Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ9424

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
07/00677
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2106, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dienst geen legesheffing. Door de aanleg van de woonwijk Hoofddorp-Noord is de agrarische bestemming van de rondom de in die wijk gebouwde woningen liggende grond onherroepelijk beëindigd waardoor naleving van het bestemmingsplan feitelijk onmogelijk is geworden. De werkzaamheden verricht in het kader van de procedure ex artikel 19, lid 3, van de Wet RO vinden in zo'n geval hun oorzaak in de keuze van de gemeente het bestemmingsplan niet aan te passen en dienen niet rechtstreeks en in overheersende mate het individualiseerbare belang van de burger.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229, geldigheid: 2009-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2282 met annotatie van Groenewegen
Belastingblad 2009/1454
V-N 2010/4.28

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 07/00677

1 oktober 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, gemeente Haarlemmermeer, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/2009 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 24 oktober 2005 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende schriftelijk bericht dat hij leges is verschuldigd tot een totaal bedrag van € 917,50, gespecificeerd in bedragen van € 407,50 en € 510 (hierna: de schriftelijke kennisgeving).

De cluster Financiën en Administratie, sectie debiteuren, van de gemeente Haarlemmermeer heeft met dagtekening 14 december 2005 een factuur met een acceptgiro gezonden met het verzoek het bedrag van € 917,50 te betalen.

Belanghebbende heeft tegen het bedrag van € 510 bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij de uitspraak van de heffingsambtenaar ongegrond is verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 20 augustus 2007 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 september 2007. De gemeente Haarlemmermeer heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Bij brief van 18 februari 2009 heeft belanghebbende onder meer bericht geen gebruik te maken van de uitnodiging te verschijnen. Van deze brief is een afschrift aan de wederpartij gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 20 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.4. Bij brief van 10 april 2009 heeft de griffier de heffingsambtenaar bericht dat het onderzoek wordt heropend en hem daarbij in de gelegenheid gesteld nadere informatie in te zenden. Van deze brief is een afschrift aan belanghebbende gezonden. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 18 mei 2009 enkele stukken aan het Hof gezonden.

Belanghebbende, aan wie een afschrift van deze stukken is gezonden, heeft hierop gereageerd bij brief van 13 juli 2009.

Van deze brief is een afschrift aan de wederpartij gezonden. Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten.

2. Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft in onderdeel 2 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiser heeft op 14 juli 2005 een bouwvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de achterzijde van zijn woning op het perceel plaatselijk bekend als a-straat 1 te Hoofddorp. De begrote bouwkosten voor het ingediende bouwplan bedragen € 17.000.

2.2. Op 24 oktober 2005 is de bouwvergunning verleend. Voorts is bij de vergunning vrijstelling verleend ex artikel 19, derde lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening (hierna: WO) omdat het bouwplan niet voldoet aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “UNP. in Hoofdzaak 1958, 3M wijziging”. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op de grond van de door eiser voorgenomen bebouwing de bestemming “Agrarische doeleinden”.

2.3. Ter zake van de verleende bouwvergunning en vrijstelling is een totaal bedrag aan leges geheven van € 917,50. Deze leges bestaan enerzijds, op grond van artikel 8.1.2, aanhef en onderdeel b, van de eerste wijziging van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2004 (hierna: de tarieventabel), uit de standaard leges voor een lichte bouwvergunning van € 407,50 en anderzijds uit leges ten behoeve van het volgen van de vrijstellingsprocedure van artikel 19, derde lid, WO, welke op grond van artikel 8.6.2 van de tarieventabel € 510,- bedragen.”

Voorts heeft de rechtbank in onderdeel 4.7 van haar uitspraak het volgende vastgesteld:

“Vast staat dat het bouwplan van eiser op alle onderdelen in overeenstemming is met de gebruik- en bouwmogelijkheden die het gemeentebestuur voor de onderhavige woonwijk reeds heeft voorzien en beschreven in het ontwerpbestemmingsplan Hoofddorp Noordwest 1988 en die, zoals ter zitting door verweerder is bevestigd, ook in de komende planontwikkeling voor het onderhavige gebied zullen worden gehandhaafd. De enkele reden dat de door het gemeentebestuur gewenste planologische visie voor dit gebied nog niet is geformaliseerd in een nieuw bestemmingsplan, is volgens de gemeente omdat het geen prioriteit heeft gekregen. Niet in geschil is voorts dat als het gemeentebestuur wel prioriteit aan realisatie van het bestemmingsplan had gegeven, voor het bouwplan van eiser geen vrijstelling nodig was.”

2.2. Nu daartegen door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat het Hof van deze feiten uit en voegt daar het volgende aan toe:

2.3. Waterwolf 17 bevindt zich in een in woonwijk bekend onder de naam Hoofddorp-Noord. Deze woonwijk is omstreeks 1985 aangelegd. Voor de realisering van de afzonderlijke woningen in dit gebied is door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland een algemene verklaring van geen bezwaar afgegeven met toepassing van artikel 19 (oud) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wet RO) gebaseerd op de tekening en voorschriften van het ontwerp bestemmingsplan Hoofddorp Noord-West.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of aan belanghebbende leges in rekening kunnen worden gebracht ter zake van de in artikel 19, lid 3, van de Wet RO bedoelde vrijstellingsprocedure.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Nu het Hof hierna op inhoudelijke gronden tot het oordeel komt dat de aanslag dient te worden vernietigd, gaat het voorbij aan de vraag of de aanslag door de daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd.

4.2. De rechtbank heeft omtrent het geschil onder meer het volgende overwogen:

"(...)

