Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200.021.928/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk dat het de wil van erflater was dat het legaat de beleggingsrekening zou omvatten en dat de notarissen zulks hadden moeten begrijpen. Niet aannemelijk dat legaat niet erflaters uitdrukkelijke wil weergeeft en onjuist is geredigeerd. De notarissen hebben zorgvuldig en correct gereageerd op brieven klaagster. Notaris heeft juist en zorgvuldig gehandeld door ten behoeve van de erfgenamen een expliciet ontslag van aansprakelijkheid te verlangen. Notaris heeft op de voet van artikel 25 lid 2 Wna bij uitsluiting de bevoegdheid tot beheer en beschikking over de tegoeden op de derdengeldrekening en daardoor eenzelfde bevoegdheid ten aanzien van de op die rekening gekweekte rente. Bekrachtiging van de beslissing van de kamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 20 oktober 2009 in de zaak onder nummer 200.021.928/01 NOT van:

MR. [klaagster],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

tegen

1. MR. [notaris 1],

notaris te [plaats],

2. MR. [notaris 2],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, verder te noemen klaagster, heeft bij op 7 januari 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met één bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Haarlem, verder te noemen de kamer, van 9 december 2008, waarbij de klacht van klaagster in al haar onderdelen ongegrond is verklaard.

1.2. Op 27 januari 2009 is van de zijde van klaagster nog een aanvullend stuk ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van geïntimeerden, verder te noemen de notarissen, is op 9 februari 2009 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2009, alwaar klaagster en de notaris sub 1 zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, klaagster aan de hand van een pleitnotitie. De notaris sub 2 is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat, behoudens het navolgende.

3.2. In haar hoger beroepschrift heeft klaagster een aanvulling op de vaststelling van de feiten door de kamer gegeven. Het hof zal – voor zover van belang – daarmee bij de beoordeling rekening houden.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notarissen dat zij het testament onzorgvuldig hebben geredigeerd door niet overeenkomstig de wil van de erflater diens aandeel in de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening bij het legaat te betrekken.

4.2. Voorts wordt de notarissen verweten dat het legaat in erflaatsters testament onder 3.1 (b) niet strookt met de bedoeling van de erflater om ook de overige in de echtelijke woning aanwezige goederen aan haar te legateren.

4.3. Klaagster verwijt de notarissen bovendien dat het legaat in erflaatsters testament onder 3.5 onjuist is geredigeerd, aangezien de notarissen behoorden te weten dat de erflater slechts de onverdeelde helft van de eigendom van die (inboedel)goederen had.

4.4. Ook wordt de notarissen verweten dat zij hebben nagelaten een concreet antwoord te geven op de door haar in haar brieven van 26 februari 2007, 4 maart 2007, 9 maart 2007 en 11 maart 2007 aan hen gestelde vraag.

4.5. Klaagster verwijt de notaris sub 2 dat zij de afgifte van het legaat onnodig hebben vertraagd door een in haar ogen overbodige toevoeging te verzoeken aan de hypotheekbank met betrekking tot de verklaring van die bank van 10 juni 2008.

4.6. Ten slotte verwijt klaagster de notarissen dat zij hebben doen voorkomen alsof de rente die op de derdenrekening van de notarissen is genoten over het aan haar, klaagster, toekomende bedrag aan hen in eigendom toebehoorde.

5. Het standpunt van de notarissen

5.1. De notarissen stellen dat het testament op een zorgvuldige wijze is geformuleerd. Zij voegen daaraan toe dat het testament geheel in overleg – er liggen verscheidene besprekingen aan ten grondslag – en derhalve overeenkomstig de wensen van de erflater tot stand is gekomen. Dit geldt ook voor de legaten.

Zij voegen hieraan toe dat bij de bespreking van het legaat met betrekking tot de woning ook de bijbehorende financiering aan de orde is geweest. Volgens hen is hieruit voortgevloeid dat slechts het verbouwingsdepot in het legaat is begrepen en niet de beleggingsrekening. Het was de wens van de erflater dat de echtelijke woning aan klaagster zou toekomen onder de verplichting voor klaagster om de daarmee verbonden hypothecaire lening af te lossen. Overigens beschouwde de erflater de financiële gevolgen van de gemeenschap van goederen tussen hem en klaagster als een vaststaand gegeven en wilde hij voor zijn aandeel daarin afrekenen op het moment dat hij zou overlijden.

