Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1076

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
200.030.830-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldsanering. Afwijzing toelating. Binnen tien jaar na beëindiging van de vorige op appellante van toepassing geweest zijnde schuldsaneringsregeling heeft zij wederom toelating verzocht. Artikel 288 lid 2 sub d Fw. bevat een imperatieve afwijzingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 7 juli 2009 in de zaak met zaaknummer 200.030.830/01 van:

Appellante,

wonende te Hoofddorp,

advocaat: mr. P.H. van Dijck te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante is bij per fax op 15 april 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 7 april 2009 met rekestnummer 154239, waarbij het verzoek van appellante tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 23 juni 2009. Bij die behandeling is appellante verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechtbank heeft op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden het verzoek van appellante om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overeenkomstig artikel 288 lid 2 sub d van de Faillissementswet (Fw) afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van appellante eerder de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, namelijk van 11 juni 2001 tot 8 oktober 2004. Aldus staat vast dat het verzoek tot toelating van appellante gelegen is binnen tien jaar na beëindiging van de eerdere schuldsaneringsregeling.

Daarbij komt volgens de rechtbank dat appellante niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van schulden aan de belastingdienst.

2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1 Op appellante is van 11 juni 2001 tot 8 oktober 2004 de schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. Deze eerdere regeling is beëindigd met toekenning van de “schone lei”.

2.2.2 Appellante stelt dat voor haar een uitzondering gemaakt moet worden op de afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub d Fw. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij na de beëindiging van de eerder op haar van toepassing geweest zijnde schuldsaneringsregeling geconfronteerd is met diverse moeilijkheden. Haar werkgever ging failliet en na de geboorte van haar tweede kind raakte appellante in een postnatale depressie. Daarnaast heeft appellante een verminderde concentratie en heeft zij last van borderline problematiek. Door deze omstandigheden verloor appellante, naar eigen zeggen, het overzicht over haar financiën. Omdat zij besefte dat het niet goed met haar ging, heeft zij hulp gezocht. Thans wordt appellante bijgestaan door diverse hulpverleners, zoals Jeugdzorg, GGD, Werk & Zorg en De Geestgronden. Appellante is gemotiveerd haar situatie te verbeteren en wil zich daarvoor inspannen. Zij beroept zich op de redelijkheid en billijkheid en is van mening dat de specifieke omstandigheden van haar geval een uitzondering op de regel rechtvaardigen.

2.3 Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof voorop dat artikel 288 lid 2 sub d Fw. een imperatieve afwijzingsgrond bevat, inhoudende dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is

geweest. Een uitzondering op de regel wordt ingevolge het in genoemd artikellid bepaalde slechts gemaakt indien de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd op grond van artikel 350 derde lid sub a of b Fw of op grond van artikel 350 derde lid sub d Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen. Een en ander is recent bevestigd in de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juni 2009 (LJN: BH 7357), in welke uitspraak ook de wetsgeschiedenis van de onderhavige bepaling is aangehaald.

2.4 Gesteld noch gebleken is dat zich hier één van de drie uitzonderingssituaties voordoet die in de wet worden genoemd. Daarop stuiten de bezwaren af die appellante tegen de beslissing van de rechtbank heeft aangevoerd. Die beslissing moet dan ook worden bekrachtigd.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Bockwinkel, S. Clement en P.J. Duinkerken en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.