Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0747

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
08/01166 t/m 08/01170
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BF0258, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomsten van dading tussen familieleden aangemerkt als bevoordeling uit vrijgevigheid en belast met schenkingsrecht.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 1, geldigheid: 2009-10-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 1731
FutD 2009-2321
V-N 2010/12.23

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01166 tot en met 08/01170

uitspraak 8 oktober 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

1. [X1] te [Y1],

2. [X2] te [Y2],

3. [X3] te [Y2],

4. [X4] te [Y3] en

5. [X5] te [Y4],

belanghebbenden,

gemachtigde mr. E. Bos RA (Oerlemans & Bos fiscalisten),

tegen de uitspraak in de zaken nrs. AWB 07/6341 tot en met 07/6345 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbenden

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbenden zijn met dagtekening 8 juni 2007 aanslagen in het recht van schen¬king opgelegd ten bedrage van telkens € 190.875 (aanslaggroepnummer 3.07.002.01256), naar een verkrijging in het jaar 2000 door ieder van hen van (f 2.000.000) € 907.560 van [A] (hierna: de aanslagen).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken gedagtekend 17 augustus 2007 de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 9 september 2008 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) de beroepen ongegrond verklaard.

1.4. Van de uitspraak van de rechtbank zijn belanghebbenden op 22 oktober 2008 in hoger beroep gekomen bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De griffier van het Hof heeft het proces-verbaal van de zitting met getuigenverhoor van de rechtbank aan partijen toegezonden op 14 april 2009.

De mondelinge behandeling van de zaken in hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 april 2009. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbenden zijn aangeduid als ‘eisers’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“2.1.1. Op 26 oktober 1993 is het voortdurend recht van erfpacht:

- op de grond te [Y2] met de zich daarop bevindende opstallen, zijnde 20 percelen aan de [C]laan Nos 25 t/m 39, de [W]straat Nos 23 t/m 37 en het [M]plein Nos 20 t/m 52;

- op de grond te [Y2] met de zich daarop bevindende opstallen, zijnde 18 percelen aan de [C]laan Nos 1 t/m 23, het [V]plein Nos 46 t/m 52, de [D]straat Nos 2a t/m 16 en het [M]plein Nos 2 t/m 18;

- op de grond te [Y2] met de zich daarop bevindende opstallen, zijnde 18 percelen aan de [R]laan Nos 2 t/m 32, het [V]plein Nos 37 t/m 43, de [D]straat Nos 1a t/m 15 en het [M]plein Nos 1 t/m 17;

- op de grond te [Y2] met de zich daarop bevindende opstallen, zijnde 20 percelen aan de [R]laan Nos 34 t/m 62, de [W]straat Nos 39 t/m 53 en het [M]plein Nos 19 t/m 51;

- op de grond te [Y2] met de zich daarop bevindende opstallen, zijnde 2 percelen aan het [V]plein Nos 45 en 47/[D]straat Nos 1 en 2;

- van enige perceeltjes grond te [Y2] aan de [D]straat en het [V]plein (alles tezamen aangeduid als: het [B]complex),

voor een bedrag van ƒ 22.000.000 (€ 9.983.165) gekocht door [A] (verder ook aan te duiden als: de vader) (voor 41%), [C] B.V. (9%) en eisers (verder ook aan te duiden als: de kinderen) voor ieder 10%. [A] is daarbij opgetreden als lasthebber voor eisers.

2.1.2. Het koopcontract is mede-ondertekend door [H] voor wie blijkens het koopcontract de leveringsakte op 1 juli 1994 zou worden verleden. In het koopcontract wordt verwezen naar bijlagen A en B. In laatstbedoelde bijlage is als artikel 13, achtste lid, vermeld voor zover hier van belang dat de kopers op 1 juli 1994 de economische eigendom van het gekochte zullen verwerven en dat de juridische eigendom op een nader door partijen overeen te komen tijdstip zal worden geleverd.

2.2. Bij akte “regeling mede-eigendom” van 26 oktober 1993, verleden voor [H] voornoemd, zijn [A], handelend voor zich (als partij sub I) en als lasthebber van eisers (partij sub II), naar aanleiding van de aankoop van het [B]complex het volgende - voor zover hier van belang - overeengekomen:

“De koopsom zal worden gefinancierd deels uit eigen middelen en deels door middel van een hypothecaire lening.

(...)

Exploitatie:

Artikel 1:

a. Partijen zullen de exploitatie van gemelde panden steeds voor gezamenlijke rekening voeren.

(...)

