Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1989

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200.008.000-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

erkenning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 6 oktober 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.008.000/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. M.H. van Meurs te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C.M. Lattmann – Van der Heijde te Amsterdam.

1. Het verdere geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de man genoemd.

1.2. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 30 september 2008.

1.3. De Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi & Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad) heeft op 28 mei 2009 rapport uitgebracht, dat bij het hof is binnengekomen op 3 juni 2009.

1.4. De behandeling van de zaak is voortgezet op 12 augustus 2009.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mr. D.J.I. Kroezen, bijzonder curator over [kind A] en [kind B] (hierna gezamenlijk: de kinderen);

- de heer C. de Wilde namens de Raad.

1.6. De advocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1. Zoals reeds onder 4.1 van de tussenbeschikking van 30 september 2008 is vermeld, gaat het in deze zaak om een in die beschikking weergegeven belangenafweging.

2.2. De Raad is van oordeel dat niet gebleken is dat de belangen van de moeder en de kinderen zich tegen het verlenen van vervangende toestemming verzetten, maar dat, gelet op de enorme weerstand van de moeder tegen de erkenning, het de voorkeur verdient de beslissing in deze zaak aan te houden.

2.3. De bijzonder curator refereert zich aan het oordeel van het hof.

2.4. Uit het rapport van de Raad blijkt dat moeder geen enkel vertrouwen heeft in vader vanwege zijn drugsproblemen, omdat hij een onverantwoorde opvoeder is en moeder in het verleden nooit door hem is ondersteund. Volgens de Raad komen deze zorgen voort uit de eigen beleving en herinneringen van de moeder en zijn deze zorgen weinig reëel te noemen. Ook de angst van de moeder dat de man bij erkenning de kinderen van haar zal wegnemen, vindt geen steun in de onderzoeksresultaten, aldus de Raad. Tot slot heeft de Raad gesteld dat de moeder zich reeds vóór de erkenningsprocedure in een onevenwichtige psychische toestand bevond, hetgeen heeft geleid tot een instabiele opvoedingssituatie. Derhalve kan niet worden gesteld dat de moeder ten gevolge van de erkenningsprocedure in een zodanige psychische toestand is komen te verkeren dat zij geen stabiel opvoedingsklimaat voor de kinderen kan garanderen.

Gelet op het vorenstaande is er voor de kinderen geen reëel risico dat zij ten gevolge van een erkenning (meer) zouden worden belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling, zodat het belang van de kinderen door erkenning niet wordt geschaad.

De moeder heeft aangevoerd dat zij onder voortdurende spanning staat, waarvoor zij inmiddels onder behandeling van een psychiater is, dat zij bang is dat na erkenning de man misbruik zal maken van zijn verkregen positie en dat het erop lijkt dat het de man enkel om omgang te doen is en niet zozeer om de erkenning.

De man heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld dat het hem in de eerste plaats om erkenning gaat, waardoor de kinderen weten wie hun vader is. Verder heeft hij uitdrukkelijk verklaard dat hij geen enkele intentie heeft het gezag over de kinderen te vragen. Het is niet zijn bedoeling zich te mengen in het privé leven van de moeder.

2.5. Gelet op de bevindingen van de Raad en op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel, dat de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar ervaren stress en spanningen vooral worden veroorzaakt door een mogelijke erkenning door de man. De Raad is van mening dat het ontstaan van een (meer) onevenwichtige toestand aan de zijde van de moeder geen direct gevolg is van een eventuele erkenning door de man, maar een gevolg is van de (onverwerkte) gevoelens die bij de moeder worden opgeroepen, haar onmacht om hiermee adequaat om te gaan en de problemen die bij haar zijn ontstaan door toedoen van raadsbemoeienis en de sociale dienst in verband met de arbeidsplicht.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de belangen van de moeder niet (extra) zullen worden geschaad door het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning.

2.6. Het belang van de man bij het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning staat naar het oordeel van het hof vast. De man acht het van groot belang dat de kinderen weten wie hun vader is. Daarnaast wil hij graag als hun vader geregistreerd staan, zodat duidelijk is dat zij in een familierechtelijke betrekking tot elkaar staan. Uit hetgeen de moeder ter zitting heeft toegelicht, blijkt dat zij voor de man geen rol ziet weggelegd in het leven van de kinderen. Zij stelt wel voornemens te zijn op enig moment de kinderen te vertellen wie hun vader is, maar zij wil niet dat hij de kinderen erkent. Hieruit leidt het hof af dat er voor de man geen enkel perspectief is op medewerking van de moeder aan erkenning, evenmin als op een feitelijke erkenning door de moeder van zijn plaats in het leven van de kinderen.

2.7. Het hof komt tot de conclusie dat het belang van de man bij erkenning zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder bij niet erkennen. Nu de moeder geen enkele opening heeft geboden om op afzienbare termijn de man een rol in het leven van de kinderen te laten spelen, ziet het hof geen reden de beslissing aan te houden.

2.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, M.M.A. Gerritzen-Gunst en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. H.T. Gitsels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009.