Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ7912

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
17-09-2009
Zaaknummer
05/00208, 05/00210, 05/00211 en 05/00212
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN0640, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu sprake is van enige vorm van motivering van het beroepschrift is belanghebbende ontvankelijk in haar beroepen. Het Hof acht aannemelijk dat de feitelijke leiding van belanghebbende zich in Nederland bevindt. Belanghebbende is terecht aangemerkt als onbeperkt binnenlands belastingplichtig. Bij het ambtshalve opleggen van de aanslagen is de inspecteur uitgegaan van een redelijke schatting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/63.5 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1982
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

23 juli 2009

op de beroepen van [X NV] gevestigd te Curaçao, belanghebbende,

gemachtigde mr. W.J. Beks (Beks Advocaten),

tegen

de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort,

de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1.1. Van belanghebbende is op 29 december 2004 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door [P]. Het beroep is aangevuld bij faxberichten van [A Managers BV] van 31 mei en 2 juni 2005. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 november 2004, betreffende de met dagtekening 30 december 2000 aan belanghebbende voor het jaar 1997 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

1.1.2. De aanslag is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 1. De inspecteur heeft het tegen deze aanslag ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.1.3. Het beroep strekt – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

1.1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin tot bevestiging van de uitspraak.

1.1.5. Bij faxbericht van 16 maart 2009 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

1.2.1. Van belanghebbende is op 29 december 2004 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door [P]. Het beroep is aangevuld bij faxberichten van [A Managers BV] van 31 mei en 2 juni 2005. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 november 2004, betreffende de met dagtekening 30 november 2001 aan belanghebbende voor het jaar 1998 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

1.2.2. De aanslag is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000. Gelijktijdig is een verzuimboete opgelegd van ƒ 750. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 25 november 2004, de aanslag gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot ƒ 250.

1.2.3. Het beroep strekt – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

1.2.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin tot bevestiging van de uitspraak.

1.2.5. Bij faxbericht van 16 maart 2009 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

1.3.1. Van belanghebbende is op 29 december 2004 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door [P]. Het beroep is aangevuld bij faxberichten van [A Managers BV] van 31 mei en 2 juni 2005. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 november 2004, betreffende de met dagtekening 25 december 2001 aan belanghebbende voor het jaar 1999 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

1.3.2. De aanslag is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000. Gelijktijdig is een verzuimboete opgelegd van ƒ 750. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 25 november 2004, de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.3. Het beroep strekt – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

1.3.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin tot bevestiging van de uitspraak.

1.3.5. Bij faxbericht van 16 maart 2009 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

1.4.1. Van belanghebbende is op 29 december 2004 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door [P]. Het beroep is aangevuld bij faxberichten van [A Managers BV] van 31 mei en 2 juni 2005. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 november 2004, betreffende de met dagtekening 31 december 2001 aan belanghebbende voor het jaar 2000 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

1.4.2. De aanslag is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000. Gelijktijdig is een verzuimboete opgelegd van ƒ 1.250. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 25 november 2004, de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.4.3. Het beroep strekt – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

1.4.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin tot bevestiging van de uitspraak.

1.4.5. Bij faxbericht van 16 maart 2009 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Volgens een uittreksel van het ‘Curaçao Commercial Register’ is belanghebbende een op 7 juni 1996 naar Antilliaans recht opgerichte naamloze vennootschap, statutair gevestigd te Curaçao en met een bedrijfsadres aan de [A-straat 1] te [Z].

