Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0348

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
23-000722-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gang van zaken rechtsbijstand bij politieverhoor, Salduz en vormverzuim. Straftoemeting Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000722-08

datum uitspraak: 29 september 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 4 februari 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-634137-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 20 december 1964,

adres: [adres], [woonplaats],

thans verblijvende in[detentieadres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 en 21 januari 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 7, 8, 10, 14 en 15 september 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Beoordeling van gevoerde verweren

Ten aanzien van het gevoerde “Salduz-verweer”

De raadsman heeft bepleit - met verwijzing naar “Salduz-jurisprudentie”- dat de processen-verbaal, houdende de verklaringen van de verdachte, voor zover deze door hem zijn afgelegd voordat hij door zijn (huidige) raadsman is bezocht, door het hof van de bewijslevering worden uitgesloten. De raadsman heeft voorts betoogd dat de verdachte geen afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatie van een raadsman voor het eerste verhoor. Volgens de raadsman had nog voor het eerste verhoor een andere procespositie gekozen kunnen worden, maar was dat nadat de verdachte al een verklaring had afgelegd, niet meer mogelijk, zodat de verdachte om die reden noodgedwongen is voortgegaan met het afleggen van een verklaring.

Dat bewijsuitsluiting in het onderhavige geval is aangewezen –zo begrijpt het hof de raadsman- volgt bovendien uit hetgeen omtrent de persoon van de verdachte is gebleken. Op grond van over zijn persoon door een psycholoog en de reclassering uitgebrachte rapportage moet worden aangenomen dat de verdachte als een zwakbegaafd en kwetsbaar persoon heeft te gelden, terwijl hij ten tijde van zijn verhoren in een slechte lichamelijke toestand verkeerde, aldus steeds -zakelijk weergegeven - de raadsman.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) waarborgt - voor zover hier van belang - het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (inzake Salduz tegen Turkije) is de omvang van dat recht nader omlijnd, in die zin dat het recht op een eerlijke behandeling zich uitstrekt tot het recht op rechtsbijstand tijdens het opsporingsonderzoek. Het EHRM heeft immers overwogen dat het gebruik van verklaringen afgelegd gedurende het politieonderzoek inbreuk kan maken op het recht op een eerlijk proces, indien de verdachte voorafgaand aan het afleggen van die verklaringen geen toegang heeft gehad tot een raadsman. Op 30 juni 2009 is de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse rechtspraktijk door de Hoge Raad gepreciseerd (LJN: BH3079). In de kern houdt die laatstbedoelde rechtspraak een stelsel van instructienormen in voor politie en justitie: de aangehouden verdachte dient voorafgaand aan diens eerste verhoor door de politie op zijn consultatierecht gewezen te worden en in beginsel dient aan hem de gelegenheid geboden te worden dat recht te verwezenlijken, nog voordat dat verhoor wordt gehouden.

Nu de door de raadsman bedoelde verhoren van de verdachte hebben plaatsgevonden voordat deze instructienormen in de rechtspraak waren geformuleerd, is daaraan niet voldaan, zodat strikt genomen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof zal te dezen hebben na te gaan of en, zo ja, welke gevolgen aan dat verzuim dienen te worden verbonden.

Uit de stukken in het dossier volgt, dat de verdachte op 11 april 2007 in verzekering is gesteld. Van de toepassing van dit dwangmiddel is de piketcentrale op diezelfde dag de hoogte gebracht.

Op achtereenvolgens 11 april 2007, 12 april 2007 en op 19 april 2007 is hij als verdachte gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Op 13 april 2007 is hij gehoord door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Haarlem.

Blijkens de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal heeft de verdachte op 11 april 2007 en op 12 april 2007 verklaringen afgelegd, in welke verklaringen hij (ook) zichzelf heeft belast. Het op 12 april 2007 gehouden verhoor is gedurende een half uur onderbroken geweest, gedurende welke periode aan de verdachte de gelegenheid is geboden een advocaat te consulteren, welke gelegenheid ook door hem is benut. Na de hervatting van dat onderbroken verhoor is de verdachte voortgegaan met het afleggen van een verklaring. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris op 13 april 2007 heeft de verdachte verklaard: “U bespreekt met mij de vordering tot inbewaringstelling. Eerst wou ik er niks mee te maken hebben maar ik ben onder druk gezet.” Vervolgens heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

In zijn nadien, op 19 april 2007 bij de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaring heeft hij medegedeeld dat hij op 17 april 2007 een advocaat heeft geconsulteerd. Op de daarop volgende vraag van de verbalisanten of de verdachte nog iets wilde wijzigen in de verklaringen die hij op woensdag 11 april en donderdag 12 april had afgelegd, heeft de verdachte “nee”geantwoord. Vervolgens heeft hij zich gedurende het verhoor van 19 april 2007 in overwegende mate beroepen op zijn zwijgrecht.