De notarissen voeren nog aan dat de beleggingsrekening, waar klaagster in dit verband op doelt, een ander karakter heeft dan het verbouwingsdepot. Dat depot is bedoeld om aangewend te worden voor de voldoening van de kosten van de verbouwing van de woning, terwijl de geldswaarde die in de beleggingsrekening is vervat onderdeel is van het totale gemeenschappelijke vermogen van klaagster en de erflater.

5.2. Mede onder verwijzing naar hetgeen de notarissen onder ad 1 hebben aangevoerd, stellen zij dat het legaat onder 3.1 (b) wel degelijk strookt met de wens op dit punt van de erflater. De notarissen leggen uit dat de erflater duidelijk heeft aangegeven dat hij wilde dat de “gewone” inboedelgoederen uit de echtelijke woning aan klaagster zouden toekomen. In een opvolgende bespreking na zijn vertrek uit de echtelijke woning heeft erflater daaraan toegevoegd dat nog goederen van hem in deze woning waren achtergebleven die niet vallen onder het bereik van artikel 3:5 BW en heeft hij specifieke wensen geuit met betrekking tot kunstobjecten en boeken.

5.3. Volgens de notarissen geeft de tekst van het legaat onder 3.5 precies de wens weer die de erflater had ten aanzien van de daaronder vermelde goederen. Dat de gelegateerde goederen tot de gemeenschap van goederen behoorden doet volgens hen aan die duidelijke wens niet af.

5.4. De notarissen stellen voorts dat de vraag van klaagster over het aan haar gelegateerde correct en voldoende gespecificeerd is beantwoord. Zij menen dat ook de nadere verzoeken van klaagster over de beantwoording van haar vraag zorgvuldig door hen zijn afgehandeld. In verband met het feit dat de notaris sub 1 genoemd boedelnotaris was heeft hij de beantwoording voor zijn rekening genomen, echter bij het formuleren van het antwoord heeft hij telkens de notaris sub 2 genoemd geraadpleegd. Hij verwijst daarbij naar zijn brief van 9 maart 2007.

5.5. De notarissen betwisten dat door hun toedoen de afgifte van het legaat van de echtelijke woning is vertraagd. Zij betwisten voorts dat de door hen verzochte aanvullende verklaring van de hypotheekbank overbodig was. De notaris sub 2 genoemd voert in dit verband aan dat hij door dit verzoek bij de bank neer te leggen in het belang van de erfgenamen heeft gehandeld. Aldus werd zeker gesteld dat de erfgenamen niet langer aansprakelijk waren voor de aflossing van de hypothecaire geldlening. Dat de hypotheekbank eerst na 4 weken de aanvullende verklaring op schrift stelde kan hem niet worden verweten.

5.6. De notaris sub 2 genoemd stelt dat hij in goed overleg met de erfgenamen mede in het kader van een oplossing die was bereikt tussen de erfgenamen en klaagster de door hem ontvangen rente aan klaagster heeft overgemaakt.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat het eerste klachtonderdeel betreffende het onjuist redigeren van het op 17 oktober 2006 verleden testament faalt. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen uit het dossier is gebleken gaat het hof ervan uit dat – voorafgaand aan het passeren van het testament – de financiering van de echtelijke woning in algemene zin ter sprake is gekomen evenals de specifieke wens van de erflater dat het legaat aan klaagster mede zou omvatten het verbouwingsdepot, maar dat de beleggingsrekening onbesproken is gebleven.

