Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ7717

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
08/00048 t/m 08/00050
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is opgetreden als direct vertegenwoordiger, wat blijkt uit de volmachten en de bijzondere vermelding op de aangiften. Zij is ten onrechte als douaneschuldenaar aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/48 t/m 08/50 DK

datum uitspraak 16 juli 2009

uitspraak van de Douanekamer

op het hoger beroep van

[A] B.V., belanghebbende,

gemachtigde mr. M.C. van de Leur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/7105, 06/7106, 06/7107 van de rechtbank Haarlem (hierna de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord, kantoor Nijmegen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 26 april 2005 aan belanghebbende drie uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s) met kenmerk […] tot en met []… uitgereikt. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij drie in één geschrift vervatte uitspraken, gedagtekend 19 mei 2006, ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 11 december 2007 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 januari 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009.

Aldaar zijn verschenen [B], directeur van belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede mr. C.C. Dekker, vergezeld van J.B.M. Derksen, namens de inspecteur. De gemachtigde en de inspecteur hebben elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.4. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1. Het Hof neemt over de door de rechtbank vastgestelde feiten, welke luiden al volgt:

“2.1. Eiseres (Hof: belanghebbende) heeft in de periode april 2001 tot en met december 2003 onder vermelding van haar eigen naam in het vak ‘aangever’ aangiften ten invoer gedaan voor verschillende onderdelen van het concern [X ]B.V. (hierna: [X.] B.V.).

2.2. In 2005 is door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Amersfoort bij [X] B.V. (fiscaal nummer […52] over de periode 1 april 2001 tot en met 31 december 2001 een onderzoek (controle na invoer) ingesteld naar de naleving van de voorschriften in onder meer de vergunning ‘Passieve veredeling’, vergunningnummer [038]. In het met dagtekening 14 april 2005 opgestelde controlerapport is, voor zover hier van belang, vermeld:

“2 Algemeen

2.1 Bedrijfsactiviteiten

De bedrijfsactiviteiten bestaan onder meer uit de inkoop van grondstoffen waarna er opdracht gegeven wordt om goederen, te weten kleding, te produceren buiten de EU. Na productie worden de goederen verkocht, voornamelijk binnen de EU.

(…)

De contactpersoon bij de onderneming was de heer [Z]. De heer [Z] is procuratiehouder van de B.V.. Zijn taken zijn overgenomen door de heer [O]. De heer [O] was tijdens het onderzoek aanwezig. De heer [Z] was beschikbaar om vragen te beantwoorden.

2.2 Goederenassortiment en goederenstromen

De stoffen/weefsels/fournituren worden, afhankelijk van de soort, ingekocht bij ondernemingen gevestigd zowel binnen als buiten de Europese Unie. De vervaardiging van de kleding vindt als “loonconfectie” (…) plaats in ateliers gevestigd buiten de Europese Unie. De te verwerken materialen worden vanuit [plaatsnaam] verzonden naar ateliers in Polen, Wit-Rusland, Marokko en Litouwen. Na veredeling wordt de kleding wederingevoerd in de Europese Unie. Een en ander vindt plaats met toepassing van de douaneregeling passieve veredeling.

(…)

2.3 Concernstructuur

[Y] is voor 50 % in handen van de heer [P] en voor 50 % in handen van de heer [Q]. Hiernaast heeft [Y] financiële belangen in onder andere de volgende ondernemingen:

• Voor 100 % in [R] B.V. (…);

• Voor 100 % in [S] BV (…);

• Voor 100 % in [T] BV (…), fiscaalnummer [..49];

• Voor 50 % in [U] B.V. (…);

• Voor 65 % in [V] B.V. (…).

(…)

2.6 Vorig onderzoek

De vorige controle had betrekking op de vergunningen die ook nu in de controle zijn betrokken. Het betrof de controle periode 11 oktober 1999 tot en met 31 december 2000 en is tijdens de controle uitgebreid tot en met 31 maart 2001.