Het hof stelt vast dat de verdachte ook na de onderbreking van het verhoor op 12 april 2007, waarin hij een raadsman heeft geraadpleegd, is voortgegaan met het afleggen van een verklaring. Het hof stelt vast dat ook na de evenbedoelde onderbreking de verdachte (ook) zichzelf heeft belast, terwijl gesteld noch is gebleken dat hij wenste terug te komen op de inhoud van hetgeen door hem vóór die onderbreking, of op 11 april 2007, is verklaard. Uit zijn verhoor bij de rechter-commissaris blijkt evenmin dat de verdachte wijziging wenste aan te brengen in die eerder afgelegde verklaringen.

Dat het niet meer mogelijk was een andere procespositie te kiezen voor de verdachte nadat hij al een verklaring had afgelegd, zoals de raadsman heeft betoogd, is niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft immers na consultatie van een raadsman zijn eerdere verklaring nog uitgebreid en aangevuld in voor hem en anderen belastende zin. Voorts heeft hij zijn proceshouding wel degelijk gewijzigd na consultatie van zijn huidige raadsman, door zich bij de rechter-commissaris en in de verhoren daarna alsnog in overwegende mate op zijn zwijgrecht te beroepen. Bovendien is niet eerder door of namens de verdachte aangevoerd dat hij zich op grond van zijn eerdere verklaringen gedwongen heeft gevoeld voort te gaan met verklaren, hetgeen - bijvoorbeeld bij gelegenheid van het verhoor door de rechter-commissaris in het bijzijn van de raadsman - wel in de rede had gelegen indien daarvan sprake was geweest.

Op grond van de hiervoor weergegeven gang van zaken neemt het hof aan dat de verdachte zijn verklaringen in vrijheid heeft afgelegd.

Dit oordeel wordt niet anders wanneer het hof daarbij betrekt hetgeen door de raadsman omtrent de persoon van de verdachte naar voren is gebracht. Ook indien het hof uitgaat van de juistheid van de door de raadsman betrokken stelling, inhoudend dat de verdachte als zijnde kwetsbaar en zwakbegaafd moet worden aangemerkt, brengt de vorenweergegeven gang van zaken op zich niet mee dat de bedoelde verklaringen van de verdachte niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het hof is van oordeel dat behoedzaam dient te worden omgegaan met bekennende verklaringen afgelegd door kwetsbare en/of zwakbegaafde personen. Uit de processen-verbaal van de verhoren van de verdachte bij de Koninklijke Marechaussee, waarin de mededelingen van de zijde van verbalisanten, de gestelde vragen en de gegeven antwoorden telkens apart zijn vermeld, blijkt dat de verdachte op vragen van de verbalisanten steeds uitgebreid antwoord heeft gegeven, waarbij door hem veel feitelijke informatie is verschaft. Niet is gebleken dat de verdachte woorden in de mond zijn gelegd, dat hij op ontoelaatbare wijze in een bepaalde richting is gestuurd of dat sprake is geweest van ongeoorloofde druk gedurende de verhoren. De lange duur van verschillende verhoren maakt dat niet anders, nu uit de processen-verbaal blijkt dat de verhoren verscheidene keren zijn onderbroken.

Het hof heeft bij dit oordeel betrokken de feitelijke gang van zaken tijdens die verhoren, zoals daarvan blijkt uit de inhoud van de ter zake opgemaakte processen-verbaal. Het hof heeft zich bovendien van die gang van zaken nader vergewist door het verhoor als getuigen ter terechtzitting van de bij die verhoren betrokken functionarissen.