De notarissen waren niet op de hoogte van de beleggingsrekening. Klaagster heeft dienaangaande gesteld dat het op de weg van de notarissen had gelegen te onderzoeken hoe de financiering van de woning precies was geregeld en het aandeel in de beleggingsrekening van de erflater overeenkomstig diens wens bij het legaat van de woning te betrekken. Het hof kan klaagster niet volgen in haar stelling. De combinatie van een hypothecaire geldlening met een beleggingsrekening komt in de praktijk weliswaar vaker voor, maar daarvan kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat zij gebruikelijk is. Nu die beleggingsrekening in de gesprekken tussen erflater en de notarissen niet door de erflater aan de orde is gesteld en de notarissen ook overigens geen informatie hebben gehad op grond waarvan zij wisten of zouden moeten begrijpen dat daarvan sprake was rustte op hen niet de verplichting om na te gaan of aan de hypothecaire geldlening een beleggingsrekening was gekoppeld. Het feit dat de beleggingsrekening uitsluitend kan worden aangewend ter aflossing van een deel van de hypothecaire geldlening, zoals door klaagster is gesteld, doet daaraan niet af. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het de wil van de erflater was dat het legaat de beleggingsrekening zou omvatten en dat de notarissen zulks hadden moeten begrijpen. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

6.2. Klaagster heeft voorts als tweede klachtonderdeel aangevoerd dat het legaat onder 3.1.(1) niet strookt met de bedoeling van erflater om ook de overige nog in de door erflater op 15 september 2006 verlaten echtelijke woning aanwezige goederen aan haar te legateren.

Naar het oordeel van het hof geldt ook hier als uitgangspunt de wil van erflater. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het legaat niet diens uitdrukkelijke wil weergeeft. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.3. Vervolgens is het hof van oordeel dat de ook het derde klachtonderdeel dat ziet op redactie van het legaat onder 3.5. tevergeefs is voorgedragen. Klaagster heeft gesteld dat het legaat onjuist is geredigeerd doordat in het legaat is begrepen de onverdeelde helft van de inboedelgoederen die haar krachtens huwelijksvermogensrecht toekomen. Dit is, volgens klaagster, in strijd met de wet. Het hof begrijpt dat klaagster hierbij het oog heeft op artikel 4:51 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt, voor zover van belang:

Wanneer een echtgenoot ten laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een bepaald goed uit de huwelijksgemeenschap heeft vermaakt, kan de legataris levering van het hele goed van hen vorderen, doch zij kunnen, voorzover het goed bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot of diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met de uitkering van de waarde van het goed.

Naar het oordeel van het hof regelt deze bepaling de rechtsverhouding tussen de legataris en de erfgenamen in het geval dat een bepaalde goed is gelegateerd uit de huwelijksgemeenschap waarin de erflater is gehuwd. Nog daargelaten of onder “bepaald” niet mede “bepaalbaar” moet worden verstaan kan uit dit wetsartikel niet worden afgeleid dat een legaat van niet specifiek bepaalde goederen uit de huwelijksgemeenschap ongeldig is. Nu niet is gebleken dat de uiterste wilsbeschikking op dit onderdeel niet de wil van de erflater weergeeft is ook dit klachtonderdeel ongegrond.

6.4. Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel dat handelt over de afhandeling van de brieven van klaagster van 26 februari 2007, 4 maart 2007, 9 maart 2007 en 11 maart 2007 overweegt het hof het volgende. De brief van 9 maart 2007 heeft het hof niet aangetroffen bij de processtukken, zodat het deze brief bij zijn beoordeling van deze klacht buiten beschouwing zal laten.

6.5. Klaagster heeft beide notarissen verzocht te antwoorden op een concrete vraag in haar brieven. Hierop is bij brief van 28 februari 2007 en 9 maart 2007 door de notaris sub 1 genoemd en bij brief van 16 maart 2007 door de notaris sub 2 genoemd gereageerd. In de brieven van 28 februari 2007 en 9 maart 2007 wordt klaagster verzocht haar vraag te verduidelijken en wordt klaagster uitgenodigd voor een gesprek om een en ander nader toe te lichten en om de verdere gang van zaken en voortgang te bespreken. Klaagster is op die uitnodiging niet ingegaan en heeft in haar brief van 11 maart 2007 “nog eenmaal” aangedrongen op een schriftelijk antwoord op de door haar gestelde vraag. Hierop heeft de notaris sub 2 genoemd bij brief van 16 maart 2007 een antwoord gegeven op de door klaagster gestelde vraag. Naar het oordeel van het hof hebben de notarissen op de brieven van klaagster zorgvuldig en correct gereageerd. Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens ongegrond.

