Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6728

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200.027.025-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie, wijziging van omstandigheden, draagkrachtvergelijking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 25 augustus 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.027.025/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. J. van Andel te Utrecht,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.Z. Storm te Huizen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 6 maart 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 december 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 384737 / FA RK 07-8671.

1.3. De vrouw heeft op 23 april 2009, 26 mei 2009, 27 mei 2009 en 9 juni 2009 stukken met betrekking tot haar financiële situatie ingediend.

1.4. De man heeft op 25 mei 2009 en op 5 juni 2009 nadere stukken met betrekking tot zijn financiële situatie ingediend.

1.5. De zaak is op 10 juni 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Uit de affectieve relatie tussen partijen is geboren […] (hierna: [het kind]) [in] 2004. Zij verblijft bij de vrouw.

2.3. De man is eerder gehuwd geweest met mevrouw [x]. Het huwelijk is op 8 januari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 20 december 2006 in de registers van de burgerlijke stand. De man en mevrouw [x] hebben op 29 januari 2007 een echtscheidingsconvenant getekend. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten […] (hierna: [zoon]), [in] 1989 en […] (hierna: [dochter]), [in] 1995.

2.4. Bij beschikking van 16 november 2005 is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van 23 januari 2004 bepaald op € 330,- per maand.

2.5. Bij beschikking van 4 mei 2006 van dit hof is voornoemde beschikking van 16 november 2005 vernietigd, en bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2006 € 250,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind].

2.6. Op 22 februari 2007 zijn partijen schriftelijk overeengekomen dat de man vanaf 1 maart 2007 een bedrag van € 200,- per maand zal gaan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind].

2.7. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1961 en hij vormt, in ieder geval vanaf 25 maart 2008, samen met [zoon] en [dochter] een éénoudergezin. [zoon] woont sinds 25 januari 2007 bij de man.

Vanaf 1 december 2007 tot en met 31 december 2008 was hij werkzaam in loondienst bij [naam bedrijf A] te […]. Blijkens de salarisspecificaties van de maanden maart, april en mei 2008 bedroeg zijn bruto loon € 3.567,- per maand, exclusief vakantietoeslag.

Sinds 1 januari 2009 is hij werkzaam in loondienst bij [naam bedrijf B] te […]. Blijkens de salarisspecificaties van de maanden februari, maart en april 2009 bedraagt zijn bruto loon € 4.225,- per maand, exclusief vakantietoeslag.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem bewoonde woning aan [a] in […] betaalt hij € 1.051,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde van de woning is in 2007 vastgesteld op € 223.000,-.

Ten behoeve van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering betaalt hij € 140,- per maand.

Ter zake van zijn hypothecair doorlopend krediet bij de DSB Bank betaalt hij € 389,- per maand.

Aan premie voor een levensverzekering bij Profijtplan, die gekoppeld is aan zijn hypothecair doorlopend krediet bij DSB Bank, betaalt hij € 97,- per maand.

Aan premie ter zake van de zorgverzekering betaalt hij € 192,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met woon-werkverkeer. Een bedrag van gemiddeld € 185,- per maand blijft voor zijn rekening.

2.8. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1960 en zij vormt samen met [het kind] een éénoudergezin

Zij is werkzaam in loondienst bij het Ministerie van Justitie. Blijkens de jaaropgaaf 2008 bedroeg haar fiscaal loon over dat jaar € 46.968,-. Blijkens salarisspecificaties van de maanden februari, maart en april 2009 bedraagt haar bruto loon

€ 3.295,- per maand, exclusief vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt zij een maandelijks variërende incidentele toelage voor onregelmatige diensten en neemt zij deel aan een spaarloonregeling ter zake waarvan € 51,- per maand wordt ingehouden op haar bruto loon.

Aan premie voor haar inkomensverzekering betaalt zij € 20,- per maand.

Aan huur en enige servicekosten voor haar woning betaalt zij € 498,- per maand.