2.2. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het proces-verbaal van de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (hierna: FIOD; dossiernr. [1]) waarin is vermeld dat [B] op 13 april 1999 onder meer het volgende heeft verklaard:

“Ik ben direkteur van [E NV]. [E NV] voert de direktie van offshore-NV’s. (…)

Via het belastingadvieskantoor [Q] ben ik eind 1994/begin 1995 in contact gekomen met [W]. (…) Op verzoek van [W] zijn vervolgens opgericht [belanghebbende, A NV, B NV, C NV, D NV] (…) Op verzoek van [W] heb ik ook voor deze NV’s de direktie gevoerd. (…) De aandelen (…) waren voor zover ik mij kan herinneren aan toonder. Aan [W] heb ik gevraagd om volstorting van de toonderaandelen hetgeen is gebeurd. [W] was voor mij de contactpersoon. Of hij voor zichzelf heeft gewerkt of voor iemand anders weet ik niet. Hij heeft mij wel eens gezegd dat de aandeelhouder een Zuid-Afrikaner was. Ik heb nooit met die persoon contact gehad. De enige van wie ik opdrachten accepteerde was [W]. Hij was ook deze enige die de dossiers van de verschillende NV’s op mijn kantoor mocht inzien. De toonderaandelen zijn na oprichting van de NV’s opgeborgen in de dossiers van de NV’s op mijn kantoor. U zegt mij dat u de toonderaandelen van [belanghebbende] en andere NV’s niet in de dossiers van deze NV’s heeft aangetroffen. Ik zou niet weten waar deze aandelen zijn. Na volstorting van de aandelen zijn deze bij [W] terechtgekomen. Dat betekent dat ik ze aan hem heb gegegeven of dat hij ze zelf uit mijn dossiers heeft gehaald. Exact weet ik het niet meer. Wat hij er vervolgens mee heeft gedaan weet ik niet.

(…)

(Verbalisanten: Waarom zijn de management-agreements tussen de verschillende NV’s en [E NV] niet door de aandeelhouder ondertekend, dan wel niet ondertekend in de dossiers aangetroffen)

Ik heb de management agreements ter ondertekening opgestuurd of afgegeven aan [W]. Hij heeft ze echter nooit ondertekend of teruggestuurd. (…) Voor mij bleef [W] de verantwoordelijke persoon. Mochten er problemen komen dan spreek ik hem hierop aan. (…).”

2.3. In een ander proces-verbaal van de FIOD (dossiernr. [2]) is vermeld dat [W] eind 1995 in Loosdrecht voor een bedrag van ƒ 813.015 een stuk grond heeft aangekocht en dat hij dit op 5 februari 1997 met een daarop gebouwde villa voor ƒ 1.774.880 aan belanghebbende heeft verkocht.

2.4. Blijkens het onder 2.2 vermelde proces-verbaal van de FIOD heeft [F], (destijds) de fiscale adviseur van [W], onder meer het volgende verklaard:

“[Belanghebbende] heeft het huis gekocht van [W]. Mij is niet anders bekend dan dat [W] de uiteindelijke gerechtigde is van [belanghebbende]. Zo is mij dit altijd door [E NV] en [W] duidelijk gemaakt. Op een gegeven moment kwam [W] met het voorstel om zijn in aanbouw zijnde huis te verkopen aan een Antilliaanse nv. Later kwam hierbij de naam [van belanghebbende] naar voren. (…)

Ja, ik heb meegeholpen om een zakelijke verkoopprijs en een zakelijke huur te bepalen. Ik besprak dit met [W]. Verder heb ik gesprekken gevoerd met de Luxemburgse hypotheeknemer over de mogelijkheden om de hypotheek over te zetten op een Antilliaanse nv. Ik heb [W] ge[ï]ntroduceerd bij deze bank. Hierbij is besproken dat de Antilliaanse nv en [W] in feite dezelfde persoon waren. Verder heeft [W] dit zelf geregeld met de Luxemburgse bank.

(…) Mij is niet anders bekend dan dat [W] de uiteindelijke gerechtigde was van [belanghebbende]. Zo is het door [W] ook altijd aan mij voorgesteld.”