Niet vervreemding:

Artikel 2:

Partijen zullen hun aandeel in de mede-eigendom gedurende vijf jaar, gerekend vanaf één juli negentienhonderd vier en negentig niet kunnen vervreemden aan anderen dan de mede-deelgenoten, onder welke titel ook zulks op straffe van een direct opeisbare boete ten behoeve van de andere partijen te weten een boete van tienmiljoen gulden (ƒ 10.000.000,--) ten laste van partij sub I ten bate van de andere partijen en een boete van tweemiljoen gulden (ƒ 2.000.000,--) ten laste van één der partijen sub II eveneens ten behoeve van de andere partijen, onverminderd de bevoegdheid tot het vorderen van schadevergoeding, één en ander binnen de grenzen van de wet.”

2.3. Op 12 juli 1994 wordt een akte houdende optieverlening aan dochters tussen [A], handelend voor zich (als partij sub I) en eisers (partij sub II) opgemaakt. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“in aanmerking nemende:

(...)

- dat partijen bij nader inzien hebben besloten dat partij sub I voorlopig alleen de exploitatie van het complex voor eigen rekening zal voeren dan wel en/of via rekening van de één van de vennootschappen waarvan partij sub I enig aandeelhouder is;

- dat partij sub II in ruil voor het doen van afstand van het recht om te participeren in het [B]complex een optie wensen op aandelen van de [E] III B.V. (i.o.), welke vennootschap volgens de huidige plannen de eigendom van het complex en de exploitatie daarvan over enige jaren van partij sub I zal overnemen.

verklaren overeen te komen:

Partijen ontbinden de overeenkomst van 26 oktober 1993, waartegenover partij sub I aan ieder van de ondergetekenden behorende tot partij sub II toekent een optie tot het verwerven van aandelen of certificaten in gemelde vennootschap [E] III B.V., gemelde optie kan worden uitgevoerd onder de navolgende voorwaarden:

- de optiegerechtigden kunnen ieder individueel beslissen van gemelde optie gebruik te maken;

- de optie geldt voor maximaal 7% van het per de datum van uitoefening van de optie uitstaand geplaatst nominaal aandelenkapitaal;

- beneden gemelde maximum is iedere optie-gerechtigde vrij te bepalen hoeveel aandelen c.q. certificaten hij wenst;

- de optie kan worden uitgeoefend binnen 1 jaar nadat gemelde vennootschap de eigendom van het [B]complex verworven heeft;

- de optieprijs is gelijk aan de nominale waarde van de aandelen;

- het recht de optie uit te oefenen is hoogst persoonlijk en kan niet worden overgedragen en zal evenmin kunnen vererven of in een gemeenschap worden ingebracht.”

2.4. Op 1 augustus 1994 is het [B]complex bij notariële akte in economische eigendom overgedragen aan [A].

2.5. [E] III BV is op 4 november 1994 opgericht.

2.6. Tot de gedingstukken behoort een koopakte, getekend op 1 september 2000. Blijkens deze koopakte heeft [A] het [B]complex verkocht voor ƒ 137.750.000 (€ 62.508.225) aan [M] B.V. De leveringsakte zal uiterlijk worden verleden op 2 oktober 2000.

2.7. Tot de gedingstukken behoren dadingsovereenkomsten welke zijn gesloten tussen de vader en ieder van de kinderen. Deze overeenkomsten zijn getekend op verschillende data in november 2000. In de overeenkomst is de vader als Partij I aangeduid en het desbetreffende kind als Partij II. Voor zover van belang is opgenomen:

“In aanmerking nemende dat Partij I met Partij II bij akte houdende regeling mede eigendom op 26 oktober 1993 (...) een overeenkomst zijn aangegaan met betrekking tot de aankoop van het [B]complex te [Y2], welke overeenkomst is ontbonden en is vervangen door een optie tot het verwerven van aandelen of certificaten in [E] III B.V. (i.o.) zulks blijkens onderhandse akte van optieverlening de dato 12 juli 1994;

dat deze optieverlening nimmer effect heeft gehad doordat Partij I niet tot oprichting van [E] III B.V. is overgegaan;

dat Partij II derhalve heeft gedwaald bij de ontbinding van voormelde akte van regeling mede eigendom en vervanging daarvan door voormelde optie.

Verklaren bij wijze van dading overeen te komen als volgt:

Partij I betaalt aan Partij II een bedrag van tweemiljoen gulden (...) in contanten waartegenover Partij II bij deze jegens Partij I verklaart niets meer te vorderen te hebben van Partij I terzake van voormelde akten regeling mede eigendom en optieverlening.”

