Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6879

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
23-004157-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO2966, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2966
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte in Schipholbrandzaak veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens opzettelijke (in de zin van voorwaardelijk opzet) brandstichting in zijn cel in het cellencomplex te Schiphol-Oost op 26 oktober 2005. Verdachte niet verantwoordelijk voor de gevolgen van de brand die zich in het cellencomplex heeft ontwikkeld: de dood van 11 personen kan in redelijkheid niet aan de (gedraging) van de verdachte worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004157-07

datum uitspraak: 3 september 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 15 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-634170-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats en –datum]

thans verblijvende te [verblijfplaats]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 21, 22 en 29 mei 2007 en 1 juni 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van

30 oktober 2007, 29 november 2007, 8 februari 2008, 4 april 2008, 22 augustus 2008,

12 december 2008, 29 januari 2009, 26 maart 2009, 26 mei 2009 en 10, 11, 12, 13, 14 en 20 augustus 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting van 12 december 2006 op vordering van de officier van justitie op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en door de rechtbank toegelaten nader omschreven. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3. Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4. Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 oktober 2005 te Oude Meer, in de gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk brand heeft gesticht in detentiecel nummer 11 in Unit K van het cellencomplex Schiphol-Oost aldaar, immers heeft verdachte toen in voornoemde cel, opzettelijk met behulp van een brandende/smeulende sigaret toiletpapier en/of goederen in die cel tot ontbranding gebracht, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen, te weten ingeslotenen in een of meer cellen van Unit K van dat cellencomplex en/of andere daar aanwezige personen te duchten was.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op het hiernavolgende.

5. Bewijsoverwegingen

De gebeurtenissen in de nacht van 26 op 27 oktober 2005

Het cellencomplex te Schiphol-Oost bestaat uit verschillende vleugels met cellen die worden gebruikt voor de detentie van verschillende categorieën personen.

In de vleugels J en K bevonden zich destijds personen die werden vastgehouden op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet, in afwachting van hun uitzetting uit Nederland.

Deze vleugels J en K bestonden ieder uit een gang met aan weerszijde daarvan respectievelijk 11 en 15 (totaal 26) cellen die elk waren bestemd/ingericht voor maximaal twee personen.

In de vleugels J en K waren in de nacht van 26 oktober op 27 oktober 2005 in totaal 85 personen gedetineerd, van wie 42 in vleugel K . Verdachte was als enige ingesloten in cel K11.

Roken in de cellen was op de K-vleugel toegestaan.

Op 26 oktober 2005 te 23.55.00 uur heeft de hoofdbrandcentrale een brandalarm gemeld in de K-vleugel (ook wel aangeduid als: unit K) van het cellencomplex Schiphol-Oost .

[bewaarder 1] bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft verklaard dat zij tijdens haar werkzaamheden in de D-vleugel een melding kreeg dat er brand was op de K-vleugel.

Zij heeft daarop haar collega [bewaarder 2], op dat moment werkzaam in de C-vleugel, opgeroepen en is samen met [bewaarder 2] naar de K-vleugel gerend.

[Bewaarder 1] en [bewaarder 2] hebben verklaard dat zij bij het betreden van de gang in de K-vleugel alleen rook uit de achterste cel linksachter zagen komen.

Dit betrof cel 11 (het hof begrijpt hier en hierna: cel K11) Zij hoorden dat de bewoner van cel K11 hard op de deur bonkte. [Bewaarder 1] zag dat er veel rook door kieren uit de laatste cel (het hof begrijpt: van cel K11) kwam. [Bewaarder 2] heeft verklaard dat, toen hij de deur van cel K11 opende, de bewoner van cel K11 (de verdachte) helemaal onder het roet naar buiten kwam “gevallen” . Het is dan 23.57.13 uur . [Bewaarder 1] heeft verklaard dat de verdachte brandwonden op zijn handen had, dat zijn lichaam helemaal rood was en dat er rook uit zijn haren kwam. Zij zag na opening van de celdeur vlammen en heel veel rook uit de cel komen.

[Bewaarder 1] zag dat het binnen een paar seconden helemaal zwart werd in de gang. De rook kwam bij uitsluiting van alle andere cellen uit cel K11 en ging heel snel richting de J-vleugel. [Bewaarder 1] zag dat het in cel K11 flink brandde. Zij heeft voorts verklaard dat zij een knetterend geluid hoorde, komend uit de cel. [Bewaarder 2] heeft verklaard dat hij eveneens veel rook in de cel zag, maar door de rookontwikkeling geen vlammen zag. De deur van cel K11 is daarna open blijven staan, waarna er vanuit de cel een grote hoeveelheid zwarte rook de gang instroomde, hetgeen ook valt waar te nemen op beelden van de vaste beveiligingscamera’s op de K-vleugel . Op de beelden van die beveiligingscamera’s is te zien dat [bewaarder 1], [bewaarder 2], de inmiddels gearriveerde [bewaarder 3] en de verdachte verschenen in de verbindingsruimte tussen de K- en de J-vleugel, komende vanuit de K-vleugel.

[Bewaarder 3] heeft verklaard dat zij bij haar aankomst op de K-vleugel zag dat de bovenste helft van de gang van de K-vleugel was gevuld met zwarte rook. Het is dan 23.57.51 uur .

Om 23.57.08 uur is zij samen met [bewaarder 1] begonnen de celdeuren in de K-vleugel te openen, werkend vanaf het begin van de K-vleugel in de richting van cel K11. Na het openen van de eerste celdeur K1 zag [bewaarder 3] vanaf de linkerachterkant vanaf de ingang van de

J-vleugel plotseling vuur. Zij heeft verklaard dat het ter hoogte van cel 7 of 8, als gevolg van de rookontwikkeling in de gang en de vlammen die uit de linkerachterzijde van de gang sloegen, ondoenlijk was om verder de gang in te gaan. Inmiddels was de hele gang van de K-vleugel gevuld met rook en zij moest ontzettend hoesten. Ook sloegen de vlammen uit de richting van de linkerachterkant van de K-unit. [Bewaarder 3] heeft vervolgens [bewaarder 1] geholpen de inmiddels uit hun cel gelaten bewoners naar de J-vleugel te dirigeren. [Bewaarder 1] heeft verklaard dat zij ter hoogte van cel 15 of 16 door de rook en de hitte niet verder de gang in kon komen. [Bewaarder 1] en [bewaarder 3] hebben op dat moment naar elkaar geschreeuwd dat zij niet verder konden en terug moesten.

De ontruiming van de cellen in de K-vleugel is om 23.59.00 uur gestaakt. Vijf van de 26 cellen zijn ongeopend gebleven. Hierin bevonden zich tien van de dodelijke slachtoffers.

Nadat de bevrijde bewoners van de K-vleugel naar de J-vleugel waren overgebracht, werd ook deze vleugel ontruimd. Andere dienstdoende bewaarders hebben eveneens verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen.

[Bewaarder 4] is na de brandmelding samen met [bewaarder 5] buitenom naar de nooduitgang op de kopse kant van de K-vleugel gerend. [Bewaarder 4] heeft verklaard dat hij, rennend in de richting van de kopse kant, zicht kreeg op het raam van de laatste cel van de K-vleugel. (het hof begrijpt cel K11) Toen hij in de richting van het raam van die cel keek, zag hij dat er achter dat raam vuur was. Hij zag vlammen in die laatste cel, die nog niet tot het plafond van de cel reikten. Op het moment dat hij op de hoek van de K-vleugel was, ontwikkelde de brand zich van brand in de cel naar een brand waarbij de vlammen onder het dak vandaan kwamen. [Bewaarder 5] heeft verklaard dat hij, rennend in de richting van de K-vleugel, rook zag ter hoogte van de cellen 10 en 11 van de K-vleugel. Ter hoogte van cel K11 zag hij door het raam van die cel een rode gloed. Het raam van die cel was toen nog intact. Na het openen van de nooddeur zag [bewaarder 5] grote hoeveelheden rook naar buiten komen. Nog geen 10 seconden later kwamen vanuit de richting van cel K11 grote steekvlammen op hen af zodat zij achteruit moesten stappen. [bewaarder 4] zag dat de ventilatiekleppen bij de nooduitgang, die bij brand open zouden moeten gaan, nog gesloten waren. [Bewaarder 4] constateerde heel kort daarna dat de plafondplaten in de centrale gang vlam hadden gevat en dat stukken daarvan naar beneden kwamen en dat, op het moment dat hij bij de nooddeur stond, rechts hiervan de cel (het hof begrijpt cel K11) aan het branden was. Hij heeft verklaard dat daar de brand is ontstaan en dat deze cel open stond.

Om 23.58.12 uur is de brandmelding binnengekomen bij de brandweer, post Sloten.

Op basis van deze melding zijn drie voertuigen vanuit de post Sloten uitgerukt.

Uit verklaringen van [brandweer 1] en [brandweer 2] , beiden onderbrandmeester van het brandweerkorps Schiphol, post Sloten, komt het volgende naar voren.