De correctie zagen op een onjuiste douanewaarde als gevolg van separate betalingen. Hiernaast was er gecorrigeerd op goederen die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst waarvoor geen vergunning kon worden overgelegd. Eveneens waar was vastgesteld dat goederen als veredelingsproducten waren wederingevoerd waarbij vrijstelling van douanerechten was genoten. Het betrof veredelingsproducten waarin niet-communautaire goederen als toegeleverde materialen waren verwerkt, en veredelingsproducten waarvoor geen vergunning passieve veredeling kon worden overgelegd. (…)

De gevolgen van het onderzoek zijn destijds besproken met de heren [P] en [Z]. Zij zijn gewezen op de verplichtingen zoals opgenomen in de vergunningen. Met nadruk is erop gewezen dat vergunninghouder verplicht is om onmiddellijk mededeling te doen van elk feit dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.

(…)

2.7 Douane-expediteur/aangever

Ten behoeve van de douaneaangelegenheden wordt gebruik gemaakt van meerdere douane-expediteur. Deze treden tevens op als aangever ten behoeve van de douaneaangiften (tijdelijke uitvoer/wederinvoer).

Het betreffen:

(…) (eiseres)

(…)

2.8 Naleving voorwaarden/afspraken

Vergunning passieve veredeling (…)

Na de vorige controle is de vergunning uitgebreid met het aantal goederencodes.

(…)

Er is echter niet voldaan aan de voorwaarden in de vergunning hieromtrent.

Tijdens de controle is geconstateerd dat op naam van [T] BV met fiscaalnummer [..49] onder de vergunning met nummer [038] aangifte zijn geplaatst. Deze vergunning staat echter op naam van [X] BV met fiscaalnummer [52]. Voor de goederen die onder de regeling passieve veredeling geplaatst zijn op naam van [T]BV met fiscaalnummer [..49] vallen niet onder een vergunning die hiervoor noodzakelijk is. De betreffende aangiften zijn als onjuist aan te merken.

Echter naar aanleiding van het omzetten van de passieve veredelingsvergunning naar het “megadocument” heeft [T]BV op 23 juli 2004 een aanvraagformulier ingediend voor afgifte van een vergunning passief veredelen. Op grond van artikel 508 lid 2 van de Verordening nummer 2454/93 (hierna TCDW) kan de vergunning met terugwerkende kracht van maximaal 1 jaar na aanvraag van de vergunning worden verleend.

Aangiften ten invoer in opdracht van [T]BV voor 23 juli 2003 waarbij een vrijstelling op grond van de vergunning passief veredelen met nummer [..038] zijn onjuist en de te weinig afgedragen douanerechten zullen worden nagevorderd (…).

(…)

3 Passieve veredeling

(…)

3.4 Waarde

(…)

Toeleveringen

Tijdens de controle bleek dat er aangifte ten uitvoer waren gedaan voor ander goederen dan die normaliter als veredelingsgoederen naar een atelier gezonden worden. Het betrof naaimachines. De machines dienden ter voortbrenging van de wederingevoerde kleding. De machines zijn echter gratis ter beschikking gesteld en hadden op grond van artikel 32, lid 1, letter b CDW bij de douanewaarde geteld moeten worden. Uit de beschikbare gegevens is niet gebleken dat er daadwerkelijk een bijtelling heeft plaats gevonden. De waarde van de toegeleverde machines zal de douanewaarde verhogen. De te weinig afgedragen rechten bij invoer zullen worden nagevorderd (…).

Commissie

[T] betaald over iedere Poolse zending 4 % commissie aan [Y] te Warszawa in Polen voor vertaalwerk. Op grond van artikel 32 lid 1, letter a CDW had de commissie, niet zijnde inkoopcommissie bij de douanewaarde geteld moeten worden. Uit de beschikbare gegevens is niet gebleken dat er daadwerkelijk een bijtelling heeft plaats gevonden. De commissie zal de douanewaarde verhogen. De te weinig afgedragen rechten bij invoer zullen worden nagevorderd (…).”

2.3. In 2005 is door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Amersfoort eveneens bij [V] B.V. (fiscaal nummer 8064.64.835) (hierna: [V]) over de periode 1 juni 2001 tot en met 31 december 2003 een onderzoek (controle na invoer) ingesteld. In het met dagtekening 14 april 2005 opgestelde controlerapport is, voor zover hier van belang, vermeld:

“3.4 Waarde

(…)

Commissie

[V] betaald via [T] over iedere Poolse zending 4 % commissie aan [Y] te Warszawa in Polen voor vertaalwerk. Op grond van artikel 32 lid 1, letter a CDW had de commissie, niet zijnde inkoopcommissie bij de douanewaarde geteld moeten worden. Uit de beschikbare gegevens is niet gebleken dat er daadwerkelijk een bijtelling heeft plaats gevonden. De commissie zal de douanewaarde verhogen. De te weinig afgedragen rechten bij invoer zullen worden nagevorderd (…).”

