Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1397

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200.030.885/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Notaris niet in gebreke gebleven betreffende het achterhouden van informatie. Klacht gegrond met betrekking tot de afgifte van een kopie van het testament aan een collega-notaris. Notarieel gebruik in de praktijk aanleiding om thans geen maatregel op te leggen. Vernietiging beslissing van de kamer. Gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Gedeeltelijke gegrondverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010, 5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 8 september 2009 in de zaak onder nummer 200.030.885/01 NOT van:

[klaagster],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

t e g e n

MR. [notaris],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 16 april 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Rotterdam, verder de kamer, van 12 maart 2009, verzonden 6 april 2009, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, hierna de notaris, niet ontvankelijk is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 14 mei 2009 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 juli 2009. Klaagster alsmede de notaris zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, klaagster aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt zodat het hof zal uitgaan van de door de kamer vastgestelde feiten.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat het op 22 april 2002 gepasseerde testament van [de heer], de vader van klaagster en de eveneens op 22 april 2002 gepasseerde akte houdende “metterwoon”overeenkomst”, verder de overeenkomst, bij de voorbereiding waarvan de notaris betrokken was, onder verdachte omstandigheden zijn ontstaan en ondertekend. In dat verband heeft klaagster erop gewezen dat haar vader op 22 april 2002 niet in staat was zijn handelingen te overzien. Voor de notaris moet waarneembaar zijn geweest dat de vader van klaagster onbekwaam was.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij informatie heeft achtergehouden waardoor klaagster wordt belemmerd in het voeren van gerechtelijke procedures.

4.3. Ten slotte verwijt klaagster de notaris dat hij het testament aan twee notariskantoren heeft verzonden, die daarom hadden verzocht.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klaagster betwist en verweert zich als volgt.

5.2. Voorafgaand aan het passeren van het testament en het opstellen van de overeenkomst, is de vader van klaagster op 18 december 2001 voor overleg te dier zake op het kantoor van de notaris verschenen. Daarna hebben de vader van klaagster en de notaris nog enkele malen telefonisch contact gehad. Op 7 januari 2002 zijn de concepten verstuurd. Blijkens het dossier is er op 6 maart 2002 telefonisch overleg geweest alvorens op 22 april 2002 tot passeren van het testament - buiten aanwezigheid van de partner van de vader van klaagster – en het tekenen van de overeenkomst over te gaan. De vader van klaagster is toen uitvoerig voorgelicht door de kantoorgenoot van de notaris, mr. [notaris 2]. Ten slotte wijst de notaris er in dit verband nog op dat de vader van klaagster al decennia cliënt was van het kantoor van de notaris.

5.3. Ten aanzien van het klachtonderdeel betreffende het verstrekken van een kopie van het testament aan andere notarissen, heeft de notaris naar voren gebracht dat het gebruikelijk is binnen het notariaat om een kopie te verstrekken aan een notaris die daar om vraagt. De betreffende notaris is immers ook gebonden door het beroepsgeheim.

6. De ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht voor zover die betrekking heeft op

het tot stand komen en ondertekenen van het testament en de overeenkomst onder verdachte omstandigheden

6.1. Artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt:

“12. Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.”

De klacht van klaagster is op 26 januari 2009 bij de kamer binnengekomen. Klaagster was al in de periode mei/juni 2002 op de hoogte van de inhoud van het testament en de overeenkomst. Dat betekent dat de klacht niet binnen de in artikel 99 lid 12 Wna genoemde termijn is ingediend. Dat brengt mee dat klaagster in deze klacht niet kan worden ontvangen.

7. De beoordeling van de overige klachten.

7.1. Ten aanzien van de klacht betreffende het achterhouden van de benodigde informatie aan klaagster door de notaris wordt geoordeeld dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de notaris dienaangaande in gebreke is gebleven. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

7.2. Met betrekking tot de klacht betreffende het versturen van kopieën van het testament van de vader van klaagster aan twee andere notarissen die daarom hadden verzocht overweegt het hof dat uit de verklaring van de notaris ter zitting is gebleken dat een van de twee door klaagster bedoelde notarissen de notaris van klaagster was die van haar het verzoek had gekregen om het testament te beoordelen. Klaagster was krachtens artikel 49 Wna als erfgename gerechtigd een afschrift van het testament te ontvangen en de notaris was derhalve bevoegd tot het afgeven van een kopie van het testament aan zijn collega ten behoeve van klaagster. De andere notaris aan wie de notaris een kopie van het testament heeft afgegeven behartigde echter de belangen van de partner van de vader van klaagster, aan wie de notaris krachtens artikel 49 Wna geen afschrift kon afgeven. Nu de notaris geen kopie mocht afgeven aan de partner van de vader van klaagster kon hij ook geen kopie afgeven aan degene die haar belangen behartigde, ook al is hij een collega-notaris.