6.6. Ten aanzien van het vijfde klachtonderdeel dat betrekking heeft op het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de erfgenamen ter gelegenheid van de afgifte van het legaat van de woning, is het hof van oordeel dat de notaris sub 2 genoemd juist heeft gehandeld. Ofschoon de desbetreffende akte van hypothecaire geldlening ontbreekt, gaat het hof er, gelet op de wel bijgevoegde offerte van 22 oktober 2005, vanuit dat klaagster en haar echtgenoot voor de lening hoofdelijk verbonden waren. Nu de woning aan klaagster was gelegateerd onder de verplichting de daarop rustende hypothecaire geldlening voor haar rekening te nemen lag het in de rede dat de erfgenamen wensten uit die hoofdelijkheid te worden ontslagen. Uit de brief van Florius van 10 juni 2008 kan slechts opgemaakt worden dat de leningsovereenkomst uitsluitend op de naam van klaagster zou worden geadministreerd. Wat er ook zij van de vraag of de bank hiermee wellicht impliciet afstand heeft willen doen van haar rechten jegens de erfgenamen, de notaris heeft naar het oordeel van het hof juist en zorgvuldig gehandeld door ten behoeve van de erfgenamen een expliciet ontslag van aansprakelijkheid te verlangen. Dat Florius er vervolgens bijna 4 weken over doet om een en ander te verwerken en de gevraagde aanvullende verklaring te produceren kan de notaris sub 2 niet worden tegen geworpen. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.6. Ten slotte is ook het laatste klachtonderdeel ongegrond. De notaris heeft op de voet van artikel 25 lid 2 van de Wet op het notarisambt bij uitsluiting de bevoegdheid tot het beheer en de beschikking over de tegoeden op de zogeheten derdengeldrekening. Daardoor heeft hij een zelfde bevoegdheid ten aanzien van de op die rekening gekweekte renten. Klaagster heeft de rente ontvangen waarop zij ingevolge de met de notarissen gemaakte afspraak aanspraak kon maken. De notarissen hebben verklaard dat zij die afspraak hebben gemaakt in overleg met de erfgenamen die elke verdere discussie met klaagster wensten te voorkomen. Dat in de afspraak die de notarissen met klaagster maakten rente was begrepen die aan de rechtsbijstandverzekeraar van klaagster toekwam is niet gebleken. Ook als dit laatste anders zou zijn, zou klaagster bij haar klacht geen belang hebben. Niet aannemelijk is geworden dat de notarissen het hebben doen voorkomen alsof de gekweekte rente hen in eigendom toebehoorde.

6.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing van de kamer van 9 december 2008.

-

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, F.A.A. Duynstee en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 oktober 2009 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-

NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT HAARLEM

Beschikking d.d. 9 december 2008 van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen in het arrondissement Haarlem, nader ook “de kamer”, in de zaak onder nummer K 14.08 van:

mr. [klaagster],

wonende te Amsterdam,

nader ook: klaagster.

---tegen---

mr. [notaris 1],

notaris te [plaats],

en

mr. [notaris 2],

notaris te [plaats],

nader ook: de notarissen.

1. Verloop van de procedure.

Voor het verloop van de procedure verwijst de kamer naar de navolgende aan de kamer tot het nemen van een beslissing overgelegde bescheiden, waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt:

- de op 28 augustus 2008 ter secretarie van de kamer ingekomen brief van klaagster van 27 augustus 2008 met 14 bijlagen;

- de brief van de notarissen van 24 september 2008 met 2 bijlagen, waarin het antwoord;

- de brief van klaagster van 7 oktober 2008, waarin een nadere reactie;

1.2 In de openbare vergadering van de kamer van 21 oktober 2008 zijn klaagster en de notarissen gehoord. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten, waarbij klaagster zich heeft bediend van pleitnotities.