2.5. Blijkens het hiervoor onder 2.2 vermelde proces-verbaal van de FIOD heeft [B] onder meer het volgende verklaard:

“[Belanghebbende] was eigenaar van het huis waar [W] als huurder in woont. Dit was het pand [B-straat 2], [1234 AA] te [G], Nederland. De aankoop van deze woning door [belanghebbende] is geregeld door [W]. De financiering van het pand is door [W] geregeld. Er was een hypotheek waarvan ik de akte als direkteur van [belanghebbende] [heb] ondertekend. Ik weet niet wat de reden van [W] was om zijn woning aan een Antilliaanse NV te verkopen en vervolgens van deze NV te gaan huren. Ik heb hem niet hierin geadviseerd. Ik heb zelf geen onderzoek verricht naar de waarde van de woning. Deze gegevens heb ik vanuit Nederland toegezonden gekregen, ik vermoed van de belastingadviseur van [W], [F]. Andere activiteiten had [belanghebbende] niet. Ik heb verder weinig bemoeienis met deze NV gehad. Voor mij is [W] het aanspreekpunt voor [belanghebbende]. Ik doe niets zonder zijn toestemming. Voor meer informatie over [belanghebbende] verwijs ik naar [W].”

2.6. Tot de gedingstukken behoort een nota van 4 februari 1997 van [H notarissen] met betrekking tot de levering van het perceel grond aan belanghebbende, welke nota is gericht aan het adres van [W]. Op deze nota staat (handgeschreven) vermeld:

“[S], svp Dit betalen vanuit [W Management NV] – per telebanking!! Daarna factuur maken aan [belanghebbende] – vanuit [W Management NV].”

2.7. Tot de gedingstukken behoort een in opdracht van [W] opgemaakt taxatierapport, gedagtekend 26 augustus 1997, waarin de economische huurwaarde van voormelde woning is vastgesteld op (woonruimte ƒ 40.000 en kantoorruimte ƒ 15.000) in totaal ƒ 55.000 per jaar.

2.8. Tevens behoort tot de stukken van het geding een overeenkomst tot huur van de woning aan de [B-straat 2] te [G], exclusief de inboedel, tussen belanghebbende als verhuurder en [W] als huurder, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Artikel 2

De huur wordt aangegaan voor onbepaalde tijd ingaande 1 september 1997. De huurprijs wordt vastgesteld met inachtneming van wettelijke bepalingen inzake de huurprijsbeheersing.

Artikel 3

De huurprijs bedraagt per maand HFL. 4.166, -- (…)”

2.9. Op 2 januari 1998 is de volledige inboedel van de woning en een sloep van het merk Weko met ligplaats [B-straat 2] te [G] door [W] aan belanghebbende verkocht voor een bedrag van (ƒ 150.000 + ƒ 50.000, inclusief BTW =) in totaal ƒ 200.000. De betaling heeft plaatsgevonden in de vorm van de verrekening met de rekening-courant van [W] met [J BV].

2.10. De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1997 ambtshalve vastgesteld. Het niet ingevulde en niet ondertekende aangiftebiljet voor dat jaar is op 18 februari 2003 door de inspecteur ontvangen. De inspecteur heeft dit stuk aangemerkt als een bezwaarschrift en vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

2.11. De aangiftes vennootschapsbelasting voor de jaren 1998 tot en met 2000 zijn uitgereikt aan het adres te [G]. De aanslagen met betrekking tot de hiervoor vermelde jaren zijn wederom ambtshalve vastgesteld.

2.12. Tot de stukken behoort een uittreksel van het handelsregister waaruit volgt dat de directie van belanghebbende in ieder geval vanaf 8 mei 2003 wordt gevoerd door [A Managers NV] welke is gevestigd aan de [A-straat 1] te Curaçao. De directie van [A Managers NV] wordt in ieder geval per 11 april 2005 gevoerd door [K].

2.13. In een brief met dagtekening 9 februari 2005 schrijft [P] onder meer het volgende:

“Uw hof verzoekt mij een volmacht te overleggen. Ik meen echter als advocaat daartoe niet gehouden te zijn.”

2.14. Tot de gedingstukken behoort een faxbericht van 19 mei 2005 van [W] waarin als volgt is vermeld:

“Vandaag of morgen krijgt u van [K] uit Curaçao welke direkteur is van [belanghebbende], een fax met het antwoord op uw vraag.