Reeds tijdens het aanrijden is de brand opgeschaald naar de status van grote brand, vanwege een melding van het Regiecentrum te Schiphol dat de vlammen al uit het dak sloegen.

Bij het aanrijden was te zien dat aan de buitenzijde van het cellencomplex, aan de Noordzijde, vlammen boven het dak uitkwamen. Om 00.08.27 uur arriveerde het eerste brandweervoertuig bij het cellencomplex. Bij het betreden van het cellencomplex trad vertraging op doordat in eerste instantie op een verkeerd (afgesloten) toegangshek werd aangereden en vervolgens als gevolg van problemen met de sluis bij het tweede hek (de zogenoemde ‘speedgate’) door het ontbreken van adequate opvang op het terrein en de bemoeilijkte toegang tot de J-vleugel . Nadat de brandweer heeft geprobeerd de inmiddels hevige brand in de K-vleugel te blussen heeft men zich - als gevolg van de hitte en het geconstateerde gevaar voor een flashover via het verlaagde plafond - omstreeks 00.34.00 uur teruggetrokken uit de K-vleugel. Rond 01.30.00 uur was de situatie zodanig onder controle dat de brandweer met behulp van perslucht de K-vleugel kon betreden. Bij onderzoek van de cellen aldaar werden (in de cellen 5, 9, 10, 12, 13 en 14) in totaal elf overleden personen aangetroffen. Daarnaast zijn vijftien personen gewond geraakt.

Vraagstelling

Bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep staat de vraag centraal of de verdachte de hiervoor beschreven brand in het cellencomplex heeft veroorzaakt en zo ja, of hij strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de gevolgen van deze brand. Daartoe acht het hof het volgende van belang.

De oorsprong, oorzaak en verspreiding van de brand

De heer O. Delémont, universitair docent aan de Universiteit van Lausanne, heeft op verzoek van het hof en op voordracht van de verdediging als deskundige een onderzoek ingesteld naar de oorsprong, de oorzaak en het verloop van de brand. De bevindingen en conclusies van zijn onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 maart 2009 . Dit rapport (hierna: Delémont) geeft - kort gezegd - de volgende bevindingen:

Ten aanzien van de oorsprong van de brand.

Lokaliseren van de brandoorsprong

Een aantal elementen waarop in het onderzoek naar de chronologische volgorde van de gebeurtenissen de aandacht is gevestigd, geeft aan dat de brand is ontstaan in het uiterste noorden van de K-unit, in de zone waar cel K11 zich bevindt . Op basis van deze bevindingen heeft de lokalisering van de bron van de brand, de plek waar de brand is ontstaan, zich geconcentreerd op het onderzoeken van de zone die zich aan de noordkant van de K-unit bevindt.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de brand is begonnen binnen in een container van de K-unit of in een van de niet bewoonde ruimtes.

De resultaten van het onderzoek ter plaatse door Delémont, in combinatie met de verkregen inlichtingen over de algemene plaatsing en inrichting van de zone waar de brand is ontstaan en over de daar aanwezige vuurbelasting, tonen uitdrukkelijk aan dat de brand niet kon beginnen in de loze ruimte onder de containers, noch in de centrale hal van de K-unit en ook niet in de loze ruimte die zich bevindt tussen de bovenkant van de containers en de onderzijde van het dak van het gebouw. De brandoorsprong bevindt zich noodzakelijkerwijs binnen het metalen omhulsel van een van de containers, in het onderhavige geval die welke cel K11 vormt.

De in cel K11 geconstateerde concrete sporen hebben het mogelijk gemaakt te bepalen dat de brand is ontstaan in het woongedeelte dat de noordwestelijke helft van de container beslaat. Op basis van de verkolingssporen kon de brandoorsprong nog nader worden aangeduid en worden gelokaliseerd ter hoogte van het stapelbed.

Sporen op de elektrische installatie van cel K11

Wanneer een brand zich ontwikkelt in een omgeving die een elektrische installatie bevat en deze elektrische installatie onder spanning staat, ontstaat kortsluiting.

Door het verschijnsel kortsluiting ontstaat onvermijdelijk een geleidingsbrug die vanwege het grote calorische vermogen dat vrijkomt een puntverdamping veroorzaakt van het geleidingsmateriaal, in het algemeen koper. Aan de hand van reconstructie van het montageschema van de elektrakabels in cel K11 is aan het uiteinde van de voeding van de muurstopcontacten in de linkercelwand ter hoogte van de houten tafel een puntspoor van koperverdamping geconstateerd.

Dit spoor van een geleidingsbrug vormt essentiële informatie, die bevestigt dat de brand is begonnen binnenin cel K11 en voor de lokalisering van de initiële brandhaard in het woongedeelte van de container. De aanwezigheid van een dergelijk spoor in cel K11 toont aan dat de elektrische installatie nog onder spanning stond op het moment van de brand.

Door deze situatie kan worden uitgesloten dat de brand zou zijn begonnen op een andere plek, zoals de ruimte tussen de bovenkant van de containers en het dak van het gebouw of in een van de naastgelegen cellen. Alleen de hypothese uitgaande van een brand die is ontstaan in cel K11 en die zich vervolgens uitbreidt naar de ruimtes buiten deze container kan een kortsluitingspoor hebben veroorzaakt, zoals het spoor dat in cel K11 is waargenomen.

Ten aanzien van de oorzaak van de brand.

Alle potentiële warmtebronnen zoals de verwarmingsinstallatie, de elektriciteitsontvangers en het elektriciteitsnet die deel uitmaken van de inrichting van cel K11 zijn onderzocht en bestudeerd. Uit geen daarvan kan de toevoer van activeringsenergie worden verklaard, die de ontsteking van de brand mogelijk heeft gemaakt. De oorzaak van de brand vormt dus noodzakelijkerwijs het resultaat van menselijk handelen.

Rechtstreekse menselijke interventie is noodzakelijkerwijs de oorzaak van de brand, maar zowel een opzettelijke daad als onopzettelijke daad als onopzettelijk handelen blijven denkbaar.

De veronderstelling van onopzettelijk handelen berust op het feit dat de bewoners van de K-unit in hun cel mochten roken. Dit introduceert de mogelijke aanwezigheid van een warmtebron met een laag calorisch vermogen – een gloeiende sigarettenpeuk – als gevolg van een toegestane menselijke activiteit. Gezien de in potentie op de plek waar de brand is ontstaan aanwezige brandbare materialen, is het een plausibele hypothese dat er een brandontsteking kan plaatsvinden binnenin een vaste stof, eerst in de vorm van gloeibrand, die zich vervolgens ontwikkelt tot een brand met vlammen. Op basis van de uitgevoerde onderzoekshandelingen en de verzamelde informatie is er geen enkel valide wetenschappelijke grond die een dergelijke mogelijkheid kan uitsluiten. Vaststaat dat het beginnen van een smeulbrand, het onderhouden ervan en de ontwikkeling ervan tot vlammen, mechanismen blijven die bij talrijke branden zijn geconstateerd als gevolg van de onvoorzichtigheid van rokers die in slaap vallen met een brandende sigaret of die vergeten dat ze een dergelijke warmtebron hebben laten liggen op een gestoffeerd meubelstuk of kussen.

Ten aanzien van het verloop (de verspreiding) van de brand.

Verloop in cel K11

Welke hypothese over een mogelijke oorzaak van de brand ook wordt beschouwd, de eerste vlammen hebben zich snel uitgebreid naar de brandbare massa in de nabijheid van het ontstekingspunt: lakens, dekens, kussen en ook kleding en toiletpapier als deze aanwezig waren. De energie die is vrijgekomen door de verbranding van deze materialen op het matras heeft het ontvlammen van het matras veroorzaakt; de brand is vervolgens overgeslagen naar het tweede matras.

Cel K11 is een compartiment waar de luchtverversing beperkt is. Het door de brand verminderde zuurstofgehalte heeft een vertraging van het verbrandingsregime tot gevolg gehad en een verandering van de aard van de geproduceerde effluenten; de ontwikkeling van de vlammen en het vrijkomen van warmte zijn belemmerd. In dit stadium van het brandverloop is naar alle waarschijnlijkheid een deel van de geproduceerde rook zich gaan uitbreiden naar de ruimte boven de container via de gaten die bovenin het technische compartiment in de constructie daarvan zijn gemaakt. Dat er rook doordringt in de centrale gang van de K-unit via de ingangsdeur van de cel, via de deur van de technische ruimte van de cel en/of de HPL-panelen boven de voorzijde van de cel, is geregistreerd door de bewakingscamera’s en opgemerkt door de naar deze unit toegesnelde bewakers.

Ontwikkeling van het verbrandingsproces na opening van de celdeur

Het openen van de deur van cel K11 door de twee bewaarders om 23.57.13 uur is een beslissende gebeurtenis in het brandverloop. De bovenin de cel opeengepakte verbrandingsproducten (gassen en rook ) konden wegstromen naar de centrale gang en er was toetreding van verse lucht in de cel. De belemmering van het verbrandingsregime was daarmee voorbij: de verbranding in de cel is in een versnelling geraakt. De brand heeft zich uitgebreid binnen het woongedeelte van de cel en de totale brandbare inhoud van de cel heeft vlamgevat.