4.2. Ingevolge artikel 2 van de Legesverordening 2005 (hierna: de verordening) worden onder de naam leges rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(...)

4.4. De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 augustus 2004, nummer 37 836, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AI0408, overwogen dat door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden als een dienst kunnen worden aangemerkt indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.

4.5. Artikel 19, derde lid, WRO, geeft de mogelijkheid om in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. (...) Hoewel met de besluitvorming in het kader van artikel 19, derde lid, WRO, ook het algemene belang van een goede lokale ruimtelijke ordening is gediend, is de rechtbank van oordeel dat dit belang niet overheersend is. Het is immers de burger, die een plan wil ontwikkelen en daarover een besluit wenst. De in dat kader door het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden (...) liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en dienen rechtstreeks en in overheersende mate het individualiseerbare belang van de burger.

4.6 Gelet op het vorenstaande zijn de door verweerder ter zake van het volgen van de vrijstellingsprocedure verrichte werkzaamheden aan te merken als dienst, waarvoor eiser in beginsel leges is verschuldigd. (...)".

4.3. Het Hof volgt het hiervoor gegeven oordeel van de rechtbank niet. Door de aanleg van de woonwijk Hoofddorp-Noord heeft de gemeente bewerkstelligd dat de agrarische bestemming van de rondom de woningen liggende grond onherroepelijk werd beëindigd waardoor naleving van het bestemmingsplan feitelijk onmogelijk werd. Aangenomen mag worden dat de gemeente zich hiervan bewust is geweest. Belanghebbende heeft in dit kader onbetwist gesteld dat bij de verkoop van de kavels waarop de woningen zijn gebouwd, geen gewag is gemaakt van enige agrarische bestemming van die kavels dan wel van een beperking van de verklaring van geen bezwaar tot het op die kavels bebouwde gedeelte.

Voorts is gesteld noch gebleken dat de gemeente gedurende de ruim 20 jaar na oplevering van de woningen op enigerlei wijze aan bewoners heeft bericht dat het gebruik van de rondom het gebouwde gedeelte van de kavel gelegen grond als tuingrond in strijd is met het bestemmingsplan.

4.4. Nu de bestemming van de grond door het realiseren van de woonwijk onherroepelijk is gewijzigd, had het bestemmingsplan in 2005 reeds 20 jaar zijn betekenis verloren met betrekking tot die woonwijk. Het achterwege laten van de aanpassing van het bestemmingsplan en daarmee van de legalisering van de bestaande situatie is, naar niet in geschil is, het gevolg van de keuze van de gemeente aan andere zaken meer prioriteit te geven. Eveneens niet in geschil is dat na aanpassing van het bestemmingsplan geen procedure ex artikel 19, lid 3, van de Wet RO nodig zou zijn geweest.

4.5. In een geval als omschreven onder 4.3 moet geoordeeld worden dat de werkzaamheden verricht in het kader van de procedure ex artikel 19, lid 3, van de Wet RO hun oorzaak vinden in de keuze van de gemeente het bestemmingsplan niet aan te passen en niet rechtstreeks en in overheersende mate het individualiseerbare belang van de burger dienen.

4.6. 's Hofs oordeel brengt mee dat de in 4.5 vermelde werkzaamheden geen door de gemeente verstrekte dienst zijn in de zin van artikel 2 van de Legesverordening 2005 (Verordening), zodat er voor legesheffing ter zake daarvan geen grond is. 's Hofs oordeel brengt mee dat niet wordt toegekomen aan de vraag of de heffingsambtenaar op grond van enig beginsel van behoorlijk bestuur gehouden was de heffing van de leges achterwege te laten.

4.7. De heffingsambtenaar heeft ter zitting opgemerkt dat de gemeenten sinds 2008 verplicht bestemmingsplannen aan te passen binnen 5 jaar. Het hof verstaat dat de heffingsambtenaar hiermee doelt op artikel 3.1 van de per 15 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, krachtens welk artikel de gemeente verplicht is haar bestemmingsplannen aan te passen, waarbij in het vierde lid is opgenomen dat de bevoegdheid tot invorderen van rechten vervalt als dit niet wordt gedaan. Nu geen sprake is van een dienst in de zin van de Verordening kan dit de heffingsambtenaar niet baten.

4.8. Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift gesteld dat hij schade heeft geleden doordat de gemeente de zeswekentermijn voor een beslissing op een ingediende bouwaanvraag niet in aanmerking heeft genomen. Het Hof acht zich niet bevoegd tot het geven van een oordeel hierover, omdat de schade geen verband houdt met het heffen van de leges. Nu de beslissing op de bouwaanvraag onherroepelijk vaststaat, is de civiele rechter bevoegd.

Slotsom

4.9. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de schriftelijke kennisgeving verminderen met € 510.

5. Kosten

Nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in hoger beroep kosten heeft gemaakt die ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, laat het Hof voor het hoger beroep een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege.

Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat belanghebbende is verschenen tijdens het onderzoek ter zittingen van 27 juli 2006 en 17 april 2007. De ter zake door belanghebbende gemaakte reiskosten openbaar vervoer komen voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten ad (afgerond) € 10 dienen door de gemeente Haarlemmermeer aan belanghebbende te worden vergoed.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de schriftelijke kennisgeving met € 510,

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte kosten van het geding tot een bedrag van € 10, en

- gelast de heffingsambtenaar het gestorte griffierecht ad (€ 37 voor beroep en € 106 voor hoger beroep) in totaal € 143 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. J.P.F. Slijpen, voorzitter, W.M.G. Visser en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 1 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.