Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200.022.333-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitkering tot levensonderhoud van de vrouw; ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening, dat zij voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 827
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 15 september 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.022.333/01 van:

[…],

wonende te […], gemeente […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.J.F.A. Mutsaers te Haarlem,

t e g e n

[…],

wonende te […], gemeente […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.B. Lamme te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 13 januari 2009 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 oktober 2008 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 141739/07-4269 (es) en 144778/08-1178 (vd).

1.3. De vrouw heeft op 9 maart 2009 de stukken die betrekking hebben op de procedure in eerste aanleg ingediend.

1.4. De man heeft op 21 april 2009 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. De vrouw heeft op 17 juni 2009 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 1 juli 2009 ter terechtzitting behandeld, alwaar partijen zijn verschenen, beiden bijgestaan door hun advocaat.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 2002 gehuwd. Hun huwelijk is op 24 februari 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 oktober 2008 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2005.

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1981. Zij vormt met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst. Haar salaris bedraagt € 1.135,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2008 € 14.318,-.

2.4. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1976.

Hij is werkzaam in loondienst van het Korps landelijke politiediensten. Zijn salaris bedraagt € 2.442,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering, een ‘LL toelage algemeen’ van € 24,- bruto per maand, een ‘LL toelage bezw. functie’ van € 58,- bruto per maand en een ‘BT tijdelijke uitkering’ van € 50,- bruto per maand. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2008 € 40.216,-.

Hij bewoont een huurwoning.

Hij betaalt een premie zorgverzekering van € 106,- per maand en de wettelijk vastgestelde bijdragen in verband met de Zorgverzekeringswet.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [de minderjarige].

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald van € 311,85 per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

Deze beschikking is mede gegeven op het verzoek van de man de bijdrage te bepalen op € 133,- per maand.

3.2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking aan te vullen in die zin, dat een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt vastgesteld van € 315,- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, subsidiair, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de alimentatie voor [de minderjarige] vast te stellen met ingang van de dag van inschrijving van het echtscheidingsverzoek in de registers van de burgerlijke stand op € 400,- per maand.

3.3. De man verzoekt het verzoek in hoger beroep van de vrouw af te wijzen als zijnde niet-ontvankelijk, ongegrond en/of onbewezen, alsmede om – zo begrijpt het hof – met vernietiging van de bestreden beschikking te bepalen dat hij ten behoeve van [de minderjarige] een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan de vrouw betaalt van € 215,- per maand dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag vanaf de dag van inschrijving van de echtscheiding in het register van de burgerlijke stand.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel appel

4.1. Het primaire verzoek van de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen van € 315,- per maand, strekt tot het treffen van een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens vaste rechtspraak kunnen verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Niet alleen heeft de man voldoende gelegenheid gehad zich tegen dit verzoek te verweren, hij heeft ook van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het hof volgt derhalve niet de stelling van de man dat de vrouw door het indienen van dit verzoek in strijd handelt met de eisen van een goede procesorde. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar primaire verzoek.

4.2. Partijen strijden over de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud.

Het hof overweegt dat de vrouw behoefte heeft aan een dergelijke uitkering, omdat haar inkomsten zich op of nabij bijstandsniveau bevinden. Anders dan de man stelt, kan niet van de vrouw worden gevergd dat zij extra inkomsten verwerft door meer te gaan werken. Zij heeft immers de zorg voor [de minderjarige], die nog erg jong is.

4.3. De man stelt dat hij niet in staat is enige uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te betalen.

Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht uit van het volgende.

Partijen hebben over en weer stellingen ingenomen ten aanzien van de ontwikkeling van het salaris van de man in 2010. De man heeft gesteld dat zijn salaris zal dalen als gevolg van het vervallen van de onder 2.4 vermelde toelagen, terwijl de vrouw heeft gesteld dat zijn salaris zal stijgen als gevolg van de in de CAO politie overeengekomen loonstijging voor dat jaar. Het hof loopt niet vooruit op toekomstige onzekere gebeurtenissen. Voor de berekening van de draagkracht van de man zal het hof zoals gebruikelijk uitgaan van de jaaropgave over 2008.

De vrouw heeft, in het licht van de betwisting door de man, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man samenwoont met een partner. Het hof zal de man derhalve aanmerken als alleenstaande en ten aanzien van hem de daarbij behorende bijstandsnorm hanteren.

De man heeft betoogd dat hij € 850,- per maand aan kale huur betaalt voor twee kamers met woonoppervlakten van 21 en 15 vierkante meter. Het hof acht deze woonlast onredelijk hoog. De man heeft onvoldoende gesteld om de hoogte van deze woonlast te rechtvaardigen. Hieraan doet niet af de onbestreden verklaring van de man dat hij bij afwezigheid van zijn verhuurster, bij wie hij inwoont, de rest van haar woning mag gebruiken. Het hof zal in redelijkheid, evenals de rechtbank, woonlasten van € 500,- per maand in aanmerking nemen.

Bij de bestreden beschikking is een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de man vastgesteld en is bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening gehouden met € 33,- per maand aan kosten in verband met deze regeling. Het hof zal dit bedrag aan deze omgangskosten eveneens in aanmerking nemen. Gesteld noch gebleken is om welke reden met een hoger bedrag rekening zou moeten worden gehouden.

4.4. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt het hof dat de man voldoende draagkracht heeft om naast de bij de bestreden beschikking bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] het primaire verzoek van de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud van € 315,- per maand te bepalen, toe te wijzen.

4.5. Aangezien het hof niet aan behandeling van het subsidiaire verzoek van de vrouw toekomt, kunnen de stellingen van partijen over de behoefte van [de minderjarige] onbesproken blijven.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 315,- (DRIEHONDERD VIJFTIEN EURO) per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.G. Kleene-Eijk en E.A. Maan in tegenwoordigheid van

mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2009.