Van een plaatselijke brandhaard evolueert de situatie naar een gegeneraliseerde brand waarbij alle brandbare oppervlaktes zijn betrokken. Deze overgangsfase, die zich in relatief korte tijd voltrekt, wordt aangeduid met de Engelse term ‘flashover’.

De vlammen hebben zich in eerste instantie uitgebreid via de vlampluimen die uit de container van cel K11 spoten in de richting van cel K12 en naar buiten, door de naastgelegen nooddeur (nooddeur 6). Vervolgens hebben de vlammen zich verspreid in de gang.

Door de vlamuitbreiding in cel K11 en in de centrale gang van de K-unit hebben de verbrandingsproducten zich verspreid via de kapotte ruit en de ventilatiegaten van de cel in de loze ruimtes boven de cellen in het uiterste noordoosten van het gebouw. Door vermenging met de in deze loze ruimtes aanwezige lucht zijn deze ontbrand, waardoor ze de brand in de schilruimte hebben verspreid.

De hernieuwde toetreding van verse lucht heeft ervoor gezorgd dat de brand zich kon uitbreiden door de openingen in de zuidoostwal van de K-unit naar de bovenconstructie van het gebouw.

Het hof acht bovenstaande conclusies met betrekking tot de brandoorsprong, brandoorzaak en het verloop van de brand wetenschappelijk verantwoord. Deze zijn op inzichtelijke wijze beredeneerd en gedocumenteerd. Voorts zijn deze methodologisch onderbouwd en overtuigend.

Het hof komt hier in zijn arrest bij de bespreking van de verweren nog uitgebreid op terug.

Het hof onderschrijft de conclusies van Delémont, temeer nu de hierboven weergegeven bevindingen en conclusies in diens rapport in belangrijke mate overeenkomen en ondersteuning vinden in de bevindingen en conclusies omtrent de oorsprong, de oorzaak en het verloop van de brand in eerdere - op grond van technisch onderzoek opgemaakte - rapporten.

Het hof geeft de inhoud van die rapporten hierna kort en zakelijk weer.

In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 28 april 2006 , opgemaakt door ir. J.H.L.M. Lelieveld, concludeert deze deskundige - kort gezegd - dat gezien de duur en de intensiteit van de brand alle aangetroffen brandpatronen op de stalen containerwanden van

cel K11 kunnen worden verklaard als afkomstig van één primaire brandhaard met als conclusie: een primaire brandhaard ter plaatse van het stapelbed, terwijl alle andere (secundaire) brandhaarden hieruit zijn ontstaan. Onderschreven kan worden dat de brand waarschijnlijk aan de rechterzijde (het hof begrijpt: bezien vanaf de toegangsdeur van cel K11) is ontstaan en zich van hieruit verder heeft verspreid. Aan de rechterzijde van de cel bevinden zich geen apparatuur of elektrische aansluitingen, die een technische oorzaak als verklaring kunnen geven voor het ontstaan van de brand.

DGMR Bouw BV heeft een onderzoek naar de branduitbreiding en rookverspreiding van de brand verricht. In het rapport van 4 mei 2007, opgesteld door ir. P.H.E. van de Leur en ing.

J.T. Koudijs, komen de deskundigen - kort gezegd - tot de conclusie dat de rook zich niet ongewoon snel heeft verspreid over de K-vleugel. Gegeven de celinrichting in de K-vleugel en gegeven het open laten van de deur van cel K11, waar de brand was begonnen, is de hoge verspreidingssnelheid te verwachten.

Er is sprake van een duidelijke route van de brandontwikkeling vanuit cel K11. Na de flashover in cel K11 hebben de uitslaande vlammen in de gang in zeer korte tijd de houtwolcement plafondplaten uitgebrand, waarbij de platen in brokken naar beneden zijn gekomen. Daardoor hadden de vlammen een vrije toegang tot de plenums (loze ruimten) boven de gang en boven de cellen. De brand is uiteindelijk doorgeslagen naar de cellen die gesloten zijn gebleven.

Twee routes lijken daarvoor aan te wijzen: via de minder brandwerende deur naar de meterkast en via de aansluitingen van de ventilatiekanalen op het dak van de container.

De tweede onderzoeksvraag richtte zich op de factoren die mogelijk van invloed zijn geweest

op de snelheid waarmee de brand zich in het complex heeft uitgebreid. Uit het onderzoek van DGMR blijkt hieromtrent het volgende:

Factoren van invloed op de brandontwikkeling:

Brandwerendheid van de celcontainer K11:

- er zijn geen voorzieningen getroffen in het ventilatiekanaal om branddoorslag tussen de cellen onderling of tussen cel en celplenum te voorkomen.

- door de afwezigheid van bij brand opschuimende strips in de deur van de technische kast is een gat ontstaan in de brandwerende schil rondom de cel, hetgeen waarschijnlijke een belangrijke rol heeft gespeeld bij de branddoorslag naar de cellen die gesloten zijn gebleven.

Afwerkingsmaterialen celcontainer:

indien de afwerking van de wanden geheel uit onbrandbaar materiaal zouden zijn opgetrokken, zou dit hebben geresulteerd in een tragere branduitbreiding. Dit geldt eveneens voor de beplating in de gang.

Inrichtingsmaterialen celcontainer:

het feit dat er twee matrassen in de cel waren is van belang geweest voor de beginfase van het brandverloop en het grote vermogen dat zich in korte tijd heeft kunnen opbouwen. De lakens zijn niet brandvertragend.

De invloed van de kwaliteit van de lakens op het brandverloop is groot; een brandvertragende kwaliteit zou de doorgroei naar een flashover sterk hebben vertraagd.

Bouwconstructie/celplenum:

via de gang en het gangplenum is de brand in de celplenums terechtgekomen. Dit heeft het bestrijden van de brand bemoeilijkt, omdat de celplenums voor de brandweer niet bereikbaar waren en dit een gevaar voor de brandweer vormde. Uitslaande vlammen uit het omhulsel van het plenum kunnen de indruk hebben gewekt dat de brand onbeheersbaarder was dan hij daadwerkelijk was. Door de ventilatiekanalen in het plenum hebben zich verbrandingsgassen naar de overige cellen kunnen verspreiden, mogelijk naar de cellen aan de zuidzijde.

Materialisering plafond:

materiaal houtwolcementplaten: geen brandwerende functie. Heeft grote invloed gehad op de snelheid van de branduitbreiding. Dit heeft de brandweer belemmerd in het effectief uitvoeren van een binnenaanval omdat de brand snel in de plenums zat.

Toevoerroosters RWA-installatie:

correct werkende installatie zou in het algemeen wel brandontwikkeling hebben vertraagd.

Rookluiken RWA installatie:

een grotere installatie zou, doordat meer verbrandingsgassen en warmte zouden zijn afgevoerd, het brandverloop in de gang vertraagd hebben.

Ventilatiesysteem cellen:

niet toepassen van brandkleppen of brandmanchetten zijn van invloed geweest.

Sluiten deur van cel K11:

indien de deur was gesloten na het bevrijden van de verdachte, zou de brand zich niet hebben kunnen uitbreiden naar de rest van de vleugel en hoogstwaarschijnlijk zijn gesmoord. De ventilatiebuizen zijn sterk genoeg gebleken om een kleine celbrand te doorstaan, waarschijnlijk lang genoeg om andere bewoners uit de cel te bevrijden, waarna de brandweer de (na)smeulende brand zou hebben kunnen blussen.

De verklaring van de verdachte

Het hof heeft vastgesteld, dat de verklaring van de verdachte , ter terechtzitting van het hof op 13 augustus 2009 nog eens bevestigd, overeenkomt met de bevindingen van de deskundigen - zoals hierboven weergegeven - omtrent de oorsprong, oorzaak en het verloop van de brand.

De verklaring van de verdachte luidt ter zake als volgt:

Op 26 oktober 2005 bevond ik mij in cel K11 van het cellencomplex te Schiphol- Oost te gemeente Haarlemmermeer. Het was donker op de kamer. Ik lag op het onderste bed televisie te kijken en rookte een zelf gerold shagje. Ik was de enige bewoner van deze cel. Bij mijn voeten lag een weggetrapt en verfrommeld laken en daar lag ook een deels afgerolde rol toiletpapier.

Mijn broek hing aan de linkerpoot aan de achterkant van het bed. Ik heb de televisie uitgedaan omdat ik wilde slapen. Ik heb de sigaret voor een kwart opgerookt. Na de laatste trek heb ik de sigaret niet uitgemaakt. Ik dacht dat hij uit was. Ik heb de sigaret met mijn duim en wijsvinger weggeschoten in de richting van het voeteneinde van het bed. Ik heb niet gecontroleerd of de sigaret uit was en ik heb ook niet gecontroleerd waar deze terecht is gekomen. Ik ben gaan slapen. Op een gegeven moment voelde ik iets warms bij mijn voeten. Ik werd wakker en zag vuur en rook op het bed bij mijn voeten. De lakens lagen opgefrommeld aan het voeteneinde van het bed. Toen ik wakker werd, was dat de plaats waar het vuur was. Later kwam het vuur tegen de onderkant van de matras van het bovenste bed. Het vuur was al zo hoog als de onderkant van het bovenbed van het stapelbed. Ik heb de brand zelf gezien, het was in mijn cel.

