Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK2857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
08/01267
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

De omstandigheid dat belanghebbende tot het jaar 2004 alleen loon uit dienstbetrekking aangaf en in het jaar 2004 daarnaast voor de eerste maal een (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden aangaf, behoefde voor de inspecteur geen reden te zijn om te twijfelen aan de juistheid van enig bij de aangifte verstrekt gegeven, met name niet aan de juistheid van het aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. Ook overigens is geen omstandigheid gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de inspecteur had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens die belanghebbende bij zijn aangifte had verstrekt.

De omstandigheid dat belanghebbende voor het invullen van zijn aangifte geen informatie inwon bij een fiscale deskundige of bij de Belastingtelefoon, komt voor zijn rekening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2009-10-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2629 met annotatie van Snitker
FutD 2009-2467
V-N 2010/7.4

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01267

29 oktober 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/437 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.204 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.600. Belanghebbende heeft tegen deze navorderingsaanslag een bezwaarschrift ingediend.

Bij uitspraak van 20 november 2007 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 23 oktober 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 december 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op 14 mei 2009 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende. Dit is in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Het Hof neemt hier over hetgeen de rechtbank in het onderdeel ‘Tussen partijen vaststaande feiten’ heeft opgenomen:

“2.1. Eiser (Hof: belanghebbende) is in het onderhavige jaar wethouder in de gemeente P. Eiser heeft door gebruikmaking van de zogeheten ‘opting-in’ van artikel 4, aanhef en onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 2g van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 ervoor gekozen om zijn arbeidsverhouding als wethouder aan te merken als dienstbetrekking.

Daarnaast is eiser in dienstbetrekking werkzaam bij het Ministerie van A.

2.2. Eiser heeft de door hem in het onderhavige jaar als wethouder genoten inkomsten aangegeven als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking. De op de verwerving van deze inkomsten betrekking hebbende niet vergoede kosten, ten bedrage van € 2.629, heeft hij aangemerkt als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

2.3. Verweerder (Hof: de inspecteur) heeft de aanslag ib/pvv 2004 opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.4. Bij een bij de aanslagregeling ib/pvv 2005 ingesteld onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de post ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ in de aangifte is gebleken dat eiser in zijn aangifte 2005 de met zijn functie van wethouder verband houdende niet vergoede kosten heeft aangemerkt als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

2.5. Verweerder heeft naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek de in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd.”.

2.2. In aanvulling hierop stelt het Hof vast dat belanghebbende tot het jaar 2004 alleen looninkomsten van het Ministerie van A heeft genoten en dat belanghebbende met ingang van medio 2004 als wethouder bij de gemeente P werkzaam was.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“4.3. Het is vaste jurisprudentie dat de inspecteur met vertrouwen mag afgaan op de juistheid van de aangifte van een belastingplichtige en dat de inspecteur slechts is gehouden een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van die aangifte indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van die aangifte, in redelijkheid aan de juistheid daarvan behoorde te twijfelen (HR 11 april 2001, nr. 36.088, BNB 2001/260). Eiser stelt dat de post ‘kosten bij resultaat uit werkzaamheden’ verweerder had moeten opvallen bij controle van de aangifte, aangezien verweerder had kunnen weten dat eiser in 2004 wethouder was geworden en tegenover deze post geen inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden in de aangifte waren opgenomen. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling. Naar het oordeel van de rechtbank bestond in de gegeven omstandigheden voor verweerder geen aanleiding om aan de juistheid van de door eiser gedane aangifte te twijfelen. De aangifte van eiser zag er verzorgd en ordelijk uit. Bovendien heeft eiser in zijn aangifte niet vermeld dat de betreffende kosten verband houden met zijn werkzaamheden in de functie van wethouder; de toelichting die eiser in zijn aangifte heeft gegeven op de onderhavige kostenpost ziet slechts in geheel algemene zin op de aard van de daarop betrekking hebbende uitgaven, en niet op de aard van de werkzaamheden waarvoor die uitgaven zijn gedaan. Anders dan eiser voorts stelt, leidt naar het oordeel van de rechtbank de enkele omstandigheid dat een kostenpost van die aard en omvang in de aangifte vermeld wordt zonder dat daar inkomsten uit overige werkzaamheden tegenover staan, niet tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid aan de juistheid van de gedane aangifte behoorde te twijfelen, zodat nader onderzoek geboden was. Op grond van de Wet IB 2001 is het immers mogelijk dat in een jaar kosten worden verantwoord, zonder dat daar (al) opbrengsten tegenover staan. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder wist of had kunnen weten dat hij in 2004 wethouder is geworden, zodat mag worden verwacht dat hij de aangifte aan een nader onderzoek zou onderwerpen. Eiser doelt hierbij kennelijk op de door hem en de gemeente P aan de inspecteur loonbelasting gedane opting in-verklaring. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat naast de inspecteur loonbelasting ook verweerder in zijn functie van inspecteur inkomstenbelasting op de hoogte is gekomen van het feit dat eiser in 2004 wethouder is geworden dan wel bij de aanslagregeling voor het onderhavige jaar daarvan op de hoogte was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wetenschap van de inspecteur loonbelasting hieromtrent niet worden toegerekend aan verweerder, de inspecteur inkomstenbelasting, nu tussen de verklaring tot opting-in – welke uitsluitend is gericht aan de inspecteur loonbelasting – en de regeling van de aanslag inkomstenbelasting niet een zo nauwe band bestaat dat de bij de afhandeling van die verklaring verkregen gegevens gebruikt dienen te worden bij het regelen van de aanslag (vgl. HR 26 februari 1986, nr. 23.505, BNB 1986/136). De rechtbank merkt voorts op dat, anders dan eiser meent, de enkele omstandigheid dat de positie van wethouders sinds de invoering van het duale stelsel in maart 2002 is gewijzigd en de belastingrechtelijke consequenties die dat teweegbracht – zij werden loongenieters in plaats van resultaatgenieters – niet meebrengt dat verweerder nader onderzoek had moeten instellen naar de juistheid van eisers aangifte op dit punt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij het met een normale zorgvuldigheid kennis nemen van de aangifte, in redelijkheid niet aan de juistheid van eisers aangifte hoefde te twijfelen. Er is dan ook geen sprake van een ambtelijk verzuim. De omstandigheid dat de aangifte van eiser geautomatiseerd is afgedaan leidt niet tot een ander oordeel.