Vervolgens heeft de voorzitter van de kamer de behandeling gesloten en bepaald dat op 9 december 2008 een beschikking zal volgen.

2. Relevante vaststaande feiten.

Bij de beoordeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:

a. Klaagster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd (geweest) met [echtgenoot].

b. In 2005 hebben klaagster en haar echtgenoot de woning aan de [straat] [nummer] te [plaats] gekocht.

c. In 2006 is geconstateerd dat de echtgenoot van klaagster binnen een afzienbare termijn zou overlijden aan de gevolgen van een ongeneeslijke ziekte.

d. Mede in verband met dit vooruitzicht heeft de echtgenoot van klaagster zijn testament laten opmaken. Een eerste bespreking hiertoe is in augustus 2006 door hem gevoerd met notaris [2]. Het concept van het testament is nadien door notaris [2] met de erflater doorgenomen.

e. In september 2006 heeft de echtgenoot van klaagster de echtelijke woning verlaten. Op 17 oktober 2006 is zijn testament ten overstaan van notaris [1] verleden.

f. Op 4 januari 2007 is de echtgenoot van klaagster (hierna: de erflater) overleden. Op grond van het testament zijn de twee dochters van de erflater enig erfgenaam van de nalatenschap. Aan hen is voorts onder meer het navolgende gelegateerd:”(…)

3. Legaten

5. Ik legateer (…)

- alle inboedel - en overige goederen welke zich bevinden in mijn woning aan de [straat] [nummer] te [plaats] met uitzondering van die goederen die ik aan derden heb gelegateerd;

g. In zijn testament heeft de erflater het navolgende aan klaagster gelegateerd. “(…)

3. Legaten

1. Ik legateer (…)

a. mijn aandeel in de eigendom van de woning aan de [straat] [nummer] (…) [plaats], (…) inclusief het verbouwingsdepot, zulks onder de verplichting voor haar om de daarop rustende (hypothecaire) geldlening(en) voor haar rekening te nemen en – onder vrijwaring van mijn erfgenamen – als eigen schuld te voldoen;

b. (mijn aandeel in) de in gemelde woning aanwezige inboedel als bedoeld in artikel 3:5 Burgerlijk Wetboek, zulks met uitzondering van die goederen die ik blijkens dit testament aan derden legateer. (…)”.

h. Bij brief van 23 januari 2007 is aan klaagster een afschrift van het testament toegezonden.In haar brief van 26 februari 2007 heeft klaagster onder meer de navolgende vraag aan de notarissen gesteld: “(…)

Gaarne verneem ik van u of het juist is dat het de bedoeling van mijn echtgenoot met dit testament was dat alles wat verband hield met het appartement, dus met inbegrip van de financieringsconstructie daarvan en de zich daarin bevindende inboedel- en andere roerende goederen, voor mij zou zijn en zijn onverdeeld aandeel daarin derhalve niet in zijn nalatenschap zou vallen. (…)”.

i. Notaris [2] heeft in zijn brief van 28 februari 2007 de vraag van klaagster als volgt beantwoord: “(…)

Eerlijk gezegd is mij niet geheel duidelijk wat de achtergrond van uw vraag is. Naar mijn mening is het gemaakte legaat duidelijk en strookt met de bedoeling van erflater zoals die dat aan mij heeft opgegeven. U spreekt over “met inbegrip van de financieringsconstructie”. Indien u daarbij doelt op het verbouwingsdepot, daaraan is in het testament aandacht besteed. Indien u op iets anders doelt, dan verneem ik graag wat dit is alvorens ik iets kan zeggen over de “bedoeling” van de heer [echtgenoot].