Nogmaals deel ik u mede dat ondergetekende verder niets met [belanghebbende] van doen heeft als uitsluitend een huurder van onroerend goed in Nederland en heb u van dienst willen zijn.

Wanneer u de fax ontvangt van [K] staan daar ook zijn telefoonnummer en faxnummer op zodat u rechtstreeks contact met hem op kan nemen in de toekomst.”

2.15. Tot de stukken van het geding behoort voorts een faxbericht met dagtekening 31 mei 2005 van [A Managers NV] waarin als volgt is vermeld:

“Inzake uw verzoek tot herstellen van verzuimen in (…) het beroepschrift (…) verzoek ik u, de bijgesloten kopie stukken te accepteren als aanvulling alsmede het herstel van het verzuim in het beroepschrift.

Uit de stukken blijkt dat we druk bezig zijn om via [W] ervoor zorg te dragen dat de genoemde aangifte vennootschapsbelasting 1997 voor 30 juni 2005 zal zijn opgesteld en tevens ingediend zal zijn bij de bevoegde instantie.”

In de bijlage bij deze fax is gevoegd een mail van [W], waarin is vermeld:

“Beste [L], (…) Namens directie van [belanghebbende] wil ik jou vragen een kostenopgave te geven voor het opmaken en indienen van de aangiftes VPB voor [belanghebbende] over de jaren 1996 TOT en MET 2003. [Belanghebbende] heeft GEEN vestiging in Nederland maar bezit wel onroerendgoed in NL. In Curacao zetelt de directie en ook daar wordt VPB aangifte gedaan. (…) Groeten, [W].”

3. Geschil en standpunten van partijen

Voor het jaar 1997 zijn de volgende vragen in geschil:

- is het bezwaarschrift ontvankelijk;

- is belanghebbende – hetzij binnenlands, hetzij buitenlands – belastingplichtig voor de Wet

op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet);

- de hoogte van het belastbaar bedrag.

Voor de jaren 1998 – 2000 zijn de volgende vragen in geschil:

- zijn de voor deze jaren ingediende beroepschriften ontvankelijk;

- is belanghebbende – hetzij binnenlands, hetzij buitenlands – belastingplichtig voor de Wet;

- de hoogte van de belastbare bedragen.

4. Standpunten van partijen

4.1. Belanghebbende stelt zich naar het Hof begrijpt op het standpunt dat de beroepen voor de jaren 1997 – 2000 en het bezwaar voor het jaar 1997 ontvankelijk zijn. Vervolgens neemt belanghebbende het standpunt in dat haar feitelijke vestigingsplaats zich bevindt in Curaçao en dat zij buitenlands belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Voorts neemt belanghebbende het standpunt in dat de inspecteur voor de jaren 1998 – 2000 aanslagen heeft opgelegd naar een te hoog bedrag.

4.2. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beroepen voor de jaren 1997 – 2000 en het bezwaar voor het jaar 1997 niet-ontvankelijk zijn, dat de feitelijke vestigingsplaats van belanghebbende zich in Nederland bevindt, dat zij binnenlands belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, en dat voor de jaren 1998 – 2000 bij het opleggen van de aanslagen is uitgegaan van een redelijke schatting.

4.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen partijen voorts ter zitting hebben opgemerkt is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting welke aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

5. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van de beroepen voor de jaren 1997 tot en met 2000

5.1. In verband met de ontvankelijkheid van de beroepen heeft de inspecteur onder meer gesteld dat deze niet zijn ingediend door een persoon die daartoe door belanghebbende gemachtigd was. Het Hof kan de inspecteur in deze stelling niet volgen nu de beroepschriften door [P] in zijn hoedanigheid van advocaat als gemachtigde van belanghebbende zijn ingediend en verwijst daarbij naar artikel 8:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

5.2.1. Voorts is door de inspecteur gesteld dat de beroepen niet ontvankelijk zijn, omdat deze niet zijn gemotiveerd. Hierover overweegt het Hof als volgt.