De conclusie van het hof over de oorsprong en de oorzaak van de brand.

Het vorenstaande in aanmerking genomen - in onderling verband en samenhang beschouwd - gaat het hof thans van het volgende uit.

De oorsprong van de brand is gelegen in cel K11 van het cellencomplex Schiphol-Oost en wel ter hoogte van het stapelbed in die cel aan de rechterzijde van de cel.

Er is geen technische of andere oorzaak anders dan menselijk handelen gevonden die het ontstaan van de brand op die plaats kan verklaren.

Daarom is de oorzaak van de brand gelegen in menselijk handelen. De verdachte was als enige in cel K 11 ingesloten en was in het bezit van een aansteker en sigaretten/shag .

Een smeulende sigaret kan een ontstekingsbron zijn en de verdachte heeft de hiervoor aangehaalde verklaring afgelegd over het wegschieten van de sigaret/peuk.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat op basis van de aangehaalde bewijsmiddelen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting rechtens genoegzaam is komen vast te staan dat door handelen van de verdachte, te weten het wegschieten van de sigaret/peuk, de brand op het bed in zijn cel is ontstaan.

Anders dan de raadsman acht het hof de verklaring van de verdachte geloofwaardig.

De verdachte heeft steeds op bovenstaande wijze op de essentiële punten gedetailleerd en consistent verklaard. Ter terechtzitting van het hof is hij hierbij gebleven. Deze verklaring draagt derhalve bij tot het bewijs.

Opzet

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in zijn cel in de zin dat hij noodzakelijkheidsopzet bezat, inhoudende dat hij zijn gedraging gewild en geweten heeft en ook de gevolgen daarvan. Het hof verwijst hierbij naar de door de verdachte gegeven lezing van de gebeurtenissen, zoals hierboven weergegeven, welke het hof geloofwaardig acht.

Uit het dossier blijkt bovendien dat verdachte getracht heeft de brand te blussen, hetgeen veeleer duidt op het ontbreken van noodzakelijkheidsopzet.

Ook is geconstateerd dat de verdachte een contactverwonding had aan zijn rechterhiel, welke door hittestraling is veroorzaakt . Niet onaannemelijk is dat de verdachte door de pijn daarvan is wakker geworden. Voorts wordt in het dossier evenmin ondersteuning gevonden voor het verwijt dat de verdachte de brand willens en wetens, met vooropgezette bedoeling heeft gesticht.

Voorwaardelijk opzet

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat bovengenoemd handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd als voorwaardelijk opzet op het stichten van brand. Daaraan doen niet af, zoals de raadsman stelt, eventuele gebreken in de opzet van de brandproeven zoals door Efectis gehouden. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 mei 2007 heeft de getuige-deskundige Van der Leur hierover uitgebreid verklaard. Naar het oordeel van het hof is het ook een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat (bij bepaalde materialen en onder bepaalde randvoorwaarden) een sigaret, ook smeulend, brand kan veroorzaken, hetgeen door de brandproeven is bevestigd. Ter ondersteuning verwijst het hof nogmaals naar het NFI rapport van 28 april 2006, opgemaakt door ir. Lelieveld, waarin wordt verwezen naar onderzoek aan meubels waaruit blijkt dat bij contact met een katoenen bekleding de kans op ontsteking ongeveer 94% is, terwijl uit experimenten met complete bedden, stoelen en banken bleek dat het bij circa 64% daadwerkelijk tot open vuur kwam. Daarbij speelt onder meer een rol of er andere brandbare materialen op het bed aanwezig zijn zoals katoenen lakens of kleren. Niet voor niets wordt roken in bed als gevaarzettend beschouwd.

Zoals hierboven aangegeven, wijst ook de deskundige Delémont erop dat bij talrijke branden is gebleken dat de hypothese van onopzettelijk ontsteken door een gloeiende sigarettenpeuk in aanmerking dient te worden genomen als een aannemelijke veronderstelling. Dat die situatie zich niet altijd voordoet, omdat de hitteontwikkeling afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, maakt dat niet anders. Evenmin wordt naar het oordeel van het hof die aanmerkelijke kans verwaarloosbaar klein als het gaat om de peuk van een uit shag gerolde sigaret. Dat de verdachte op de koop toe heeft genomen dat er ten gevolge van zijn handelen brand zou kunnen ontstaan, blijkt uit het gegeven dat hij niet de moeite heeft genomen de sigaret in een asbak te doven of te controleren dat de peuk die hij wegschoot - een wijze van handelen met een heel onzeker resultaat - inderdaad geheel was uitgedoofd, wetende dat er aan het voeteneinde van zijn bed een verfrommeld laken en een deels afgerolde rol toiletpapier lagen. Het gegeven dat de verdachte bij het constateren van de brand heeft getracht het vuur te doven, maakt dat niet anders.

Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen brand zou ontstaan op de koop toe heeft genomen en mitsdien met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld.

De conclusie van het hof over het verloop van de brand

Bij de brand in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 in het detentiecentrum Schiphol zijn 11 personen door koolmonoxidevergiftiging om het leven gekomen.

Anders dan door de advocaat-generaal is betoogd en door de rechtbank is bewezen verklaard is het hof van oordeel dat de (generale) brand die het complex van unit K heeft verwoest en de dood van deze 11 personen tot gevolg heeft gehad niet in strafrechtelijke zin redelijkerwijze nog als gevolg van de door de verdachte verrichte handeling aan de verdachte kan worden toegerekend, nu deze in een te ver verwijderd verband staat tot de door de verdachte verrichte handeling.

Het hof komt tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen.

De deskundige Delémont verwoordt het als volgt: zoals bij de meeste rampen is het niet eenvoudig uit te leggen hoe een bijna banale situatie kon uitdraaien op zulke tragische gevolgen: het is een samenloop van talrijke factoren binnen een complex proces die heeft geleid tot een gegeneraliseerde brand waarbij 11 in dit gebouw gedetineerden niet gered konden worden.

Door het NFI was reeds op 28 maart 2006 met voorrang gerapporteerd over de vraag wat de invloed is geweest van het niet afsluiten van de deur van cel K11 na het ontdekken van de brand op het verloop van de brand. Onder het voorbehoud dat veel meer factoren een rol spelen bij (de snelheid van) het verdere brandverloop na het niet sluiten van de deur blijkt uit dit rapport - kort samengevat - dat het ventilatiesysteem in de cel slechts een beperkte brand (40 Kw) kon onderhouden, dat de weerstand van de wanden tegen branddoorslag en brandoverslag bij een gesloten celdeur in 2003 door TNO was bepaald op 30 minuten en dat niet te verwachten was dat het vuur binnen 30 minuten door de lexaanplaat en de raamconstructie in de achterwand heen zou branden, terwijl ook niet te verwachten was dat de flexibele aansluiting van de afvoer van het ventilatiesysteem snel zou bezwijken.

Naar het oordeel van het hof is uit het rapport van NFI af te leiden dat de brand in de cel, bij het afsluiten van de deur van cel K11, beheersbaar en beperkt zou zijn gebleven. In het rapport van 28 april 2006 wijst Lelieveld er op dat het vuur zich, nadat de celdeur is opengemaakt steeds sneller zal ontwikkelen en dat er brandoverslag dan wel flashover in de cel zal plaatsvinden (en heeft plaats gevonden) waarbij alle brandbare materialen in de cel vlam vatten.

Uit het dossier blijkt voorts dat er, in strijd met de voorschriften, grote tekortkomingen zijn geweest met name met betrekking tot de hulpverlening (waaronder de evacuatie: ontruiming gestart bij de verst gelegen cellen in plaats van bij de cellen het dichtst bij de brand) ,

bij de brandmeldinstallatie die vertraagd reageerde en de nooddeuren die bij het brandalarm niet automatisch ontgrendelden . Ook was er geen nachtbewaking op de vleugel, zoals in het Calamiteitenplan is voorgeschreven.

DGMR heeft onderzoek gedaan naar een reeks factoren die van invloed konden zijn op de snelheid waarmee de brand zich door het complex van unit K heeft verspreid . Tot die factoren behoorden de bouwconstructie waaronder het luchtverversingssysteem, de brandwerendheid van de celcontainer K11, de afwerkingsmaterialen van de celcontainer, de inrichtingsmaterialen van de celcontainer, de materialisering van het plafond, de toevoerroosters van de RWA-installatie, de rookluiken van de RWA-installatie, het ventilatiesysteem van de cellen en het sluiten van de deur van cel K11. Kort samengevat is op veel punten vastgesteld dat voormelde factoren (bladzijde 8 e.v. van het arrest) de snelheid waarmee de brand zich heeft ontwikkeld, hebben gefaciliteerd. Cruciaal voor het verloop van de brand in cel 11 tot een algemene uitslaande brand is naar het oordeel van DGMR echter geweest: het niet sluiten van de celdeur van cel K11, nadat de verdachte daaruit was ‘bevrijd’ . Indien de deur meteen daarna zou zijn gesloten, zou de brand zich niet op de hiervoor geschetste desastreuze wijze hebben kunnen uitbreiden naar het overige gedeelte van de vleugel en had de brandweer de (na)smeulende brand in cel K11 kunnen blussen.

