Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
200.021.628/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vermogensrechtelijke afwikkeling echtscheiding, Marokkaans recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 1 september 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.021.628/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […]

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.O. Wattilete te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 30 december 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 1 oktober 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 318292 / FA RK 05-3314.

1.3. De man heeft op 18 februari 2009 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 2 april 2009 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

1.5. De zaak is op 16 april 2009 ter terechtzitting behandeld. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.6. De behandeling is voortgezet op 28 mei 2009.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1991 in het Marokkaanse Consulaat te Amsterdam gehuwd. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 maart 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Marokkaans recht van toepassing is.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding € 8.500,- aan de vrouw zal voldoen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man te bepalen dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Marokkaans recht waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten en dat het gedurende het huwelijk gemeenschappelijk opgebouwde vermogen geheel aan hem zal worden toebedeeld, alsmede het zelfstandig verzoek van de vrouw de onroerende zaak gelegen te [A] aan de man toe te wijzen en de man daarbij te veroordelen wegens overbedeling aan haar een bedrag van € 50.000,- te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de man te veroordelen aan haar een bedrag van € 14.000,- te voldoen.

3.3. De man verzoekt het de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar het door haar verzochte te ontzeggen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat hij in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding geen betaling aan de vrouw is verschuldigd, althans een lager bedrag dan € 8.500,- c.q. dat aan de vrouw in redelijkheid minder dan 50% van de waardevermeerdering van zijn vermogen toekomt.

3.4. De vrouw verzoekt het door de man verzochte ongegrond te verklaren en af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Uit de stukken is gebleken dat de man en zijn vader op 3 december 1978 een perceel grond in Marokko ieder voor de helft in eigendom hebben verworven. Eind 1994 heeft de man het aandeel van zijn vader in dat perceel gekocht. Tijdens het huwelijk van partijen is op het perceel een woning gebouwd. Op 18 september 2001 heeft de man het perceel en de woning verkocht voor € 17.000,-.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting is tussen partijen niet langer in geschil dat de vrouw geen aanspraak heeft op de helft van het perceel grond, zoals door de man verworven op 3 december 1978. De vrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat dat perceel kan worden gewaardeerd op € 454,-, hetgeen door de man niet is weersproken, zodat het hof daarvan zal uitgaan. De grief van de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw aanspraak heeft op de helft van de waarde van het (gehele) perceel grond en de woning slaagt derhalve.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vrouw meedeelt in de waarde van het perceel grond dat de man in 1994 van zijn vader heeft gekocht en in de waarde van de woning. De man heeft gesteld dat hij de grond en de woning zelf heeft gefinancierd en dat de vrouw dientengevolge geen aanspraak op de waarde kan maken. Ter onderbouwing heeft hij betoogd dat hij al vóór het huwelijk bouwmaterialen heeft aangekocht voor de bouw van de woning, dat zijn zwager de bouw grotendeels heeft gerealiseerd en dat hij de bouw heeft gefinancierd met gelden van zijn familie en zijn inkomen in de periode na september 1999. De vrouw heeft dat standpunt betwist en daartoe gesteld dat de aankoop van het perceel grond van de vader van de man en de bouw van de woning is gefinancierd uit de door partijen tijdens het huwelijk ontvangen kinderbijslag. Verder heeft zij betoogd dat het door haar opgevoerde taxatierapport van 12 april 2000 als uitgangspunt voor de waarde heeft te gelden.

4.3. Als niet weersproken is komen vast te staan dat de man in de periode tot september 1999, behoudens een bijstandsuitkering, noch uit arbeid, dan wel uit enige andere bron inkomsten heeft gehad. Verder is niet gesteld of gebleken dat de man in die periode over vermogen beschikte, en evenmin dat de man in die periode dan wel nadien een lening heeft afgesloten. Gezien het vorenstaande, alsmede gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen de door hem opgevoerde stellingen nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, zal het hof dan ook aan die stellingen voorbij gaan. Dit temeer nu het inkomen van de man in de periode na september 1999, waarmee hij de bouw van de woning (voor een aanzienlijk deel) stelt te hebben gefinancierd, blijkens een salarisspecificatie van oktober 1999,

€ 1.152,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag bedroeg. Het hof gaat ervan uit dat dit inkomen volledig werd besteed aan de kosten van de huishouding van het vier kinderen tellende gezin van partijen.

Gelet op het vorenoverwogene, alsmede de overige overwegingen van de rechtbank waartegen door de man geen grieven zijn gericht, is rechtens komen vast te staan dat de vrouw door haar inspanningen een bijdrage heeft geleverd aan de financiering van de aankoop van het perceel grond van de vader van de man, alsmede van de bouw van de woning, en dat zij derhalve recht heeft op een deel van de waarde daarvan. Bij gebrek aan nadere onderbouwing door de man, zal het hof bepalen dat aan de vrouw toekomt de helft van de waarde van het perceel grond en de woning, na aftrek van een bedrag van € 454,-, zijnde de (onder 4.1 vermelde) waarde van het door de man op 3 december 1978 verworven perceel grond.

Het hof zal ten aanzien van de waarde van de woning en het perceel grond uitgaan van de in de verkoopakte vermelde verkoopprijs van € 17.000,-. De stelling van de vrouw dat deze waarde niet overeenkomt met de marktwaarde, is, in het licht van de betwisting door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het door de vrouw in dat verband overgelegde taxatierapport, waarin een waarde is vermeld van € 28.000,-, is daartoe onvoldoende, nu dat rapport bijna anderhalf jaar vóór de verkoop is opgesteld, is gebaseerd op een geveltaxatie en uitgaat van een woning in afgebouwde staat, terwijl als niet weersproken is komen vast te staan dat de woning ten tijde van de verkoop in een niet afgebouwde staat verkeerde.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de man aan de vrouw een bedrag van € 8.273,- dient te voldoen.

4.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin is bepaald dat de man in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding € 8.500,- aan de vrouw dient te voldoen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding € 8.273,- aan de vrouw dient te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, R.G. Kemmers en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van

mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2009.