2.4. Eveneens in 2005 is door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Amersfoort bij [R] B.V. (fiscaal nummer [..26) (hierna: [R] over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 een onderzoek (controle na invoer) ingesteld. In het met dagtekening 14 april 2005 opgestelde controlerapport is, voor zover hier van belang, vermeld:

“3.4 Waarde

(…)

Betalingen aan F CV

Tijdens de vorige controle is vastgesteld dat door [T] bedragen worden betaald aan [F]C.V. welke direct te relateren waren aan wederingevoerde goederen. Het betrof, volgens mededeling van de heren [Q]en [Z], een vergoeding van door [F] C.V. wegens aan [G] (hierna [G], gevestigd te (…) Wit-Rusland geleverde machines (onder andere naaimachines, strijkmachines) en werkzaamheden (knowhow). De machines dienden ter voortbrenging van de wederingevoerde kleding. Uitvoer van te veredelen materialen aan [G] en wederinvoer van veredelingsproducten werd voor 50 % gedaan op naam van [R]. Door [R] werden de betreffende bedragen gefactureerd aan [T], welke de betaling aan [F] C.V. verrichtte.

[R] heeft in haar kostprijsberekening voor de hoogte van het maakloon in de totale kostprijs van een kledingstuk rekening gehouden met deze betalingen.

Destijds is in overleg met de heer [Z] van [R] en de heer [Q] van [X] BV besloten dat de bijtelling van deze toelevering op basis van een redelijk bedrag per artikel kan plaatsvinden. Immers niet alle kosten welke aan de cv worden betaald dienen in de douanewaarde te worden begrepen. Daarom is er afgesproken dat er ieder jaar een hercalculatie dient te worden gemaakt door de klant om de werkelijk betaalde prijs te kunnen bepalen. Deze berekening dient te worden ingediend bij de klantcoördinator van [X] BV te Amersfoort. Dit is echter niet gebeurd.”

2.5.1. UTB nummer […] (hierna: nr. 67) is als volgt berekend:

a. aangiften ten invoer met de regeling passieve veredeling zonder vergunning

(onderdeel 2.8 van het controlerapport [X]. B.V.) € 15.593,91

b. aangiften ten uitvoer voor andere goederen dan veredelingsgoederen

(naaimachines) (onderdeel 3.4. van het controlerapport [X]. B.V.,

onder ‘Toeleveringen’) € 124,00

c. verhoging douanewaarde met commissie (onderdeel 3.4. van het

controlerapport [X]. B.V., onder ‘Commissie’) € 1.455,98

€ 17.173,89

2.5.2. De hiervoor onder 2.5.1. onder a genoemde aangiften betreffen 23 aangiften, aanvaard in 2003. Drie van deze aangiften, met de nummers [..]5665, [..]5664 en […]5358 (hierna respectievelijk: 5665, 5664 en 5358) zijn gedaan met toepassing van de regeling terugkerende goederen. In de op de aangiften 5665, 5664 en 5358 betrekking hebbende voorafgaande uitvoerbescheiden werd verwezen naar de regeling passieve veredeling. In het vak ‘Bijzondere vermeldingen’ van de 23 aangiften is vermeld ‘Directe vertegenwoordiging namens [T] BV.

De onder b genoemde aangifte betreft de aangifte met nummer [..]4758, aanvaard op 18 november 2002.

De onder c genoemde aangiften betreffen 18 aangiften, aanvaard in 2002, en 31 aangiften, aanvaard in 2003.

2.6.1. UTB nummer […]68/01 (hierna: nr. 68) is als volgt berekend:

- verhoging douanewaarde met commissie (onderdeel 3.4. van het

controlerapport [V], onder ‘Commissie’) € 515,95

2.6.2. UTB nr. 68 heeft betrekking op 12 aangiften, aanvaard in 2002, en 15 aangiften, aanvaard in 2003.

2.7.1. UTB nummer [..]69/01 (hierna: nr. 69) is als volgt berekend:

- verhoging douanewaarde toelevering goederen aan Wit-Rusland

(onderdeel 3.4. van het controlerapport [R], onder ‘Betalingen aan [F]

CV’) € 6.372,05

2.7.2. UTB nr. 69 heeft betrekking op de aangifte met nummer []5106, aanvaard op 12 december 2002, en op de aangifte met nummer [..]9830, aanvaard op 2 december 2003.