5.2.2. In het pro forma beroepschrift dat namens belanghebbende is ingediend is verzocht een termijn te geven voor de motivering ervan. Tot de stukken behoort een brief van de griffier aan belanghebbende van 18 mei 2005 waarin (nogmaals) is verzocht het beroepschrift met de – overigens niet nader aangeduide – ontbrekende gegevens aan te vullen. Tot de stukken behoort tevens een brief, gedagtekend 31 mei 2005, van belanghebbende aan de griffie van het Hof met als bijlage een brief, gedagtekend 23 mei 2005, van [W] "namens de directie van belanghebbende" aan [L] inzake het opmaken van de aangiften vennootschapsbelasting. In deze bijlage is onder meer het volgende vermeld:

"Namens directie van [belanghebbende] wil ik jou vragen een kostenopgave te geven voor het opmaken en indienen van de aangiftes VPB voor [belanghebbende] over de jaren 1996 tot en met 2003.

[Belanghebbende] heeft GEEN vestiging in Nederland maar bezit wel onroerendgoed in NL.

In Curacao zetelt de directie en ook daar wordt VPB aangifte gedaan."

Het Hof gaat ervan uit dat (onder meer) dit geschrift met de brief van 31 mei 2005 is meegezonden teneinde het Hof te informeren over het aanvullen van het beroepschrift. Uit de inhoud van het geschrift is op te maken dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat zij niet als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt. In dat opzicht is sprake van enige vorm van motivering van het beroepschrift en zal het Hof de beroepen niet reeds op de grond dat het niet is gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaren.

De ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de aanslag Vpb 1997

5.3. Belanghebbende heeft niet betwist dat met dagtekening 30 december 2000 een aanslag vennootschapsbelasting 1997 is opgelegd. Het Hof gaat ervan uit dat deze aanslag voorafgaand aan de dag van dagtekening naar het adres [B-straat 2] te [G] ten name van belanghebbende is toegezonden. Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat vóór het indienen van dit geschrift ook reeds een bezwaarschrift zou zijn ingediend. Gelet op het tijdstip waarop evenbedoeld bezwaarschrift is ingediend, moet zonder meer ervan worden uitgegaan dat dit na verloop van de bezwaartermijn is ingekomen en dat dit heeft te leiden tot de conclusie dat het bezwaar op die grond niet-ontvankelijk is, tenzij zich een rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding zou voordoen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Nu een dergelijke rechtvaardigingsgrond niet is aangevoerd, moet worden geconcludeerd dat het bezwaarschrift tegen de aanslag Vpb 1997 niet-ontvankelijk is en dat derhalve het beroep tegen de in deze zin luidende uitspraak van de inspecteur ongegrond is.

Belastingplicht

5.4.1. Vaststaat dat belanghebbende op verzoek van [W] is opgericht in Curaçao en dat haar activiteiten vanaf 1 september 1997 in ieder geval bestaan uit het aan [W] verhuren van een woning die zij op 5 februari 1997 voor ƒ 1.774.880 van [W] heeft gekocht. Voorts gaat het Hof ervan uit dat de activiteiten van belanghebbende bestaan uit het aan [W] ter beschikking stellen van de inboedel van de woning en een sloep met ligplaats bij de woning. Inboedel en sloep zijn op 2 januari 1998 voor ƒ 200.000 door [W] aan belanghebbende verkocht. Overige activiteiten van belanghebbende zijn namens haar niet gesteld, maar door de inspecteur ook niet uitgesloten. Dat [W] zijn hoofdwoning heeft in de door belanghebbende aan hem verhuurde woning is tussen partijen niet in geschil.