Van der Leur heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 mei 2007 verklaard:

Indien de deur na het bevrijden van de verdachte direct was gesloten, had de brand niet kunnen doorgroeien tot flashover. Wellicht was de brand nog via andere zwakke punten verder gegaan, maar niet zo snel als nu is gebeurd. De houtwolcementplaten in de gang hebben een cruciale rol gespeeld in de snelle verspreiding van de brand via de plenums boven de cellen en in de gang. In dit geval is de brand via het plenum naar andere cellen doorgeslagen.

Delémont heeft gerapporteerd dat vóór het openen van de deur van cel K11 de situatie daarbinnen niet die van een gegeneraliseerde brand was. Tot het moment dat de deur van cel K11 werd geopend heeft de primaire brand zich zeker uitgebreid naar de brandbare elementen op het stapelbed, maar kon qua omvang niet heel erg toenemen, omdat het verbrandingsregiem werd beperkt door het zuurstofgehalte in de cel hetgeen ook de naar buiten tredende dikke vrijgekomen rookmassa verklaart. Vanaf het moment dat de celdeur van K11 werd geopend hebben zich twee fenomenen voorgedaan in de gang van de K-unit: de rookverspreiding in de richting van de ingang van unit K en de branduitbreiding. Door de toetreding van verse lucht kwam de verbranding in de cel tot een versnelling. Het gevolg was de massale productie van ontvlambare vluchtige producten waarbij de toevoer van lucht in de cel onvoldoende was voor volledige verbranding. Het overschot van de ontbrandbare gassen werd vervolgens door de ingangsdeur van de cel naar buiten geperst. Iets meer dan een minuut na het opengaan van de celdeur werd de nooddeur geopend aan het einde van de gang van unit K ter hoogte van cel K11. De toetreding van buitenlucht die is veroorzaakt door het openen van die nooddeur zorgde (eveneens) voor een toename van het verbrandingsregiem dat in de cel en op de drempel daarvan op het moment van het openen van de celdeur was beperkt door de hoeveelheid zuurstof.

De brand nam toe in omvang en in de container ontstond een situatie van een gegeneraliseerde brand waarbij alle brandbare oppervlaktes waren betrokken, een overgangsfase die met de term “flashover” wordt aangeduid. De in de cel geproduceerde vluchtige verbindingen die daarbinnen niet kunnen branden, werden uit de cel gestuwd en ontbrandden bij het contact met verse lucht in de centrale gang, waarbij vuur-/vlampluimen werden gevormd in de richting van cel 12 aan de overzijde van de gang en naar buiten door de open nooddeur. In tweede instantie hebben de vlammen zich in de richting van de ingang van unit K uitgebreid.

In de aanvulling op het deskundigenrapport van 29 juni 2009 heeft Delémont de vraag van de advocaat-generaal beantwoord naar de effecten op het verloop van de brand in het scenario dat de deur na het bevrijden van de verdachte weer zou zijn gesloten.

Onder voorbehoud dat meerdere parameters niet bekend zijn, zou volgens Delémont naar alle waarschijnlijkheid de brand zich niet hebben uitgebreid tot de gehele cel. Het dichtdoen van de deur zou ook de mogelijkheid hebben beperkt dat de brand zich zou uitbreiden tot buiten het metalen omhulsel van het compartiment van cel K11. De vlammen zouden zich zeker niet hebben uitgebreid tot in de centrale gang van de K-vleugel en de ontwikkeling van de brand in de hoger gelegen ruimtes van de constructie -boven de cellen, de andere ruimtes en de centrale gang- zou minder hevig zijn geweest vanwege een beperkte productie van effluenten.

Het spreekt naar het oordeel van het hof voor zich dat, als de brand en de rookontwikkeling zich niet buiten de cel zouden hebben uitgebreid, zowel voor de evacuatie als voor het optreden van de brandweer aanzienlijk meer tijd beschikbaar was geweest.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak het laten openstaan van de celdeur en het openen van de nooddeur vlakbij cel K11, cruciaal is geweest voor de omstandigheid dat een plaatselijke, beheersbare brandhaard werd gewijzigd in een gegeneraliseerde uitslaande brand die door de constructie van het gebouw, gebruikte materialen en het niet goed dan wel niet functioneren van een groot aantal voorzieningen, zoals het niet automatisch ontgrendelen van de nooddeuren, de wijze van hulpverlening, waaronder de evacuatie van de gedetineerden in de K-vleugel, alsmede vertragingsfactoren bij het optreden van de brandweer, de omvang heeft gekregen die tot de ramp heeft geleid.

Weliswaar zijn de 11 niet bevrijde personen aldus slachtoffer geworden van de door toedoen van de verdachte ontstane brand, maar naast de gedraging van de verdachte spelen zovele en zodanig relevante omstandigheden en gebeurtenissen een wezenlijke rol, dat de dood van die

11 personen in redelijkheid niet aan de (gedraging van de) verdachte in strafrechtelijke zin kan worden toegerekend.

Bij deze stand van zaken acht het hof het rechtens niet aanvaardbaar deze gevolgen voor verdachtes rekening te laten komen.

Het hof zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Het hof merkt hierbij nadrukkelijk op dat uit het vorenstaande niet afgeleid mag worden dat het hof hiermee enig oordeel geeft over (strafrechtelijk verwijtbaar) gedrag van andere personen en/of instanties, nu slechts het handelen van de verdachte ter beoordeling bij het hof voorligt. Omdat (slechts) dit laatste voorligt, heeft het hof niet onderzocht welke van de, van de wil en het handelen van de verdachte onafhankelijke omstandigheden, de fatale gevolgen hebben veroorzaakt. In deze strafzaak volstaat de constatering dat het totaal van die omstandigheden meebrengt dat de dodelijke afloop in strafrechtelijke zin niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

Wel acht het hof bewezen dat aan de verdachte het verwijt kan worden gemaakt opzettelijk een brand te hebben veroorzaakt in zijn cel waardoor gemeen gevaar voor goederen en mogelijk levensgevaar voor anderen kon ontstaan.

In een detentiecentrum zijn veel personen opgesloten in een relatief kleine ruimte die voor hun veiligheid bij brand afhankelijk zijn van het personeel.

Er dient derhalve altijd rekening te worden gehouden met het feit dat een brand gelet op de onvoorspelbaarheid daarvan voor de inhoud van de cel van de verdachte, van andere cellen en van het complex als zodanig of delen daarvan tot gemeen gevaar voor goederen en voor de gedetineerden, voor het personeel of andere betrokkenen tot een levensbedreigende situatie kan leiden.

Delémont wijst in zijn aanvullend rapport hier ook op door te stellen dat bij sluiting van de deur van cel K11 de vermindering van zuurstof in die cel wel een gunstige configuratie zou kunnen vormen voor de productie van giftige gassen zoals koolmonoxide of waterstofcyanide met de mogelijkheid van gevaar voor gedetineerden in naastgelegen cellen.

6. Bespreking van de (overige) verweren

De raadsman heeft betoogd dat de bewezenverklaring zoals neergelegd in het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2007, niet toereikend door de gebezigde bewijsmiddelen wordt gedragen. Nu het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, onder meer omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en bewijsconstructie komt, behoeven deze verweren geen nadere bespreking.

De verklaring van de verdachte

De raadsman heeft gesteld dat de verklaring van zijn cliënt voor het bewijs van deze gang van zaken niet mag worden gebruikt. De raadsman verwijst daarbij naar het rapport van 19 november 2008 van prof. dr. P.J. van Koppen en prof. dr. W.A. Wagenaar.

Het hof herhaalt zijn oordeel dat na eliminatie van andere oorzaken slechts menselijk handelen aan het ontstaan van de brand ten grondslag kan liggen. Zoals uiteengezet door de deskundige Delémont is een brandende/smeulende sigaret een waarschijnlijke ontsteker van brandbare stoffen op/bij het stapelbed. Deze hypothese vindt steun enerzijds in de brandproeven uitgevoerd bij Efectis , alsmede in het NFI rapport van 28 april 2006 van ir. Lelieveld en anderzijds in de verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft in zijn verhoren steeds consistent verklaard. Ter terechtzitting van het hof heeft hij verklaard bij de aan hem voorgehouden verklaringen te blijven

Van Koppen en Wagenaar onderschrijven de consistentie in de verklaring van de verdachte, maar houden - kort weergegeven - de mogelijkheid open dat de verdachte, geconfronteerd met een beginnende brand op het voeteneinde van zijn bed, de conclusie heeft getrokken dat die brand op die wijze moet zijn ontstaan op basis van het gegeven dat hij eerder op andere momenten op gelijke wijze een shagje zou hebben weggeschoten. Het hof acht die veronderstelling, mede gelet op het feit dat geen technische of andere oorzaak voor de brand is gebleken, niet aannemelijk, nog daargelaten dat de verdachte pas twee dagen in (cel K11 van) het cellencomplex Schiphol-Oost was gedetineerd, zodat van een gewoonte geen sprake kan zijn.