2.8. Tot de gedingstukken behoort een aan [A] gerichte “nota van afrekening” van 13 december 2000 van [O], het kantoor waar [H] voornoemd werkzaam was. In deze nota is, voor zover van belang, opgenomen:

“Inzake: Levering [W] te [Y2]

Te betalen Te ontvangen

Koopsom onroerend goed ƒ 137.425.000,00

Betaling aan [X2]

(...) ƒ 2.000.000,00

Betaling aan [X1]

(...) ƒ 2.000.000,00

Betaling aan [X3]

(...) ƒ 2.000.000,00

Betaling aan [X5]

(…) ƒ 2.000.000,00

Betaling aan [X4]

(...) ƒ 2.000.000,00”

2.9. Bij brieven van 19 februari 2007 en 8 juni 2007 heeft verweerder de gemachtigde van eisers meegedeeld van mening te zijn dat er geen schade is geleden door de kinderen door de gang van zaken als hiervoor weergegeven, zodat de betalingen van een bedrag van € 907.560 aan ieder kind dienen te worden aangemerkt als even zovele belaste schenkingen. Op 8 juni 2007 worden voorts de onderhavige aanslagen schenkingsrecht opgelegd.

2.10. In het kader van de behandeling van de bezwaren van eisers heeft op 9 juli 2007 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij namens eisers hun gemachtigde aanwezig is geweest en waarvan een verslag is opgemaakt. Bij brief van 10 juli 2007 heeft de gemachtigde van eisers zijns inziens nodige toevoegingen dan wel correcties op dit verslag aan verweerder gestuurd.”

Over deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

2.2. Het Hof voegt hieraan nog toe:

2.2.1. Drie belanghebbenden zijn dochter van [A], twee zijn dochter uit een eerder huwelijk van zijn toenmalige echtgenote.

2.2.2. [A] heeft het onderhoud aan het [B]complex op basis van artikel 1, onderdeel d, van de akte “regeling mede-eigendom” doen uitvoeren door derden. Deze akte maakt geen melding van enige betrokkenheid van [C] BV.

3. De procedure voor de rechtbank

3.1. Voor de rechtbank was in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur belanghebbenden de aanslagen terecht heeft opgelegd met als onderliggend geschilpunt of de betalingen in december 2000 van f 2.000.000 aan ieder van de belanghebbenden moeten worden aangemerkt als schenkingen, welke vraag door belanghebbenden ontken¬nend en door de inspecteur bevestigend is beantwoord.

3.2. De rechtbank heeft omtrent het geschil het navolgende overwogen:

“4.2. Voor het antwoord op de vraag of de betaling aan eisers in december 2000 moet worden aangemerkt als een schenking, moet worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een materiële schenking, zoals ontwikkeld in doctrine en jurisprudentie met betrekking tot voornoemde artikelen, te weten verarming van de schenker, verrijking van de begiftigde en vrijgevigheid (de bedoeling om een ander te bevoordelen).

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat tengevolge van de dadingsovereenkomsten de vader is verarmd en dat eisers zijn verrijkt. Uit de onder 2. geschetste feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank voorts af dat de vader de bedoeling had de kinderen te bevoordelen met de betaling van ƒ 2.000.000 ieder. Zij overweegt hiertoe als hierna volgend.

4.4. De stelling van eisers dat de kinderen geen afstand hebben gedaan van hun recht op participatie in het [B]complex en dat zij dientengevolge schade hebben geleden en recht op schadevergoeding jegens de vader hebben, volgt de rechtbank niet. Uit de onder 2.3. genoemde akte van 12 juli 1994 volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de vader en de kinderen hebben besloten dat de vader (voorlopig) alleen de exploitatie van het [B]complex voor eigen rekening zal voeren en de kinderen onvoorwaardelijk afstand doen van het recht om (rechtstreeks) te participeren in het [B]complex. Aan de door de kinderen daarvoor in ruil verkregen optie op aandelen in de nog op richten [E] III B.V. (i.o.) kan geen waarde worden toegekend nu er in deze overeenkomst noch anderszins concrete afspraken zijn gemaakt over het moment dat de op te richten vennootschap het [B]complex zou verwerven en voor welke prijs het [B]complex zou worden verworven. De enkele bepalingen in de overeenkomst dat “de vennootschap volgens de huidige plannen de eigendom van het complex en de exploitatie daarvan over enige jaren van partij sub 1 zal overnemen” is daartoe onvoldoende. Niet valt dan ook in te zien dat er uit dien hoofde sprake is van schade van de kinderen en van een recht op schadevergoeding voor de kinderen jegens de vader op het moment dat de vader het [B]complex verkoopt in 2000.