Tot slot verdient opmerking, dat door of namens de verdachte niet althans onvoldoende specifiek is benoemd - ook niet ter terechtzittingen in hoger beroep - op welke punten hij op grond van zijn mentale of fysieke conditie niet gehouden mag worden aan de inhoud van de uit zijn mond opgetekende verklaringen. Ook overigens is niet, althans onvoldoende concreet, aangevoerd op welke onderdelen de inhoud van de van de verhoren opgemaakte processen-verbaal een onjuiste weergave behelst van hetgeen door de verdachte is verklaard.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert tot de slotsom dat, bezien in het licht van latere jurisprudentie, sprake is van een verzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof is echter van oordeel dat aan dat verzuim in het onderhavige geval geen gevolgen dienen te worden verbonden, nu de verdachte ook na consultatie van een raadsman verklaringen heeft afgelegd waarin hij zichzelf en anderen heeft belast, terwijl tot aan de procedure in eerste aanleg is gesteld noch gebleken dat hij wenste terug te komen op de inhoud van hetgeen door hem vóór consultatie is verklaard. Nu ook ter terechtzittingen in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is gespecificeerd op welke punten de verdachte niet gehouden mag worden aan de inhoud van de uit zijn mond opgetekende verklaringen, en nu evenmin andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de processen-verbaal van verhoor van de verdachte van de bewijslevering uitgesloten dienen te worden, zal -nu van veroorzaakt nadeel niet genoegzaam is gebleken- het hof deze gebruiken voor het bewijs.

Het hof heeft bij dit oordeel voorts de ernst van het verzuim -de omstandigheden waaronder dit verzuim is begaan daaronder begrepen- betrokken. In dit verband stelt het hof vast dat weliswaar een belangrijk strafvorderlijk voorschrift is geschonden, maar dat de door de Hoge Raad in het arrest van 30 juni 2009 gegeven precisering in tijd is gelegen na het moment waarop het in casu vastgestelde verzuim is begaan, zodat in zoverre reeds op grond daarvan aan de met het onderzoek belaste ambtenaren geen verwijt kan worden gemaakt dat door hen niet de hand is gehouden aan het evenbedoelde stelsel van instructienormen.

Ten aanzien van het gevoerde bewijsverweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld –samengevat- dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastelegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar door medeverdachten is benaderd met de vraag of hij met zijn voertuig van de gebruikelijke dienstroute af wilde wijken ten behoeve van de invoer van verdovende middelen, maar dat de verdachte hieraan niet wilde meewerken en vervolgens niet goed wist hoe hij met de ontstane situaties om moest gaan. Volgens de raadsman heeft de verdachte wel meegepraat, maar niet meegedaan. De verdachte heeft overeenkomstig zijn taak als chauffeur op het platform de gebruikelijke route gevolgd en is hiervan niet afgeweken. Dit maakt de verdachte geen medepleger van noch medeplichtig aan de tenlastegelegde feiten, aldus de raadsman.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte door medeverdachten is benaderd met de vraag om achtereenvolgens op 12 en 28 november 2006 af te wijken van de gebruikelijke dienstroute in het kader van de invoer van verdovende middelen. De verdachte heeft toegezegd mee te willen werken en heeft zich hiervoor metterdaad ingespannen. Immers, de verdachte heeft op 12 en 28 november 2006, met de wetenschap dat hij verdovende middelen vervoerde, zijn dienstroute gereden. Hij heeft op 12 november 2006 bovendien de container waarvan hij wist dat zich daarin de verdovende middelen bevonden – en die niet op de lijst van door de verdachte te vervoeren containers was vermeld – aangekoppeld en vervoerd. Hij heeft zowel op 12 als op 28 november 2006 nagelaten zijn superieuren of de douane in kennis te stellen van zijn wetenschap omtrent hetgeen hij vervoerde. Hij heeft voorts nadien nog feitelijke handelingen verricht die zagen op de afwikkeling van de invoer van de zending, zoals het uitprinten van gegevens uit het geautomatiseerde bedrijfsprocessysteem CHAIN en het onderhouden van telefonische contacten met medeverdachten. De wetenschap van de verdachte met betrekking tot de invoer van de zendingen met verdovende middelen en de handelingen die hij ten behoeve daarvan in het kader van zijn positie op de luchthaven Schiphol heeft verricht, duiden er geenszins op dat de verdachte - zoals de raadsman heeft betoogd - niet wilde meewerken aan de invoer van cocaïne. Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat, om de woorden van de raadsman te gebruiken, de verdachte niet slechts heeft meegepraat, doch wel degelijk ook heeft meegedaan. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleger is van de tenlastegelegde feiten.

