als groeibodem voor cellen en vormt één van de veertien componenten bij de vervaardiging van antilichamen. De antilichamen worden gebruikt ter bestrijding van verschillende ziekten en aandoeningen.

2.3. Naar aanleiding van een op 19 december 2004 gedane aangifte heeft het douanelaboratorium de goederen onderzocht. Het daarvan opgemaakte rapport vermeldt onder meer het volgende:

“Het monster bestaat uit een beige poeder met schilfers.

Eiwitgehalte (Nx6.25): 97,4%

Vochtgehalte (stoof 102 º C): 1,0%

Electroforese: (bloed)albumine

(…)

Het monster bestaat uit bloed albumine. Er zijn geen aanwijzingen dat het product is bereid voor therapeutische of profylactische doeleinden.

Op het etiket staat o.a. vermeld: For research and further manufacturing use only. Not for human or animal consumption.

Het product is niet gedenatureerd en kan daardoor niet ingedeeld worden in post 3502.9020.

Op de factuur staat ook tariefpost 350290 vermeld.

Advies goederencode 3502.9070 00.”

2.4. Naar aanleiding van voormeld rapport heeft verweerder (Douanekamer: de inspecteur)

de onderhavige uitnodiging tot betaling uitgereikt en daarbij douanerechten nagevorderd

(tarief 6,4%) met betrekking tot een vijfentwintigtal aangiften die zijn gedaan in de onder 2.1 genoemde periode.

4. Het geschil

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de goederen moeten worden ingedeeld onder post 3002 10 99 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT), hetgeen belanghebbende voorstaat, dan wel onder post 3502 90 70, zoals de inspecteur bepleit.

De relevante posten van het GDT luiden als volgt:

Post 3002 10 99

“3002 Menselijk bloed; dierlijk bloed bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik

of voor het stellen van diagnosen; sera van geïmmuniseerde dieren of personen,

alsmede andere bloedfracties en gewijzigde immunologische producten, al dan

niet verkregen door middel van biotechnologische processen; vaccins, toxinen,

culturen van micro-organismen (andere dan gist) en dergelijke producten:

3002 10 - sera van geïmmuniseerde dieren of personen, alsmede andere bloedfracties en

gewijzigde immunologische producten, al dan niet verkregen door middel van

biotechnologische processen:

(…)

3002 10 99 - - - - andere.

Post 3502 90 70 :

3502 Albuminen (daaronder begrepen concentraten van twee of meer weiproteïnen,

bevattende meer dan 80 gewichtspercenten weiproteïnen, berekend op de droge

stof), albuminaten en andere derivaten van albuminen:

(…)

3502 90 - andere:

- - albuminen, andere dan ovoalbumine en lactoalbumine:

3502 90 20 - - - ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie (2)

3502 90 70 - - - andere

(2) indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld in titel II, punt F, van de inleidende bepalingen.”.

4.2. Aantekening 1, onderdeel g, op hoofdstuk 30 van het GDT luidt:

“1. Dit hoofdstuk omvat niet:

g) niet voor therapeutisch of profylactisch gebruik bereide bloedalbumine (post 3502).”.

4.3. Aantekening 1, onderdeel b, op hoofdstuk 35 luidt:

“1. Dit hoofdstuk omvat niet:

b) bloedfracties (andere dan bloedalbumine die niet is geprepareerd voor therapeutische of profylactische doeleinden), geneesmiddelen en andere producten bedoeld bij hoofdstuk 30”.

5. De standpunten van partijen

Hiervoor wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

6. De overwegingen van de Douanekamer

6.1. Vast staat dat het onderhavige product door de importeur, C B.V. te L, wordt gebruikt als groeibodem bij de vervaardiging van antilichamen die worden gebruikt bij de bestrijding van diverse ziekten.

Het product zelve heeft aldus geen therapeutische of profylactische werking, maar is wezenlijk bij de totstandkoming van het antilichaam, dat wel therapeutische werking heeft, en komt daarin, na de celkweek, nog voor, zoals belanghebbende - niet, althans onvoldoende, weersproken - heeft gesteld.

6.2. Vorengenoemd gebruik kan een objectief indelingscriterium zijn, wanneer dat gebruik inherent is aan het product; de inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (Hof van Justitie 4 maart 2004, Krings, C-130/02, Jurispr. blz. I-2121).

6.3. Belanghebbende heeft gesteld en de Douanekamer acht aannemelijk dat het onderhavige product een onmisbare component is bij de vervaardiging van antilichamen en dat het een hoge kwaliteit en prijs heeft. Op grond van deze kenmerken moet worden geoordeeld dat het sub 6.1. bedoelde gebruik als groeibodem inherent is aan het product.

6.4. Ander gebruik van het product is wellicht mogelijk, maar acht de Douanekamer, mede gelet op vorengenoemde kenmerken, niet waarschijnlijk en in elk geval niet van een aard en omvang dat het de indeling van het product in het GDT zou beïnvloeden.

6.5. De Douanekamer onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat van producten als de onderhavige, die zijn bereid om een wezenlijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van (eind)producten die worden gebruikt voor bestrijding van ziekten en die in dat eindproduct nog aanwezig zijn, moet worden geoordeeld dat zij (evenzeer) zijn bereid voor therapeutisch gebruik. De bewoordingen van post 3002 noch de Toelichtingen bij de post verzetten zich tegen dit oordeel.

6.6. Gelet op het vorenoverwogene moet de onderhavige bloedalbumine, bereid als sub

3.1. vermeld, worden ingedeeld onder post 3002 10 99 van het GDT.

Slotsom

6.7. Het hoger beroep is ongegrond.

7. Proceskosten

7.1. De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

8. De beslissing

De Douanekamer bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M.J. Kuiper, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 17 september 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Van de Staat wordt door de griffier een griffierecht geheven groot € 428.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.