Het deskundigenrapport van O. Delémont en alternatieve scenario’s

Het deskundigenrapport van O. Delémont

Door de raadsman is, voortbouwend op zijn pleitnotities van de zitting van 26 mei 2009, aangevoerd dat het hof de bevindingen van Delémont niet voor het bewijs mag gebruiken om reden - zo begrijpt het hof - dat het rapport niet op wetenschappelijk verantwoorde wijze tot stand is gekomen en Delémont ervan zou zijn uitgegaan dat de verdachte had bekend de brand te hebben aangestoken.

Ten aanzien van dit laatste punt merkt het hof op dat die stelling berust op een verkeerde lezing van het rapport van Delémont. De raadsman verwijst naar bladzijde 4 van het rapport, waar Delémont aangaande de onderzoeksopdracht opmerkt: “De beperkingen voor wat betreft de toegang tot bepaalde dossierstukken hebben geleid tot een tegenstrijdige situatie: enerzijds werd van de deskundige in de opdracht die hij op 23 april 2008 kreeg verwacht de mogelijkheid van brandstichting - volgens eigen zeggen van de verdachte, [naam verdachte], - te evalueren; anderzijds verzocht een partij (hof: de raadsman) expliciet dat de deskundige geen kennis zou nemen van de processen-verbaal van verhoor van deze zelfde persoon.”

Door deze beperking heeft de deskundige niet op een wetenschappelijke en valide manier antwoord kunnen geven op vraag 6 van de opdracht van de rechter-commissaris (hof: wat kunt u op basis van uw onderzoek zeggen over de kans dat de brand is ontstaan door de door verdachte beschreven handelswijze in diens verklaring). In overleg met deze laatste is besloten dit punt van de opdracht terzijde te leggen”. Zoals door Delémont is aangegeven in zijn aanvulling op het deskundigenrapport van 28 juli 2009 en ook ter terechtzitting door hem uitdrukkelijk is verklaard, heeft de vraag of en zo ja, welke verklaring de verdachte zou hebben gegeven voor de brand, geen rol gespeeld in het onderzoek, noch voor het vaststellen van de feiten noch voor het uitwerken van een hypothese omtrent de oorsprong of de oorzaak van de brand.

Delémont heeft alle stappen in zijn onderzoek in zijn rapport en de aanvullingen daarop nauwkeurig en naar het oordeel van het hof op wetenschappelijk verantwoorde wijze weergegeven. In het rapport bevindt zich een uiteenzetting van de stukken uit het dossier die Delémont bij zijn onderzoek ter beschikking stonden en in welke vorm, waarbij ook aan zowel de advocaat-generaal als de raadsman is gevraagd stukken te noemen die huns inziens door de deskundige dienden te worden geraadpleegd. Daarnaast is gedurende 3 dagen uitgebreid technisch onderzoek ter plekke verricht door Delémont en twee van zijn medewerkers.

De conclusies zijn getrokken onder de voorbehouden dat er geen systematisch en compleet onderzoek op de plaats van de ramp heeft kunnen plaatsvinden vlak na de ramp; dat van kennisname waren uitgesloten het rapport van de technische recherche, het rapport van DGMR en - op verzoek van de raadsman - de verklaringen van de verdachte, alsmede de mogelijkheid dat documenten zijn weggelaten of ongelukkigerwijs niet zijn gebruikt. Ter terechtzitting van het hof op 10 en 11 augustus 2009 heeft Delémont verklaard dat het feit dat hij niet het gehele dossier in vertaling tot zijn beschikking had en dat niet alle sporen conform de richtlijnen zijn veiliggesteld niet in de weg hebben gestaan aan verantwoord forensisch wetenschappelijk onderzoek.

Delémont heeft op basis van de beelden van camera’s in unit K van rookontwikkeling ter hoogte van cel K11 en getuigenverklaringen van [bewaarder 1], [bewaarder 2] en [bewaarder 5] in het kader van het onderzoek naar de brandoorsprong allereerst bepaald dat hiervoor in aanmerking komt de zone aan de noordkant van ( lees: in) unit K waar zich cel K11 bevindt. Nader onderzoek naar de exacte locatie van de brandoorsprong is in hoofdzaak verricht op basis van de foto’s die meteen na de brand in het kader van de gerechtelijke onderzoeken zijn gemaakt en de eigen opsporing en beoordeling van andere concrete sporen die directe brandsporen van vuur zijn. Getuigenverklaringen of de rookontwikkeling kennen naar het oordeel van Delémont immers beperkingen die in het kader van een wetenschappelijke benaderingswijze van brandonderzoek, de relevantie en validiteit daarvan beperken. Op basis van deze gegevens is vervolgens de vraag beantwoord of de brand is begonnen in een cel van unit K of in een van de andere ruimtes, te weten de loze ruimte tussen de bovenkant van de containers en het dak of de loze ruimte onder de containers; op basis van de camerabeelden kon worden uitgesloten dat de brandoorsprong zich in de gang van unit K bevond. Delémont concludeert dat zich in die loze ruimtes- ook wel de schilruimte genoemd- onvoldoende brandbaar materiaal bevindt voor een vuurbelasting die aansluitend leidt tot uitbreiding van de brand eerst in cel K11 en daarna de andere lokalen van de unit. De oorsprong van de brand ligt derhalve binnen het metalen omhulsel van cel K11.

Ten aanzien van cel K11 zijn op basis van de eigen bevindingen en de tijdens eerdere onderzoeken gemaakte foto’s de concrete sporen van de verwoestingen van de brandbare materialen die de constructie en de inrichting van de cel vormen, onderzocht; deze leveren aanwijzingen op over het ontstaan en het verloop van het vuur.

Ook zijn de concrete sporen op het elektriciteitscircuit van de cel onderzocht die aantonen hoe de brand zich door de ruimte heeft verplaatst. Op basis van dit - uitgebreid weergegeven - onderzoek komt Delémont tot de conclusie dat de brandbron zich noodzakelijkerwijs bevindt ter hoogte van het stapelbed aan de rechterzijde (gezien vanuit de deur) van het woongedeelte van cel K11. Delémont constateert aansluitend dat deze bevindingen, te weten dat de brand is begonnen binnenin cel K11 en dat de initiële brandhaard kan worden gelokaliseerd in het woongedeelte (ter hoogte van het stapelbed), wordt bevestigd door het aantreffen van het spoor van een geleidingsbrug aan het uiteinde van een koperdraad bij het muurstopcontact aan de linkerzijde van de cel. Daaruit blijkt immers dat deze installatie nog onder spanning stond op het moment van de brand. Dat sluit uit dat de brand zou zijn begonnen in de schilruimte dan wel in een van de naastgelegen cellen. In die situatie zouden immers de kabels die gelegen in een goot in de schilruimte boven de cellen de stroom naar de schakelkast in iedere cel brengen (en cel K11 lag achteraan), eerder door vlammen en hitte zijn vernield en de beveiliging in de hoofdschakelkast in werking hebben gesteld dan wel - in geval van brand in cel K9 of K10 - in elk geval de kabel die cel K11 van stroom voorziet. In beide gevallen wordt de stroomvoorziening in de cel onderbroken en kan er geen kortsluiting plaatsvinden in de cel.

Alternatieve scenario’s

Op verzoek van de raadsman heeft drs. F.W.J. Vos als deskundige in het kader van artikel 233 Wetboek van Strafvordering de bevindingen van Delémont beoordeeld. Eveneens op verzoek van de raadsman heeft het hof kennis genomen van - kortweg - de bewerkingen van camerabeelden door ir. B.H. van den Heuvel en B.P.F. Roes van MSNP Management BV en de uiteenzetting van hun werkwijze daarbij.

De verdediging heeft als reden voor het terzijde stellen van de bevindingen van Delémont aangevoerd dat op grond van de analyse van Van der Heuvel en op grond van de bevindingen van Vos moet worden aangenomen dat de oorsprong en de oorzaak van de brand moeten worden gezocht in de schilruimte, en in ieder geval niet liggen in cel K11. Naar de mening van de verdediging dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

Zowel Vos als Van den Heuvel zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord evenals de beelddeskundige dr. ing. Z.J.M.H. Geradts van het NFI en Delémont is met hun bevindingen geconfronteerd.

Het hof zal de naar zijn oordeel belangrijkste punten nader bespreken.