In zijn algemeenheid is het zo bij testamenten dat eerst indien de bewoordingen onduidelijk zijn, er sprake kan zijn van benodigde “uitleg” van het testament c.q. de achterliggende bedoelingen van de erflater een rol gaan spelen. (…)”.

j. In deze brief heeft notaris [2] nog eens op zijn kantoor uitgenodigd om het een en ander toe te lichten. Klaagster is hier niet op ingegaan.

k. In haar brief van 4 maart 2007 aan de notarissen heeft klaagster medegedeeld dat zij een schriftelijk antwoord op haar vraag wenst te ontvangen.

l. In zijn brief van 9 maart 2007 heeft notaris [2] namens notaris [1] het navolgende – voor zover hier van belang – aan klaagster medegedeeld: “(…) Met betrekking tot het legaat heb ik u al geschreven dat in zijn algemeenheid eerst uitleg aan de orde komt indien de bewoordingen onduidelijk zijn. Ook heb ik u al gezegd dat mijns inziens de woorden van het onderhavige testament duidelijk zijn. Hoewel de heer [notaris 2] de voorbereiding van het testament voor zijn rekening heeft genomen is ook tijdens het passeren het legaat uitgebreid aan de orde geweest hetgeen geresulteerd heeft in de in het testament opgenomen tekst.

In financieringsconstructies is ook wel eens sprake van spaarpolissen of andersoortige polissen met een afkoopwaarde of iets dergelijks die mede tot de zekerheid van de financierende bank dienen. Dit soort polissen, voor zover aanwezig, vallen niet onder het legaat en vallen dus gewoon in de gemeenschap van goederen.

Ter voorkoming van overlappende beantwoording van uw brieven aan de heer [notaris 2] en ondergetekende heb ik deze brief mede geschreven ter beantwoording van uw brief van 4 maart jl. aan de heer [notaris 2]. (…)”.

In deze brief heeft notaris [1] voorts zijn uitnodiging voor een gesprek herhaald.

m. In haar brief van 11 maart 2007 heeft klaagster aan notaris [1] onder meer medegedeeld dat hij slechts “een algemeen antwoord geeft en de beantwoording van de vraag in concreto opschort”.

n. In zijn brief van 16 maart 2007 heeft notaris [2] – voor zover hier van belang – het navolgende aan klaagster medegedeeld:”(…)

Inderdaad ben ik betrokken geweest bij de voorbereiding van het testament van uw overleden echtgenoot. Tijdens de voorbereiding van het testament is uiteraard ook de formulering van de aan u gemaakte legaten aan de orde geweest. Uiteindelijk is de bedoeling (…) verwoord zoals vermeld in het u bekende testament onder 3.1 (a en b). Deze tekst komt mij duidelijk voor.

Aan u komt de woning aan de [straat] [nummer] inclusief verbouwingsdepot en de daarmee verband houdende hypotheekschuld, alsmede de in deze woning aanwezige inboedel (voor zover niet aan derden gelegateerd).

Uw vraag of het de bedoeling was van uw echtgenoot dat “alles wat verband hield met de woning” aan u zou toekomen (waarbij het mij niet geheel duidelijk is waarop u precies doelt) moet ik dan ook ontkennend beantwoorden. Zaken die niet expliciet zijn benoemd in de aan u vermaakte legaten vallen hier ook niet onder en behoren aldus tot de ontbonden gemeenschap van goederen (waarvan de nalatenschap van uw echtgenoot weer deel uitmaakt). (…)”.

o. Op 18 juni 2008 heeft notaris [2] de door de hypotheekbank geschreven brief van 10 juni 2008 ontvangen, waarin de hypotheekbank heeft vermeld dat zij met ingang van 10 juni 2008 de leningsovereenkomst uitsluitend op naam van klaagster zal administreren. Op aandringen van notaris [2] - in verband met de positie van de erfgenamen - heeft de bank op 9 juli 2008 aan deze brief toegevoegd dat de erfgenamen niet langer aansprakelijk zijn voor deze lening.

p. Notaris [2] heeft de door hem ontvangen rente over het door de erfgenamen op 13 mei 2008 op zijn rekening gestorte bedrag aan klaagster overgemaakt.

q. Op 14 juli 2008 is door klaagster de akte van afgifte legaat ondertekend.

3. Inhoud van de klacht.

3.1 De klacht, zoals deze ter zitting nader is toegelicht, laat zich – zakelijk weergegeven – als volgt omschrijven:

1. Klaagster verwijt de notarissen dat zij het testament onzorgvuldig hebben geredigeerd door niet het aandeel van de erflater in de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening bij het legaat te betrekken.