Voor zover de raadsman met het door hem gevoerde verweer heeft willen betogen dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden van de tenlastegelegde feiten, faalt ook dat verweer. Het hof is van oordeel dat het feit dat de verdachte op 12 en 28 november 2006 de gebruikelijke dienstroute heeft gevolgd en daarvan niet – zoals de bedoeling was – is afgeweken, een gevolg was van een omstandigheid die niet van de wil van de verdachte afhankelijk was. Immers, op 12 november 2006 was de verdachte reeds voordat hij zijn route ging rijden aangesproken door twee douaneambtenaren die al hadden geconstateerd dat zich vermoedelijk cocaïne in de door de verdachte te vervoeren vracht bevond en die, in afwachting van de komst van iemand van het Cargo-Harc team, de verdachte hebben gevraagd nog even te wachten met het wegrijden. Op 28 november 2006 werd de verdachte tijdens het vervoer gevolgd door een auto van de Koninklijke Marechaussee, waarvan hij zich bewust is geweest. In beide gevallen gold derhalve dat de verdachte vermoedde dat hij in de gaten werd gehouden. Zodoende is er geen sprake van vrijwillige terugtred van de verdachte.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (zaaksdossier B2):

hij op 12 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 77.203 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (zaaksdossier B3):

hij op 28 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 20.335 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op

ten aanzien van het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft daarnaast een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is betrokken geweest bij de invoer van (groot)handelshoeveelheden cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland. Door de verdachte en zijn mededaders zijn afspraken gemaakt om zendingen met cocaïne vanuit vliegtuigen heimelijk van het terrein van de luchthaven Schiphol te sluizen. Het aandeel van de verdachte bestond hierin dat hij als chauffeur van vliegtuigvracht de zendingen met cocaïne vanaf de vliegtuigen heimelijk zou afleveren aan medeverdachten voordat de vracht de controle bij de scan zou hebben bereikt. Met het oog daarop heeft de verdachte tot tweemaal toe een zending vervoerd. Gelet op de positie van de verdachte op de luchthaven Schiphol, het korte tijdvak waarbinnen de bewezen geachte feiten zijn begaan, als ook de manier van opereren, overweegt het hof dat de verdachte en zijn mededaders in georganiseerd verband verantwoordelijk zijn geweest voor het vervoer van verdovende middelen op het luchthaventerrein tot buiten het beveiligde gebied. Zij hebben daarmee een wezenlijke schakel gevormd bij de invoer van die middelen in Nederland. De verdachte heeft, als vrachtchauffeur, een onmisbare rol in die schakel vervuld. Daarbij komt, dat de verdachte daarbij zijn dienstbetrekking als medewerker te Schiphol heeft misbruikt en zodoende het vertrouwen dat door zijn werkgever luchthaven Schiphol in hem was gesteld ernstig heeft geschaad.

Aangenomen moet worden dat het louter zijn zucht naar financieel gewin is geweest die de verdachte tot zijn gedragingen heeft gebracht. Aldus bezien heeft de verdachte het maatschappelijk belang dat de samenleving verschoond blijft van de maatschappelijke problemen die de handel in cocaïne met zich brengt aan dat winstbejag ondergeschikt gemaakt.

Cocaïne is een stof, waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar die ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben die stof op de markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft. Daarmee beoogt het hof mede anderen ervan te weerhouden tot het plegen van misdrijven als hier aan de orde over te gaan.

[H1]Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het de persoon van de verdachte betreffende rapport van de Stichting Reclassering Nederland van 13 juli 2009, opgesteld door M. Dozeman. Voorts heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het op verzoek van de raadsman en door deze overgelegde ingebrachte Pro Justitia rapport van 3 september 2008, opgesteld door psycholoog H. Scharft.