Vos

Vos heeft in zijn rapport van 17 juli 2009, “De kunst van het weglaten”, kritiek uitgeoefend op de door Delémont gevolgde werkwijze omdat deze naar zijn oordeel niet de Guide for Fire and Explosion Investigations (hierna: NFPA921) heeft gevolgd. Het hof legt deze kritiek terzijde. Zoals de rechtbank in haar vonnis heeft overwogen is de NFPA921 geen verplicht te hanteren norm, maar bevat zij aanbevelingen over de wijze waarop onderzoek naar brand en explosies kan worden uitgevoerd. Ten overvloede merkt het hof op dat de Delémont heeft aangegeven te hebben gewerkt volgens de algemeen gangbare principes en grondslagen van de forensische wetenschap, waarvan de in NFPA921 aangegeven methodologie een toepassing is. In grote lijnen komt die methodologie neer op het definiëren van de doelstelling van het onderzoek, het analyseren van de verzamelde gegevens, het uitwerken van een of meer hypotheses, het testen daarvan op basis van de verzamelde gegevens en het op grond daarvan formuleren van een conclusie. In het algemeen gaat men er daarbij van uit dat alle niet uit te sluiten hypotheses mee gaan naar het eindonderzoek en dat vervolgens wordt gekeken welke de meest waarschijnlijke is. NFPA921 wijkt daarvan af in die zin dat slechts over één conclusie wordt gesproken. Delémont heeft er op gewezen dat de opzet van zijn onderzoek (zoals door het hof hierboven weergegeven) overeenkomt met het uitgangspunt in NFPA921, te weten dat voor het bepalen van de oorsprong van een brand de concrete brandsporen grondslag zijn voor het onderzoek om de ontwikkeling van het vuur te traceren.

Vos komt op basis van eigen onderzoek tot de conclusie - kort en zakelijk weergegeven - dat de brand van 26 oktober 2005 is ontstaan in de schilruimte boven de cellen, zich daar heeft ontwikkeld en via de loze ruimte tussen de zijwand van cel K11 en de kopse buitengevel is doorgeslagen naar de binnenkant van cel K11 via de kieren ter hoogte van een tengel, waarmee aan de binnenzijde van de cel de isolerende laag tegen de celwand werd gehouden. Zijns inziens bevindt zich in de schilruimte boven de cellen voldoende brandbaar materiaal, namelijk de isolerende PIR schuimplaten tegen het dak, om een vuurbelasting te veroorzaken die zich tot een brand van die omvang kan ontwikkelen en zijn er voldoende ontstekingsbronnen te bedenken die het begin van de brand hebben kunnen veroorzaken, zoals kortsluiting in de kabels op het dak of warmteontwikkeling in die kabels door beschadiging (mechanisch of door ratten) van de isolatie daarvan of door broei in het isolatiemateriaal. Welke de initiële oorzaak was, kon niet worden vastgesteld. Daarnaast geeft zijns inziens het feit dat het intensieve brandspoor ter hoogte van het stapelbed in cel K11 dat zich eveneens aan de buitenzijde van die wand aan de kopse kant vertoont, maar niet aan weerszijden van de wand tussen cel K11 en K10 aan dat de brand aan de kopse kant is doorgeslagen naar cel K11.

Het hof volgt deze redenering niet. Delémont heeft zowel in zijn rapport als ook ter terechtzitting van het hof van 10 en 11 augustus 2009, geconfronteerd met de bevindingen van Vos, aangegeven volledig bij zijn conclusie te blijven dat de brand is ontstaan in cel K11. Daarbij heeft Delémont er onder meer op gewezen dat het door Vos genoemde isolatiemateriaal zich bevindt tussen twee metalen platen en op afstand van de bekabeling; dat spontane ontbranding door broei zeer zeldzaam is, specifieke chemische condities vraagt en ook dan slechts onder buitengewone omstandigheden waarvan niet is gebleken, kan ontstaan en uiteengezet dat het verschil in de intensiteitsporen op de wanden van cel K11 en K10 wordt verklaard door andere thermodynamische omstandigheden, reeds omdat cel K10 onder invloed staat van stralingswarmte van de brand in cel K11. Zorgvuldige bestudering van de foto van de door Vos bedoelde tengel laat zien dat het verbrandingsspoor aan de binnenzijde van de cel zit, terwijl de tegen de wand gekeerde zijde intact is. De concrete brandsporen in onderling verband bezien laten, zelfs indien er - daargelaten een ontstekingsbron - in de schilruimte voldoende brandbaar materiaal aanwezig zou zijn geweest voor de noodzakelijke vuurmassa (waarvan niet is gebleken; de door Vos genoemde resten verbrand schuim zijn alleen aangetroffen waar het dak is opengeknipt om de containers te verwijderen) geen andere conclusie toe.

Vos heeft in zijn rapport met name gewezen op de verklaring van [bewaarder 4] van 27 oktober 2005 en 5 januari 2006 waaruit hij afleidt dat [bewaarder 4], voordat hij de nooddeur in de kopse gevel van unit K opent, al een uitslaande brand aan twee zijden van het dak ter hoogte van cel K11 constateert, terwijl de vlammen in de cel zijns inziens nog niet tot het plafond reikten. Ook hieruit volgt volgens Vos dat er reeds een brand in de schilruimte woedde voordat cel K11 daarbij betrokken raakte. Ter terechtzitting van 11 augustus 2009 heeft Vos bevestigd dat zijn redenering vooral gestoeld is op de verklaringen van [bewaarder 4] en [bewaarder 5].

Het hof volgt ook deze redenering niet. Het hof is met Delémont van oordeel dat Vos een eigen interpretatie geeft aan een getuigenverklaring - die al wordt weersproken door de verklaring van de daar eveneens aanwezige [bewaarder 5] en [bewaarder 4] zelf -, deze lezing vervolgens als vaststaand en onbetwist feit presenteert en zonder acht te slaan op de onderlinge samenhang van alle bij de brand aangetroffen concrete sporen, enkel zoekt naar verklaringen voor zijn stelling dat de brand is ontstaan in de schilruimte boven de cellen. Delémont heeft er op gewezen dat de waarneming van [bewaarder 5] dat er rook buiten zichtbaar was en een rode gloed, vlammen en een sterke rookontwikkeling in de cel, passen bij de branduitbreiding zoals deze door hem in zijn rapport is beschreven . De deur van de cel wordt geopend om 23.57.13 uur. Dit leidt tot de uitbreiding van de brand in de cel welk effect door het raam zichtbaar was. Om 23.58.28 uur wordt de nooddeur vlakbij cel K11 geopend. Ongeveer 10 seconden daarna raakt de gehele cel in brand - flashover - en vindt de massale uitbreiding van vlammen buiten de container plaats die geleid heeft tot brand in de schilruimte.

Delémont heeft aangegeven dat de brand in de cel gepaard is gegaan met rookontwikkeling die zich reeds voordat de deur van de cel werd geopend, heeft kunnen verspreiden in de schilruimte boven de cellen en vandaar naar buiten en, zoals op beelden van de camera’s 4 en 5 van 23.56.14 uur reeds te zien is, in de centrale gang van unit K. De cel bevat niet-rookdichte verbindingen in de wand tussen de woonruimte en de technische ruimte. Rook met zijn opwaartse kracht zal een uitweg zoeken via de openingen zoals het kabelgat dat niet rookdicht is afgesloten en met name het afvoerkanaal van het ventilatiesysteem, waar sprake is van een drukverlaging. De grootte van de doorvoermogelijkheden is enkel bepalend voor de snelheid van het proces.

Via het ventilatiesysteem komt de rook op het dak en zal door de toen heersende wind naar de noordzijde van unit K, waar cel K11 zich bevindt, worden geblazen. Overigens wijst Delémont erop dat ten aanzien van de rookbeweging slechts mogelijkheden kunnen worden aangegeven: in de cel worden de bewegingen van rook en lucht beïnvloed door het ventilatiesysteem en de luchtbewegingen die door de brand worden veroorzaakt; de dynamiek van rookbewegingen kan niet in een experiment worden nagebootst. Anders dan Vos stelt zal in een afgesloten ruimte bij brand de stijging van de druk minimaal zijn. Druk is een ander natuurkundig verschijnsel dan snelheid. De snelheid van de rookbewegingen zal groot zijn met name bij het afvoerkanaal van het ventilatiesysteem, waar sprake is van een drukverlaging.

Het hof hecht geen waarde aan de weerspreking door Vos van de door Delémont aangetroffen geleidingsbrug/het puntvormige spoor op de elektriciteitskabel. Tegenover de wetenschappelijke onderbouwing door Delémont van het natuurkundig proces dat tot dit verschijnsel heeft geleid, vestigt Vos onder verwijzing naar het door Delémont reeds genoemde gegeven dat dit uiterst lastig te interpreteren sporen zijn, enkel de aandacht op een afbeelding die zijns inziens reeds op het oog de conclusie van Delémont weerlegt. Het hof acht dit niet een wetenschappelijk onderbouwde weerlegging. Vos verliest hierbij tevens uit het oog dat dit spoor enkel een bevestiging vormt van de conclusie van Delémont die op de afweging van alle gegevens en onderzochte concrete sporen is gebaseerd.