Het hof verwerpt het verweer van de notaris dat hij zijn collega een kopie van het testament kon verschaffen omdat deze op zijn beurt gebonden is aan het beroepsgeheim. De collega trad immers niet op als notaris, maar als opdrachtnemer van een persoon aan wie de notaris krachtens artikel 49 Wna geen afschrift kon afgeven.

De klacht is dan ook gegrond met betrekking tot de afgifte van een kopie van het testament aan de tweede hierboven bedoelde collega-notaris.

Het hof vindt in de omstandigheid dat het in de praktijk niet ongebruikelijk schijnt te zijn dat een notaris afschiften of kopieën van testamenten afgeeft aan collegae zonder zich ervan te vergewissen voor welk doel deze worden verzocht aanleiding om thans geen maatregel op te leggen.

7.3. Aangezien het hof tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

7.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

7.5. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing, en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart klaagster niet ontvankelijk in klachtonderdeel 4.1.;

- verklaart het klachtonderdeel 4.2. ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel 4.3. gegrond, zonder oplegging van een maatregel aan de notaris.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, A.Bockwinkel en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 8 september 2009 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam

Reg.nr. 02/09

Beslissing op een klacht als bedoeld in artikel 99 van de Wet op het notarisambt van:

[naam]

wonende te [plaats]

en

[naam]

wonende te [plaats]

hierna te noemen klagers,

- tegen -

mr. [naam],

notaris te [plaats],

hierna te noemen de notaris.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De Kamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift met bijlagen d.d. 22 januari 2009; en

- het verweerschrift d.d. 5 februari 2009.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden tijdens de vergadering van de Kamer op 12 maart 2009. Daarbij zijn zowel klagers, als de notaris, samen met oud-notaris mr. [naam], verschenen. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht, waarbij de Kamer allereerst de ontvankelijkheidsvraag heeft beantwoord. De uitspraak is na onderbreking van de mondelinge behandeling mondeling gedaan en later op schrift gesteld.

2. De feiten

De Kamer gaat uit van de navolgende feiten:

2.1

Op 5 oktober 2003 is de vader van klagers, de heer [X], overleden.

2.2

De vader van klagers heeft op 22 april 2002 een testament laten opmaken en passeren ten gunste van mevrouw [Y]. Tevens heeft hij op 22 april 2002 een overeenkomst opgesteld waarbij een nadere invulling is gegeven aan het begrip ‘metterwoon verlaten’, dit ten gunste van mevrouw [Y].

2.3

Klager sub 2 heeft het testament en de overeenkomst in mei/juni 2002 ontvangen van zijn vader.

2.4

Klagers zijn met hun vader in juni en juli 2002 bij een andere notaris geweest, maar deze wilde niet meewerken aan het tot stand komen van een testament gelet op de geestelijke gezondheidstoestand van hun vader.

2.5

In augustus 2002 is dhr. [X] onder curatele gesteld in verband met zijn geestelijke gezondheidstoestand, met benoeming van klager sub 2 als curator.

3. De klacht

3.1

Klagers zijn van mening dat de op 22 april 2002 getekende akten onder verdachte omstandigheden zijn ontstaan en ondertekend gelet op de onbekwaamheid van hun vader, die voor de notaris waarneembaar is geweest.

4. Standpunt van de notaris

4.1

De notaris voert gemotiveerd verweer.

5. De beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht

5.1

Een klacht kan op grond van artikel 99 lid 12 Wna worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gewraakte handelen of nalaten. Volgens vaste jurisprudentie van de notariskamer van het gerechtshof te Amsterdam is voor de aanvang van deze termijn doorslaggevend wanneer de klager van het handelen of nalaten van de notaris kennis heeft genomen en niet wanneer hij tot de conclusie is gekomen dat dit handelen of nalaten onjuist is. Blijkens de toelichting van de staatssecretaris bij de invoering van deze bepaling wordt een termijn van drie jaar redelijk geacht, omdat door het karakter van de klachtprocedure elke klager deze zelf zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, en omdat de notaris niet in lengte van dagen moet kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk zijn vast te stellen [Kamerstukken II, 23 706, nr. 12, p. 46-47].

5.2

In de omstandigheden van dit geval ligt blijkens de feiten zoals vermeld onder 2 reeds in 2002 het moment waarop klagers van het handelen of nalaten van de notaris kennis hebben genomen zoals onder 5.1 bedoeld. De klacht is bij de Kamer binnengekomen op 26 januari 2009, derhalve na het verstrijken van de vervaltermijn van drie jaren. De Kamer is daarom van oordeel dat klagers niet kunnen worden ontvangen in hun klacht.

6. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam,

verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W. van Veen, A.G. Scheele-Mülder, R. van der Galiën, J.H.J. Preller en R.G.M. Gores in tegenwoordigheid van de secretaris, E.J. van Beuzekom.

Uitgesproken ter openbare vergadering op 12 maart 2009.

De secretaris, De voorzitter,

E.J. van Beuzekom W. van Veen

Deze beslissing is verzonden op:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.