4.5. Ook uit de omstandigheid dat de vader en de kinderen ooit de bedoeling hebben gehad gezamenlijk in het [B]complex te investeren, welke bedoeling kan worden afgeleid uit het onder 2.1. genoemde koopcontract en de onder 2.2. opgenomen regeling mede-eigendom, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de vader jegens de kinderen een juridisch afdwingbare of andere verplichting om te delen in een eventueel verkoopresultaat van het [B]complex op zich heeft genomen.

4.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de vader de bedragen heeft betaald uit menselijke overwegingen en emotie, zonder dat hij daartoe juridisch of maatschappelijk gezien was gehouden. De vader heeft dus kennelijk de wil gehad om eisers te bevoordelen. Hetgeen voorts nog ter zitting door de getuige [H] en door de gemachtigde van eisers ter nadere toelichting op de gang van zaken is opgemerkt, doet daar niet aan af.”

4. Het geschil in hoger beroep

4.1. In hoger beroep is evenals voor de rechtbank in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur belanghebbenden de aanslagen terecht heeft opgelegd met als onderliggend geschilpunt of de vijf betalingen in december 2000 van elk f 2.000.000 (€ 907.650) aan ieder van belanghebbenden moeten worden aangemerkt als evenzovele schenkingen door [A], welke vraag de inspecteur bevestigend en belanghebbenden ontkennend beantwoorden.

4.1.1. Belanghebbenden zijn van opvatting dat [A] ten gevolge van de uitvoering van de dadingsovereenkomsten niet is verarmd, en zijzelf niet zijn verrijkt. Door de dadingsovereenkomsten is expliciet gemaakt wat al impliciet was. Door de koopovereenkomst van 26 oktober 1993, waarbij belanghebbenden partij waren, hadden belanghebbenden een concreet recht op een belang in het [B]complex. Belanghebbenden veronderstelden dat recht via de optierechten op aandelen [E] III ook te hebben, gegeven de toezegging van [A] dat hij het [B]complex zou overdragen aan [E] III. Feitelijk heeft [A] jegens belanghebbenden in strijd gehandeld met deze toezegging door het [B]complex niet aan [E] III over te dragen en in privé te houden. In een relatie waarbij niet tevens een familieband had bestaan, zou met een beroep op die toezegging, nakoming zijn gevorderd. Door dat niet te doen, maar te wachten totdat vaststond dat er een (aanzienlijk) voordeel was behaald en eerst op dat moment de oude toezegging in herinnering te roepen, hebben belanghebbenden hun rechten (enigermate) te gelde gemaakt. Belanghebbenden zijn op dat moment niet verrijkt, doch hebben de waarde (althans ten dele) van hun aanspraken om te participeren in het [B]complex gerealiseerd.

Voorts is het, aldus belanghebbenden, evident dat zij een (aandeel in een) enorme waardestijging waren misgelopen vanwege het feit dat hun vader zich niet had gehouden aan de toezegging om het [B]complex aan [E] III over te dragen. Elke willekeurige derde zou hiertegen hebben geopponeerd. Het handelen of nalaten in strijd met de goede trouw onderscheidenlijk in strijd met de gedane toezeggingen biedt een deugdelijke basis voor een in te stellen vordering. In casu valt zeker niet uit te sluiten, met name gezien de hoogte van de bij verkoop gerealiseerde winst, dat de waarde van de aanspraak van belanghebbenden nog wezenlijk groter was gebleken dan de bij dading bepaalde twee miljoen gulden. Partijen hebben echter ingestemd met dit bedrag omdat belanghebbenden gedurende de eigendomsperiode de facto geen risico hebben gelopen ten aanzien van het [B]complex. Evenmin hebben zij een financierings¬beslag ondervonden. Het belangrijkste argument om geen procedure te voeren lag in de familiesfeer. Door anders te veronderstellen is het door de rechtbank gegeven oordeel onjuist. Van een bevoordeling of een bevoordelingsbedoeling is geen sprake geweest.

