Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1922

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200.034.801-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling vanwege inschakelen juiste hulpverlening en omgangsproblematiek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 29 september 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.034.801/01 van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO NOORD-HOLLAND, LOCATIE HAARLEM,

gevestigd te Haarlem,

APPELLANT.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant wordt hierna de Raad genoemd.

1.2. De Raad is op 12 juni 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 maart 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem (hierna: de kinderrechter), met kenmerk 154995/JU RK 09-244.

1.3. […] (hierna: de moeder) heeft op 7 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 19 augustus 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw S. van den Enden en mevrouw P. Weisz-Bijl namens de Raad;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. A.M. Stam te Zaandam;

- […] (hierna: de vader), bijgestaan door zijn advocaat mr. T. van Uden te Amsterdam.

2. De feiten

2.1. De moeder en de vader (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn [in] 1997 gehuwd. Hun huwelijk is op 15 juli 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 1998. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. [de minderjarige] is wegens gedragsproblematiek vanaf juni 2006 meerdere malen vrijwillig opgenomen, onder andere in Amstelduin. [de minderjarige] verblijft momenteel bij de moeder en haar partner.

2.2. Bij beschikking van 7 augustus 2008 van de kinderrechter is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van omgang tussen de vader en [de minderjarige]. De Raad had naar die vraag eerder onderzoek gedaan en gerapporteerd in 2003 en 2006. De Raad heeft rapport uitgebracht op 30 december 2008.

2.3. Bij beschikking van 17 februari 2009 van de kinderrechter is bepaald dat er drie proefcontacten zullen plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige], onder begeleiding van de Raad. Bij brief van 27 februari 2009 heeft de Raad laten weten, anders dan de mededeling ter zitting op 20 januari 2009, die contacten niet te kunnen begeleiden, omdat het onderzoek reeds afgerond was.

2.4. Bij beschikking van 15 april 2009 van de kinderrechter is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten ten aanzien van de omgang. De Raad heeft rapport uitgebracht op 6 mei 2009.

2.5. Bij beschikking van 25 mei 2009 van de kinderrechter is bepaald dat de ouders zich dienen te wenden tot Begeleid Bezoek, Omgangshuis Noord-Holland te Zaandam voor begeleide omgangscontacten tussen de vader en [de minderjarige]. De beslissing over de omgangsregeling is aangehouden tot 3 september 2009 pro forma.

2.6. Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Raad van 25 februari 2009, na een besluit van de Raad het onderzoek uit te breiden tot een beschermingsonderzoek.

2.7. Bij de stukken bevindt zich een ter zitting in hoger beroep overgelegde brief van het Omgangshuis van 13 augustus 2009. Daaruit blijkt onder meer dat de moeder in het tweede gesprek heeft aangegeven niet verder mee te willen werken. De moeder heeft er geen bezwaar tegen dat [de minderjarige] haar vader ontmoet in het Omgangshuis, maar is niet bereid toe te werken naar een zelfstandige omgangsregeling. Evenmin is zij bereid om met de vader aan tafel te gaan zitten om hem informatie te geven over de ontwikkeling van [de minderjarige]. Volgens de moeder (h)erkent de vader op geen enkele manier de ontwikkelingsproblematiek van [de minderjarige]. Daardoor is de moeder erg bang dat de vader de structuur die met behulp van de hulpverlening is opgebouwd, teniet zal doen. De moeder zelf is getraumatiseerd door de jarenlange strijd met de vader.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de Raad om [de minderjarige] voor de duur van twaalf maanden onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, afgewezen.

3.2. De Raad verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van gronden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De zorgen van de Raad betreffen vooral de omgangsregeling. [de minderjarige] wordt volgens de Raad ernstig bedreigd in haar ontwikkeling als zij geen contact met de vader heeft; gebrek aan contact kan een negatieve invloed hebben op haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Aan de andere kant kan omgang [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict brengen, omdat emotionele toestemming van de moeder voor dit contact ontbreekt. Ondersteuning door een derde bij de omgang acht de Raad noodzakelijk. De ouders hebben geen neutrale derde persoon in hun omgeving die hiervoor in aanmerking komt.

Daarnaast wordt de ontwikkeling van [de minderjarige] bedreigd door de ambivalente houding van de moeder ten opzichte van de plaatsing van [de minderjarige] in Amstelduin. De moeder heeft [de minderjarige] daar op 4 april 2009 weggehaald, hetgeen de Raad niet in het belang van [de minderjarige] acht. De Raad maakt zich zorgen over de draagkracht van de moeder.

4.2. Ter zitting in hoger beroep heeft de Raad verklaard dat er naast de omgangsproblematiek, sprake is van ouder-kindproblematiek. De moeder lijkt dat niet in te zien en kijkt niet naar haar eigen aandeel in de problemen van [de minderjarige]. De moeder kan [de minderjarige] moeilijk hanteren, zo erkent zij zelf, en daardoor ontstaat problematisch gedrag bij [de minderjarige].