Laatstgenoemd rapport bevat als onderzoeksresultaten -zakelijk weergegeven- dat:

- de verdachte in de verkorte Groninger Intelligentie Test-2 over 6 subtesten een leeftijds-IQ van 41 haalt, wat zou wijzen op een matig zwakzinnig niveau;

Vervolgens bevat dit rapport als overwegingen -zakelijk weergegeven- dat:

- de bij de verdachte aanwezige aanpassingsstoornis de score op de intelligentietest waarschijnlijk fors negatief heeft beïnvloed;

- bij de verdachte geen sprake is van zwakzinnigheid, anders had hij zich nooit staande kunnen houden in het verrichte reguliere werk;

- men lijkt te kunnen spreken van een lichte beperking in het intellectueel functioneren en de verdachte op een zwakbegaafd niveau lijkt te functioneren.

Tot slot bevat het rapport als conclusies dat -zakelijk weergegeven- bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid en hij enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is.

Het hof stelt vast dat de in het rapport geformuleerde conclusies niet althans niet zonder meer worden gedragen door de daarin neergelegde diagnostische overwegingen.

Immers, de bij de verdachte vastgestelde aanpassingsstoornis heeft volgens de psycholoog bij het afnemen van de intelligentietest waarschijnlijk geleid tot onderpresteren. Zijn IQ volgens de afgenomen test “zou wijzen op een matig zwakzinnig niveau. Dit is veel lager dan zijn vooropleiding en beroepsniveau doet vermoeden en hoogstwaarschijnlijk heeft betrokkenens psychische toestand geleid tot onderpresteren”. Vervolgens is als overweging door de rapporteur geformuleerd “…dat men al met al lijkt te kunnen spreken van een lichte beperking in het intellectueel functioneren en lijkt hij op een zwakbegaafd niveau te functioneren.” Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, valt niet in te zien dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid.

Hetzelfde oordeel treft de door de rapporteur vastgestelde druk om mee te doen, op hem uitgeoefend door zijn mededaders. In de forensisch psychologische beschouwing wordt het bestaan hebben van druk onder 10.4 als gegeven gepresenteerd, terwijl eerder in de inleidende beschouwing onder 10 is overwogen: “Tegelijkertijd lijkt er echter ook sprake geweest te zijn van een onder druk gezet zijn om mee te doen.”

Dit één en ander brengt mee dat het hof de in het rapport gestelde gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte en de daarop gestoelde conclusie van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid niet overneemt.

Wel biedt de inhoud van het rapport een voor het hof toereikend inzicht in de persoon van de verdachte welke inhoud het hof bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Naar het oordeel van het hof is op grond van al het voorgaande niet aannemelijk geworden dat de verdachte de reikwijdte en het laakbare karakter van zijn gedragingen niet heeft kunnen inzien, terwijl feiten of omstandigheden die nopen tot verminderd toerekenen niet aannemelijk zijn geworden

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 augustus 2009 is de verdachte eerder ter zake van andersoortige misdrijven veroordeeld.

Het hof acht in beginsel, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden. Het hof overweegt daarbij nog dat de verdachte, zoals hiervoor al is overwogen, vanuit zijn functie weliswaar een onmisbare rol bij het vervoer heeft gehad, doch dat zijn rol binnen het eerder genoemde georganiseerd verband geringer wordt ingeschat dan die van zijn medeverdachten. Het hof houdt bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM voor de behandeling van zijn zaak in hoger beroep met ruim drie maanden is overschreden, hetgeen meebrengt dat op de straf een korting van 5% zal worden toegepast; de duur van de aan hem op te leggen gevangenisstraf zal daarom worden beperkt tot 4 jaren en 9 maanden.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid,

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht zijn aangetroffen, zijn niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Daartoe overweegt het hof dat weliswaar zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, doch gesteld noch is gebleken dat deze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten. Bij die stand van zaken zal het hof bevelen dat de voorwerpen aan de verdachte zullen worden teruggegeven. Het hof overweegt voorts en ten overvloede dat –gelet op de aard van deze voorwerpen- een hernieuwde inbeslagneming in de rede ligt.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen geldbedragen, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte omdat niet kan worden aangetoond dat deze geldbedragen afkomstig zijn van enig strafbaar feit. Het hof zal de teruggave van het totaalbedrag ad € 7.200,00 van de inbeslaggenomen geldbedragen aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1 telefoon, 3 notitieboekjes, 4 notities en memos, 2 stuks papier betreffende uitgaande vluchten, 4 dienstroosters, 178 bescheiden betreffende rijopdrachten KLM, 1 visitekaart en 7 stuks papier.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten: € 7.200,00 en twee olifantenslagtanden.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. S. Aytemür, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 september 2009.