4.1.2. De inspecteur is van opvatting dat de optierechten ten hoogste de nominale waarde van de onderliggende aandelen vertegenwoordigden. Bij het daadwerkelijk verkrijgen van de aandelen in het geval dat [E] III de eigendom van het [B]complex zou hebben verworven, zou aan de optierechten onderscheidenlijk aan de aandelen geen bovennominale waarde toegerekend kunnen worden. [E] III zou het [B]complex immers hebben moeten verwerven tegen de waarde in het economische verkeer. Voorts is de eigendom in het [B]complex op het moment van het aangaan van de optieovereenkomst niets waard, omdat de eigendom nog moest worden geleverd. [E] III is weliswaar tot stand gekomen, maar aan de voorwaarde van de verwerving van het [B]complex door [E] III is nimmer voldaan. De totstandkoming van de bedragen in de dadingovereenkomsten is de inspecteur volstrekt onduidelijk. Er is sprake van een belaste schenking.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe hebben aange¬voerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

4.3. Belanghebbenden hebben geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de aanslagen.

4.4. De inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) (tekst 2000), wordt voor de toepassing van de Wet onder schenking onder meer verstaan elke bevoordeling uit vrijgevigheid.

5.2. [A], [C] BV en belanghebbenden hebben het [B]complex bij akte van 26 oktober 1993 gekocht. De economische eigendom zou (aldus de akte regeling mede-eigendom) op 1 juli 1994 geleverd worden aan [A] en belanghebbenden, aan laatstgenoemden ieder voor 10%.

5.3. Bij de akte houdende optieverlening van 12 juli 1994 hebben belanghebbenden afstand gedaan van hun recht op levering van de economische mede-eigendom in het [B]complex en hebben zij optierechten op aandelen [E] III verkregen, welke vennootschap, opgericht op 4 november 1994, de eigendom van het [B]complex zou gaan verkrijgen. Met de opties hebben belanghebbenden het recht verkregen om de aandelen gedurende de uitoefenperiode van één jaar vanaf het moment waarop [E] III de eigendom van het [B]complex zou verwerven, te kopen tegen de uitoefenprijs. Blijkens de voorwaarden van de akte houdende optieverlening is de uitoefenprijs gelijk aan de nominale waarde van de aandelen in [E] III.

5.4. Op 1 augustus 1994 heeft [A] de volledige economische eigendom van het [B]complex verkregen en is hij overgegaan tot exploitatie van dit complex zonder betrokkenheid van belanghebbenden. [E] III heeft nimmer de eigendom van het [B]complex verworven.

Op 1 september 2000 heeft [A] het [B]complex aan een derde, [M] BV, verkocht voor ƒ 137.750.000 (€ 62.508.225).

Belanghebbenden hebben geen stuk overgelegd waaruit valt op te maken dat zij op enig moment wensten dat [E] III over zou gaan tot verwerving van het [B]complex, dat zij enig daadwerkelijk belang wilden hebben in [E] III, dan wel dat zij anderszins enig recht wilden doen gelden jegens [A] in verband met het feit dat laatstgenoemde de gehele economische eigendom had verkregen van het [B]complex en dit complex had vervreemd aan een derde.

5.5. Nu belanghebbenden geen daadwerkelijke tegenprestatie hebben verricht voor het verwerven van een aandeel in het [B]complex, nu zij evenmin een tegenprestatie hebben verricht ter verkrijging van enig belang bij de aandelen [E] III en niet aannemelijk is geworden dat zij in dit kader op enig moment enig recht jegens [A] wilden doen gelden, acht het Hof het niet aannemelijk dat tussen belanghebbenden en [A] een geschil bestond met betrekking tot de in dezen rechtens tussen hen geldende verplichtingen, in casu met name over enige verplichting voor [A] tot financiële compensatie op grond van de optieverlening van 12 juli 1994. Naar het oordeel van het Hof was er dan ook geen reden op grond waarvan [A] zich rechtens gedrongen zou kunnen voelen met ieder van de vijf belanghebbenden bij wijze van dading overeen te komen hen een bedrag in contanten uit te keren van f 2.000.000.

5.6. Gelet op de familierelatie met belanghebbenden, vijf dochters, acht het Hof dan ook aannemelijk dat [A] uit vrijgevigheid deze overeenkomsten van dading met hen heeft gesloten en hen heeft willen bevoordelen met het aan de dochters uitgekeerde bedrag en dat deze dochters zich van deze vrijgevigheid bewust waren.

Naar het oordeel van het Hof zijn de in december 2000 opgestelde overeenkomsten van dading en de daarop volgende stortingen van f 2.000.000 dan ook aan te merken als een bevoordeling uit vrijgevigheid en derhalve als een schenking als omschreven in overweging 5.1.

Slotsom

5.7. De slotsom is dat de rechtbank het beroep van belanghebbenden terecht ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, W.M.G. Visser en I.J.F.A. van Vijfeijken, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland als griffier. De beslissing is op 8 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.