In het onderzoek van de Raad bleek dat [de minderjarige] de vader graag wilde zien en dat zij goede herinneringen aan hem had. De moeder wil echter geen contact meer met de vader. De Raad acht die houding schadelijk voor [de minderjarige]. De Raad vreest dat de moeder [de minderjarige] zal belasten met haar eigen gevoelens zodra de omgang gestart wordt.

4.3. De moeder stelt altijd te hebben meegewerkt aan omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De Raad heeft de omgang zelf tegengewerkt, door meerdere malen terug te komen op eerder gedane mededelingen en toezeggingen. De moeder vindt een ondertoezichtstelling een te zwaar middel om omgang op gang te brengen. Zij wijst erop dat er een afzonderlijke procedure loopt over de omgang.

De moeder heeft juist altijd het belang van behandeling van [de minderjarige] bij Amstelduin benadrukt, maar in december 2008 bleek dat [de minderjarige] daar verder niet kon worden behandeld. Zij heeft haar pas opgehaald na overleg met Amstelduin. De moeder wilde bovendien niet dat de omgangsregeling daar zou worden opgestart. De zorgen die de Raad zegt te hebben over de draagkracht van de moeder zijn onvoldoende toegelicht. Zij hoort thans in hoger beroep voor het eerst dat er sprake zou zijn van ouder-kindproblematiek.

Sinds kort krijgt [de minderjarige] ambulante hulpverlening van Amstelduin en de moeder heeft haar bij een stichting ingeschreven. [de minderjarige] is daar twee keer geweest en dat helpt haar heel goed, aldus de moeder.

4.4. De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard zich te kunnen vinden in het standpunt van de Raad. De moeder zegt wel dat zij mee wil werken aan omgang, maar het komt er telkens niet van. Omdat de moeder hem nergens bij betrekt, heeft hij geen zicht op de problematiek waarvan de Raad stelt dat die bij [de minderjarige] aanwezig is.

4.5. Ingevolge artikel 1:254 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.6. Het hof constateert op basis van de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, dat er naast de omgangsproblematiek veel andere problemen spelen en hebben gespeeld in het leven van [de minderjarige]. Het uiteengaan van de ouders is niet harmonieus verlopen: de moeder en [de minderjarige] hebben toen enige tijd in een Blijf-van-mijn-lijfhuis verbleven. Volgens de moeder heeft [de minderjarige] ADHD en ODD. [de minderjarige] is nergens bang voor en zij is zeer impulsief. Zij heeft een ontwikkelingsachterstand en een cognitieve stoornis, is gemakkelijk te beïnvloeden en ze leeft in een fantasiewereld. [de minderjarige] heeft hulp gekregen van De Bascule, Triversum en Amstelduin in de vorm van vrijwillige opnames. Zij bezoekt speciaal onderwijs.

Triversum kwam in maart 2006 tot de volgende diagnose: “Impulsiviteit, verhoogde afleidbaarheid, hyperactiviteit en aandacht- en concentratie¬problemen, veel strijd in de thuissituatie waarbij ze haar zin doordrijft, problemen in het functioneren op school bij een 7;3 jarig meisje dat opgroeit als enig kind bij moeder en diens nieuwe partner. Er is een belaste voorgeschiedenis met veel spanningen en onveiligheid, tot haar derde levensjaar. (….) Er kan worden gesproken van ADHD. (…) Bij het psychologisch onderzoek werd een benedengemiddeld IQ vastgesteld met een disharmonisch profiel….”

Na twee jaar van vrijwillige opnames woont [de minderjarige] thans weer thuis. De moeder erkent dat zij zich in het verleden overbelast heeft gevoeld, hetgeen een van de redenen was voor opname van [de minderjarige] in Amstelduin. Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij soms niet weet wat zij met het gedrag van [de minderjarige] aanmoet. Het hof constateert dat de moeder zelfstandig hulp inschakelt voor [de minderjarige] en dat zij ook thans op zoek is naar een andere hulpverlener dan Amstelduin. Onduidelijk is evenwel of de juiste hulpverlening wordt ingeschakeld, nu er niet alleen sprake is van gedragsproblemen, maar ook van omgangsproblematiek en strijd tussen de ouders. Een gezinsvoogd kan de moeder helpen bij het vinden van de juiste hulp voor [de minderjarige], ook ingeval een omgangsregeling met de vader zou worden vastgesteld. Omdat het hof van oordeel is dat aan bovengenoemde wettelijke voorwaarden is voldaan, zal het [de minderjarige] onder toezicht stellen met ingang van de datum van deze beschikking.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

stelt [de minderjarige] met ingang van heden onder toezicht voor de duur van twaalf maanden;

bepaalt dat de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Team Opperdan, locatie Zaandam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, A.L. Diender en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van

mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2009.