2. Klaagster verwijt de notarissen dat het legaat onder 3.1 (b) niet strookt met de bedoeling van de erflater om ook de overige in de echtelijke woning aanwezige goederen aan haar te legateren.

3. Klaagster verwijt de notarissen dat het legaat onder 3.5 onjuist is geredigeerd, aangezien de notarissen behoorden te weten dat de erflater slechts de onverdeelde helft van de eigendom van die (inboedel)goederen had.

4. Klaagster verwijt de notarissen voorts dat zij hebben nagelaten een concreet antwoord te geven op de door haar in haar brieven van 26 februari 2007, 4 maart 2007, 9 maart 2007 en 11 maart 2007 gestelde vraag.

5. Klaagster verwijt notaris [2] dat hij de afgifte van het legaat onnodig heeft vertraagd door een in haar ogen overbodige toevoeging te verzoeken aan de hypotheekbank met betrekking tot de verklaring van die bank van 10 juni 2008.

6. Ten slotte verwijt klaagster de notarissen dat zij ten onrechte de rente over het door de erfgenamen overgemaakte bedrag aan haar hebben uitgekeerd.

3.2 Tegen deze achtergrond verwijt klaagster de notarissen onzorgvuldig handelen als bedoeld in artikel 98 van de Wet op het notarisambt jegens haar.

4. Het standpunt van de notarissen.

ad 1. De notarissen stellen dat het testament op een zorgvuldige wijze is geformuleerd. Zij voegen daaraan toe dat het testament geheel in overleg – er liggen meerdere besprekingen aan ten grondslag - en derhalve overeenkomstig de wensen van de erflater tot stand is gekomen. Dit geldt ook voor de legaten.

Zij voegen hieraan toe dat bij de bespreking van het legaat met betrekking tot de woning ook de bijbehorende financiering aan de orde is geweest. Volgens hen is hieruit voortgevloeid dat slechts het verbouwingsdepot in het legaat is begrepen en niet de beleggingsrekening. Het was de wens van de erflater dat de echtelijke woning aan klaagster zou toekomen onder de verplichting voor klaagster om de daarop rustende hypotheek af te betalen. Overigens beschouwde de erflater de financiële gevolgen van de gemeenschap van goederen tussen hem en klaagster als een vaststaand gegeven en wilde hij voor zijn aandeel daarin afrekenen op het moment dat hij zou overlijden.

De notarissen voeren nog aan dat de beleggingsrekening, waar klaagster in dit verband op doelt, een ander karakter heeft dan het verbouwingsdepot. Dat depot is bedoeld om aangewend te worden voor de verbouwing van de woning, terwijl de geldswaarde die in de beleggingsrekening is vervat onderdeel is van het totale gemeenschappelijke vermogen van klaagster en de erflater.

Ter zitting heeft notaris Batenburg verklaard dat deze uitleg is vastgelegd in een renvooi opgenomen in het originele testament.

ad 2. Mede onder verwijzing naar hetgeen de notarissen onder ad 1 hebben aangevoerd, stellen zij dat het legaat onder 3.1 (b) wel degelijk strookt met de wens op dit punt van de erflater. De notarissen leggen uit dat de erflater duidelijk heeft aangegeven dat hij wilde dat de “gewone” inboedelgoederen uit de echtelijke woning aan klaagster zouden toekomen. Hij heeft daar later aan toegevoegd dat na zijn verhuizing nog goederen van hem in deze woning waren achtergebleven. Voorts heeft de erflater met verwijzing naar artikel 3:5 BW specifieke wensen geuit met betrekking tot kunstobjecten en boeken.

ad 3. Volgens de notarissen geeft de tekst van het legaat 3.5 precies de wens weer die de erflater had ten aanzien van de daaronder vermelde goederen. Dat de gelegateerde goederen tot de gemeenschap van goederen behoorden doet volgens hun aan die duidelijke wens niet af.