Van den Heuvel

Vos heeft ter ondersteuning van zijn stelling dat de brand - eerder op de avond - in de schilruimte is begonnen, ook gewezen op het onderzoek van ir. B.H. van den Heuvel en B.P.F. Roes van MSNP Management BV, zoals neergelegd in hun rapport van 10 november 2008 . Daarin wordt een “onderbouwd vermoeden” uitgesproken dat er zich naast de brand in cel K11 een primaire brandhaard heeft bevonden in de schilruimte op en rond de achterste cellen van unit K.

Van den Heuvel heeft ter terechtzitting een nieuw onderzoeksverslag met begeleidend schrijven van 7 augustus 2009 overgelegd met nieuw beeldmateriaal waarin hij tegemoet heeft willen komen aan de kritiek die door het NFI op zijn methode was geleverd.

Kort samengevat komt die methode op het volgende neer. De beelden van de camera’s worden “losgeknipt”. Op de pixels van die afzonderlijke beelden worden helderheidverschillen met een uit het gemiddelde van een 10 beelden geconstrueerd uitgangsbeeld gemeten en naar de mate van verschil verschillend ingekleurd. Thans moet een effect op meerdere opeenvolgende beelden aanwezig zijn en in de tijd een ontwikkeling doormaken alsmede door meer camera’s zijn geregistreerd, dan wel moet een camera zowel de rook in de lucht als de rookschaduw detecteren. Door gebruik te maken van het vergelijkingsbeeld wordt eventuele ruis weggefilterd. Vervolgens zijn aan de hand van de gemeten helderheidverschillen grafieken gemaakt die zichtbaar maken of en zo ja, hoelang en in welke mate, de helderheidverschillen zich voordoen. De stelling van Van den Heuvel is dat via deze methode beter dan met het blote oog rook kan worden gedetecteerd.

Mede op basis van de ter terechtzitting in hoger beroep gepresenteerde beelden constateert Van den Heuvel thans, anders dan in eerdergenoemd schrijven van 10 november 2008, dat de rookontwikkeling in de schilruimte vóór of vanaf 20.10.00 uur is begonnen met een snelle stijging van de emissie uit de schilruimte tussen 20.40.00 en 20.44.00 uur.

Hij baseert dat tijdstip op helderheidverschillen die zich in zijn beeldmateriaal voordoen aan de zuidzijde van unit K op het voetbalveld, waar tevens om 00.22.25 uur een pulserende emissie kan worden geconstateerd en wijst in dat verband op een brandalarmmelding van 20.41.22 uur. Tevens wijst hij op helderheidverschillen in de luchtkooi om 23.17.00 uur.

Vanuit het NFI is, afgezien van opmerkingen over het effect op de beelden door uitgevoerde bewerkingen en het risico dat verbonden is aan uitvergroting van kleine verschillen, ten aanzien van deze methode onder meer opgemerkt dat het camerabeeld een tweedimensionale weergave is van een driedimensionale werkelijkheid die het uiterst moeilijk maakt een oordeel te geven over de werkelijke positie van hetgeen wordt waargenomen. Bovendien komt rook op camerabeelden op twee manieren in beeld, namelijk rook in de lucht (het primaire effect) en de schaduwwerking van rook op de grond en de gebouwen (het secundaire effect). Deze bezwaren zijn, zoals de beelddeskundige Geradts ter terechtzitting heeft verklaard, door de aangepaste werkwijze niet weggenomen.

Wel kan worden vastgesteld dat met de gebruikte methode rook die met het blote oog op de onbewerkte camerabeelden zichtbaar is, op de bewerkte beelden leidt tot pixelverkleuring.

Niet echter kan worden gesteld dat pixelverkleuring ook altijd de aanwezigheid van rook impliceert. Niet duidelijk is immers welke andere verschijnselen vergelijkbare helderheidverschillen kunnen geven. Geradts wijst er in zijn brief van augustus 2009 aan de rechter-commissaris op dat validatie van de methode niet goed mogelijk is omdat dit uitgebreide proeven vereist en, zoals ter terechtzitting verduidelijkt, rookverschijnselen niet goed reproduceerbaar zijn.

Delémont heeft ten aanzien van dit onderzoek opgemerkt dat de getoonde beelden geen aanleiding vormen zijn conclusie over de oorsprong van de brand te wijzigen. Hij kan geen oordeel geven over de validiteit van de methode omdat dat buiten zijn deskundigheid ligt.

Ook naar zijn oordeel geven de ingekleurde pixels daar waar daadwerkelijk kan worden geconstateerd dat rook aanwezig is, een beeld weer dat is samengesteld uit verschillende kleuren; die grote verschillen in helderheid passen bij het verschil in dichtheid dat een rookwolk kenmerkt en op die beelden is ook een sterke fluctuatie in kleuren te zien in de tijd, wat overeenkomt met de aan rook verbonden beweging. Op andere, eerdere, beelden bij het voetbalveld en met name bij de luchtkooi, zijn die variaties niet te zien; daar overheerst sterk één kleur en het beeld blijft statisch. Wat daar wordt geregistreerd is naar zijn oordeel geen rook.

De methode ontdekt dus wel rook, maar onbekend is wat met de methode nog meer wordt gemeten en welke invloed bijvoorbeeld de instelling van de gebruikte helderheidverschillen/ grijstinten voor invloed heeft. Delémont wijst op het risico bij deze analyse dat iedere lichtreflectie wordt waargenomen en dat de oorsprong daarvan zeer divers kan zijn, zeker in de buurt van een vliegveld.

Het hof komt op basis van voormelde stukken en hetgeen ter terechtzitting is waargenomen en besproken, zoals hiervoor weergegeven, tot de conclusie dat de bevindingen van Van den Heuvel niet bruikbaar zijn voor het bewijs en dat uit deze bevindingen niet aannemelijk is geworden dat op de door Van den Heuvel genoemde tijdstippen daadwerkelijk rook is geconstateerd. Rook kan zich vertalen in gekleurde pixels, maar niet is aangetoond dat gekleurde pixels altijd en enkel rook weergeven .

Het hof, bovenstaand overziend, komt tot de conclusie dat de door de raadsman naar voren gebrachte alternatieve scenario’s niet worden ondersteund door wetenschappelijk en feitelijk onderbouwd onderzoek. Het onderzoek van Van den Heuvel is onvoldoende uitgewerkt om de door hem daaraan verbonden conclusies te verbinden. Het rapport van Vos is naar het oordeel van het hof niet volgens een wetenschappelijke methode opgebouwd, noch op wetenschappelijk verantwoorde wijze feitelijk onderbouwd en biedt geen steun voor zijn stelling dat de brand is begonnen in de schilruimte. De door de raadsman naar voren gebrachte alternatieve scenario’s zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof ziet in hetgeen ter zake door de raadsman naar voren is gebracht geen aanleiding om de bevindingen van de deskundige Delémont te passeren.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

9. Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het primair tenlastegelegde, te weten:

opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft, meermalen gepleegd en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde, zoals door de rechtbank bewezenverklaard, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 24 dagen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf is er op gebaseerd dat enerzijds verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van de in de tenlastelegging genoemde personen, maar anderzijds dat andere, van verdachte onafhankelijke omstandigheden de, zoals deze hiervoor is genoemd, “gegeneraliseerde” brand hebben mogelijk gemaakt.

Het hof rekent de verdachte, zoals hiervoor is overwogen, wel het ontstaan van de brand in zijn cel (K11) toe, maar niet de gegeneraliseerde brand en het overlijden van genoemde personen.

Nu echter de advocaat-generaal in de strafeis in belangrijke mate rekening heeft gehouden met voornoemde omstandigheden, leidt een en ander niet tot een belangrijke wijziging in strafsoort of -maat ten opzichte van de eis in hoger beroep.

Brandstichting in een cel is een zeer ernstig delict, ook wanneer daarbij geen slachtoffers vallen. Het verloop van brand en de gevolgen daarvan zijn onvoorspelbaar en de gevolgen kunnen fataal zijn. De gevaarzetting is daardoor groot, evenals de mogelijke angstgevoelens van andere bewoners van het cellencomplex, die de brand kunnen ruiken, voelen of zien. Zij zijn in de omgeving waar zij verblijven niet in staat om zichzelf in veiligheid te brengen, hetgeen genoemde gevoelens van angst zal versterken. Het hof tilt dan ook zwaar aan het bewezenverklaarde.

Ten voordele van de verdachte weegt het hof nog mee dat de verdachte zelf bij de brand ernstig gewond is geraakt, dat hij de eerste 8 maanden van zijn detentie onder zwaardere omstandigheden dan gebruikelijk gedetineerd is geweest, de (negatieve) publiciteit vlak na de brand over de rol van de verdachte en het feit dat de verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis door de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden ernstig beperkt is geweest in zijn vrijheid.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 augustus 2009 is verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts gelet op de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, opgemaakt op

20 maart 2009 door E.A.J. Ravenshorst-Brouwer, reclasseringswerker.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en

mr. P. Wagenmakers, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2009.

Mr. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.