3. Geschil in hoger beroep

Niet in geschil zijn het bestaan en de hoogte van de douaneschuld.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de sub 1.1. genoemde uitnodigingen tot betaling terecht aan belanghebbende zijn uitgereikt.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken is vermeld en naar hetgeen ter zitting is verhandeld.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.Vast staat dat op alle overgelegde aangiften ten invoer (douane-wegvoeringsexemplaren) door belanghebbende onder ‘bijz. vermeldingen’ is vermeld:

‘directe vertegenwoordiging namens [T] B.V., [plaatsnaam]. Het gaat hier om de sub 2.5.1. bedoelde 23 aangiften, waarop het sub 2.5.1, onderdeel a, bedoelde bedrag van de uitnodiging tot betaling nr. 67 betrekking heeft.

5.2. Belanghebbende heeft gesteld dat op alle door haar voor [T] B.V. en andere tot het [X] B.V. behorende concern gedane aangiften een dergelijke vermelding, verwijzend naar de desbetreffende importeur/opdrachtgever, is opgenomen. De inspecteur heeft die stelling op zich niet weersproken.

5.3. Tot de gedingstukken behoren volmachten ‘voor het verrichten van douaneformaliteiten en daarmee samenhangende werkzaamheden’ van [R] B.V., [T] B.V., en [X] B.V., waarop is vermeld dat de handelingen en werkzaamheden worden verricht ‘in naam en voor rekening van’ de volmachtgever.

5.4. Gelet op het in 5.1. t/m 5.3. overwogene moet worden geoordeeld dat belanghebbende op alle onderhavige aangiften heeft verklaard voor de vertegenwoordigde persoon te handelen, dat zij heeft aangegeven dat het een directe vertegenwoordiging betreft, en dat zij over de vereiste vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikt. Daaruit volgt dat zij deze aangiften heeft gedaan als directe vertegenwoordiger.

5.5. Belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur heeft bevestigd, dat het destijds niet mogelijk was op de voorgeschreven wijze aangifte te doen als directe vertegenwoordiger van de houder van een vergunning passieve veredeling, met gebruikmaking van het geautomatiseerde Sagitta (hierna: Sagitta). Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat het in de praktijk wel voorkwam dat Sagitta toch voor aangiften als directe vertegenwoordiger werd gebezigd, met dien verstande dat de vermelding ‘directe vertegenwoordiging’ - evenals in het onderhavige geval - in afwijking van de Toelichting Enig Document in het vak ‘bijzondere vermeldingen’ werd opgenomen, dat die handelwijze door de douane werd gezien, begrepen en in voorkomend geval werd geaccepteerd.

Niettemin acht hij deze handelwijze niet aanvaardbaar.

5.6. De Douanekamer verwerpt het sub 5.5. vermelde standpunt van de inspecteur. Aan belanghebbende kan in de gegeven omstandigheden niet worden verweten dat zij heeft gekozen voor een in de praktijk bekende en geaccepteerde handelwijze om te bereiken dat zij op de door het Gemeenschapsrecht gewaarborgde - en zelfs vereiste - wijze aangifte als directe vertegenwoordiger kon doen.

5.7. Ook het beroep van de inspecteur op het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2006, nr. 38 995, BNB 2006/210c*, faalt, reeds omdat in die zaak geen sprake was van een bijzondere vermelding op de aangiften dat werd opgetreden als directe vertegenwoordiger.

5.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende met betrekking tot de litigieuze uitnodigingen tot betaling ten onrechte als douaneschuldenaar is aangemerkt.

Slotsom

5.9. Het hoger beroep is gegrond; de uitspraak van de rechtbank kan niet in stand blijven.

6 Kosten

6.1. Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 4 (beroepschriften, verschijnen ter zitting van de Douanekamer van de rechtbank en de Douanekamer van het Hof) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 1.932.

6.2. Ook het griffierecht in beide instanties, € 281 en € 428, dient aan belanghebbende te worden vergoed.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de uitnodigingen tot betaling nrs. 67, 68 en 69;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, groot € 1.932;

- gelast de inspecteur het griffierecht ten bedrage van in totaal € 709 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en K. Kooijman, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op 16 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.