ad 4. De notarissen stellen dat de vraag van klaagster over het aan haar gelegateerde correct en voldoende gespecificeerd is beantwoord. Zij menen dat ook de nadere verzoeken van klaagster over de beantwoording van haar vraag zorgvuldig door hen zijn afgehandeld. In verband met het feit dat notaris [1] boedelnotaris was heeft hij de beantwoording voor zijn rekening genomen, echter bij het formuleren van het antwoord heeft hij naar zijn zeggen telkens notaris [2] geraadpleegd. Hij verwijst daarbij naar zijn brief van 9 maart 2007.

ad 5. Notaris [2] betwist dat door zijn toedoen de afgifte van het legaat is vertraagd. Hij betwist voorts dat de door hem verzochte aanvullende verklaring van de hypotheekbank overbodig was. Notaris [2] voert in dit verband aan dat hij door dit verzoek bij de bank neer te leggen in het belang van de erfgenamen heeft gehandeld. Aldus werd duidelijk dat de erfgenamen niet langer aansprakelijk waren voor de aflossing van de hypotheek. Dat de hypotheekbank eerst na 4 weken de aanvullende verklaring op schrift stelde kan hem niet worden verweten.

ad 6. Notaris [2] stelt dat hij in goed overleg met de erfgenamen mede in het kader van een oplossing die was bereikt tussen de erfgenamen en klaagster de door hem ontvangen rente aan klaagster heeft overgemaakt.

5. De beoordeling.

5.1 Ter beoordeling is de vraag of de notarissen zich schuldig hebben gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wet op het notarisambt gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notaris behoren te betrachten ten opzichte van klaagster, dan wel of zij zich schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat een notaris niet betaamt, een en ander als bedoeld in artikel 98 van de Wet op het notarisambt.

5.2 De klachtonderdelen 1, 2 en 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling, aangezien deze onderdelen zien op de formulering van het testament.

Door te motiveren en uit te leggen welke de gang van zaken is geweest met betrekking tot het tot stand komen en formuleren van de inhoud van het testament, waarbij de kamer tevens het oog heeft op het door de notarissen vermelde renvooi, hebben de notarissen de standpunten van klaagster voldoende gemotiveerd weerlegd en hiermee tevens aangegeven dat klaagster haar verwijten heeft gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. De kamer merkt nog op dat de notarissen voldoende hebben onderzocht en met erflater hebben besproken hoe de financiële situatie met betrekking tot de echtelijke woning in elkaar stak. Daarbij verdient in dit verband nog aandacht dat het testament tot stand is gekomen, nadat de erflater de echtelijke woning had verlaten. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de bedoeling van erflater – conform zijn wensen – in het testament zijn weergegeven.

Deze onderdelen van de klacht zijn dan ook ongegrond.

5.3 Klachtonderdeel 4.

Met de notarissen is de kamer van oordeel dat zij de vraag van klaagster genuanceerd en afdoende hebben beantwoord. Bovendien waren de brieven van de notarissen hierover duidelijk. De kamer voegt hieraan toe dat, als bij klaagster desondanks nog vragen hadden geleefd, zij de uitnodiging van de notarissen om het een en ander mondeling toe te lichten, niet naast zich neer had moeten leggen.

Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.4 Klachtonderdeel 5.

Nu notaris [2] onbetwist heeft gesteld dat hij in het belang van de erfgenamen heeft gehandeld en voorts gemotiveerd heeft betwist dat door zijn toedoen de afgifte van het legaat is vertraagd, dient ook dit klachtonderdeel te worden afgewezen.

5.5 Klachtonderdeel 6.

De notarissen hebben gesteld dat het uitkeren van de rente aan klaagster in overeenstemming was met een afspraak tussen de erfgenamen en klaagster en dat zij door aldus te handelen geenszins onzorgvuldig zijn opgetreden jegens klaagster.

Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de handelwijze van de notarissen onzorgvuldig jegens klaagster kan zijn, zodat de klacht moet worden afgewezen.

5.6 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6. BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en Kandidaat-Notarissen te Haarlem:

- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Deze beschikking is op 9 december 2008 gegeven door mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter, mrs. C.M. Lambregtse, C. Wisse, N. Vanderveen en C.J. Baas leden in tegenwoordigheid van de secretaris mr. Y.H. L’Hoir.