5.4.2. In samenhang met de aard van de hiervoor beschreven activiteiten en de plaats waar deze activiteiten worden verricht, acht het Hof het, op grond van de onder 2.2, 2.4 en 2.5 aangehaalde verklaringen van [B] en [F], de overigens onder 2.6, 2.14 en 2.15 aangehaalde stukken, uit welke verklaringen en stukken van een min of meer permanente, concrete gedetailleerde bemoeienis met de – overigens geringe – ondernemingsactiviteiten van belanghebbende blijkt, en in het licht van hetgeen partijen hieromtrent overigens hebben gesteld, aannemelijk dat de feitelijke leiding van de ondernemingsactiviteiten van belanghebbende bij [W] heeft berust.

5.4.3. In een geval waarin vaststaat dat van een vennootschap die is opgericht te Curaçao de (feitelijke) leiding zich in Nederland bevindt is – veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat belanghebbende op grond van de omstandigheid dat zij op de Nederlandse Antillen is opgericht aldaar aan belasting is onderworpen – op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) sprake van ‘een andere dan een natuurlijk persoon’ die inwoner is van zowel Nederland als de Nederlandse Antillen. In een dergelijke situatie is voor de vraag waar die persoon gevestigd is – dat wil zeggen onbeperkt belastingplichtig is – op grond van artikel 34, tweede lid, BRK de plaats waar de feitelijke leiding van belanghebbende zich bevindt beslissend. Nu het Hof aannemelijk acht dat de feitelijke leiding van belanghebbende zich in Nederland bevindt, volgt uit het vorenoverwogene dat belanghebbende door de inspecteur terecht in Nederland als onbeperkt (binnenlands) belastingplichtig is aangemerkt.

De hoogte van de belastbare bedragen

5.5.1. Ter zitting is namens belanghebbende gesteld dat belanghebbende slechts ter zake van de verhuur van de woning inkomsten door belanghebbende zijn genoten.

5.5.2. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet alleen inkomsten heeft genoten uit de verhuur van het huis, maar dat ook inkomsten zouden moeten zijn genoten uit de terbeschikkingstelling van de inboedel van het huis en de sloep. Overige inkomsten heeft de inspecteur uitgesloten noch geconcretiseerd.

5.5.3. Vaststaat dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan. Het Hof acht het aannemelijk dat wel aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Belanghebbende heeft daaromtrent immers verklaard dat deze zijn verzonden naar het adres in [G]. Nu dit adres het adres is waar belanghebbende feitelijk is gevestigd heeft de inspecteur dit adres voor het juiste adres mogen houden ter verzending van de aangiftebiljetten. Nu deze biljetten niet door belanghebbende zijn ingediend, heeft de inspecteur de belastbare bedragen van belanghebbende ambtshalve schattenderwijs moeten vaststellen. Hij is daartoe bevoegd op grond van artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zij het dat daarbij de redelijkheid niet uit het oog mag worden verloren. De inspecteur heeft verklaard dat hij bij het bepalen van de hoogte van de belastbare bedragen (mede) is uitgegaan van de – op zichzelf niet door belanghebbende betwiste – omvang van een door belanghebbende geïnvesteerd vermogen van ruim ƒ 2.000.000 en dat voorts is gelet op de door belanghebbende ontplooide activiteiten, bestaande uit de terbeschikkingstelling/verhuur van huis, inboedel en sloep, terwijl overigens niet bekend is wat sinds de oprichting in belanghebbende heeft plaatsgevonden. Het Hof acht dit – mede gelet op de door belanghebbende zelf gecreëerde onduidelijkheid omtrent haar activiteiten en de daarmee door haar genoten inkomsten en het ook in de beroepsfase nog ontbreken van een (cijfermatig uitgewerkte) gemotiveerde weerspreking van de schatting van de inspecteur – niet een onredelijk uitgangspunt en ziet derhalve geen aanleiding om het vastgestelde belastbaar inkomen te verminderen.

Slotsom

5.6. Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond zijn.

6. Proceskosten

Nu de beroepen ongegrond zijn acht het Hof geen termen aanwezig tot een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

7. Beslissing

Het Hof verklaart de beroepen ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, A.M.J.G. van Amsterdam en H.N. van der Kolk, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 23 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.