De bevindingen van het bij de aanslagregeling ib/pvv 2005 ingestelde onderzoek naar de post ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ leveren een nieuw feit op dat de navordering rechtvaardigt.

4.4. Eiser heeft ter zitting de stelling ingenomen dat hij, alvorens hij de aangifte heeft ingediend, inlichtingen heeft ingewonnen bij de gemeentesecretarie over de wijze waarop inkomsten en kosten van wethouders in de aangifte verwerkt dienen te worden. De rechtbank vat deze stelling op als een beroep op het vertrouwensbeginsel en oordeelt hieromtrent als volgt. Dit beroep faalt reeds omdat over de wijze waarop bepaalde posten dienen te worden verantwoord in de aangifte ib/pvv geen vertrouwen kan worden ontleend aan uitlatingen van functionarissen van de gemeentesecretarie, niet zijnde functionarissen van de Belastingdienst. Dat functionarissen van de gemeentesecretarie evenals functionarissen van de Belastingdienst vertegenwoordigers zijn van de overheid, maakt dit oordeel niet anders. Deze grief van eiser kan derhalve evenmin slagen.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ter ondersteuning van zijn standpunt voert belanghebbende met name aan dat hij tot aan het jaar 2004 uitsluitend looninkomsten had genoten en dat hij de post resultaat uit overige werkzaamheden voor het eerst in zijn aangifte voor het jaar 2004 had ingevuld. Volgens belanghebbende had deze verandering ten opzichte van de lange reeks jaren, voorafgaande aan 2004, de inspecteur moeten noodzaken tot het nader onderzoeken van de aangifte. Nu de inspecteur geen onderzoek heeft ingesteld, maar de aangifte geautomatiseerd heeft geregeld, moet het gevolg dat de definitieve aanslag is opgelegd in overeenstemming met de aangifte voor zijn rekening blijven. Belanghebbende stelt daarom dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd.

6.2. Het is vaste jurisprudentie dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. (Vergelijk onder meer Hoge Raad, 7 december 2007, nr. 43.489, BNB 2008/281.) Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

Naar het oordeel van het Hof behoefde de omstandigheid dat belanghebbende tot het jaar 2004 alleen loon uit dienstbetrekking aangaf en in het jaar 2004 daarnaast voor de eerste maal een (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden aangaf, voor de inspecteur geen reden te zijn om te twijfelen aan de juistheid van enig bij de aangifte verstrekt gegeven, met name niet aan de juistheid van het aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. Ook overigens is geen omstandigheid gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de inspecteur had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens die belanghebbende bij zijn aangifte had verstrekt.

6.3. Aan het onder 6.2 overwogene doet niet af dat belanghebbende zijn aangifte heeft ingevuld aan de hand van desgevraagd door de gemeentesecretarie gegeven informatie. De desbetreffende aanwijzingen zijn immers niet afkomstig van organen of personen die onder verantwoordelijkheid van de inspecteur vallen. Alleen al op grond van deze omstandigheid kon belanghebbende er niet op vertrouwen dat de wijze waarop hij zijn aangiftebiljet invulde, juist was. Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende twijfels had omtrent de wijze van invullen. De omstandigheid dat belanghebbende voor het invullen van zijn aangifte geen informatie inwon bij een fiscale deskundige of bij de Belastingtelefoon, komt voor zijn rekening.

6.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en B. Emmerig, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 29 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.