Aan premie ter zake de zorgverzekering betaalt zij € 250,- per maand.

Aan kosten voor de kinderopvang betaalt zij € 1.415,- per maand. Zij ontvangt een kinderopvangtoeslag van € 979,- per maand.

Zij heeft een krediet bij Vola, waarop zij € 200,- aan rente en € 57,- aan aflossing per maand betaalt.

Zij heeft een doorlopend krediet bij SNS-bank waarop zij € 108,- per maand aflost.

Zij heeft een doorlopend krediet bij Aegon waarop zij € 16,- aan rente en € 100,- aflossing per maand betaalt.

Zij heeft studiekosten van € 130,- per maand.

Zij lost € 50,- per maand af op een schuld bij Neckerman in verband met de aanschaf van een laptop voor haar studie.

Zij lost € 100,- per maand af op een lening bij Wehkamp.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om de beschikking van 4 mei 2006, althans de alimentatieovereenkomst van 22 februari 2007, te wijzigen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van 25 januari 2007, althans 17 oktober 2007 te bepalen op nihil, afgewezen.

3.2. De man verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te vernietigen en bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog zijn inleidend verzoek toe te wijzen, met dien verstande dat zijn bijdrage met ingang van 25 januari 2007, althans 17 oktober 2007, althans met ingang de datum van het inleidend verzoekschrift op nihil wordt bepaald, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3. De vrouw verzoekt – naar het hof begrijpt – hetgeen door de man verzocht is af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. In het onderhavige geval is door de omstandigheid dat, naast [zoon], ook [dochter] vanaf 25 maart 2008 bij de man inwoont, reeds voldoende komen vast te staan dat de financiële omstandigheden van de man zodanig zijn gewijzigd dat een herbeoordeling van alle omstandigheden per die datum gerechtvaardigd is. Dat [zoon] reeds sinds 25 januari 2007 bij de man woont, is niet van belang, nu ervan moet worden uitgegaan dat met deze omstandigheid bij het aangaan van de alimentatieovereenkomst op 22 januari 2007 rekening is gehouden.

4.2. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat, in navolging van de beschikking van 16 november 2005, de geïndexeerde behoefte van [het kind] bepaald kan worden op € 347,- te vermeerderen met kosten kinderopvang van € 436,- per maand. Het hof zal derhalve uitgaan van een behoefte ter hoogte van € 783,- per maand.

4.3. Partijen verschillen van mening over de vraag welk aandeel van de behoefte van [het kind] ieder van hen dient te dragen. De man stelt dat hij de bijdrage die partijen op 22 februari 2007 schriftelijk overeengekomen zijn, gelet op de gewijzigde omstandigheden, niet meer kan betalen. Ten onrechte heeft de rechtbank in de onderhavige procedure geen rekening gehouden met zijn schulden en ten onrechte heeft de rechtbank nagelaten de financiële situatie van de vrouw in kaart te brengen, aldus de man. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.4. Aangezien beide partijen een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, dient de totale behoefte van [het kind] naar rato van de financiële mogelijkheden van elk van de ouders te worden verdeeld. Voor de berekening wat partijen naar rato moeten bijdragen in de kosten van [het kind], laat het hof de kinderen buiten beschouwing en gaat het hof bij beide partijen uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%. Wel houdt het hof er rekening mee dat beide partijen in aanmerking komen voor extra heffingskortingen en dat de man in aanmerking komt voor de persoonsgebonden aftrek wegens de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [het kind]. Het hof zal vervolgens de draagkracht van de man over drie kinderen verdelen.

Draagkracht man:

4.5. Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de onder 2.7. genoemde feiten en omstandigheden, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen.

4.6. De vrouw heeft ter zitting, onder overlegging van stukken, aangevoerd dat de man niet meer in de onder 2.7. genoemde woning woont. De man heeft dit gemotiveerd betwist, terwijl uit de stukken genoegzaam blijkt dat hij op voormeld adres staat ingeschreven en de woonlasten ter zake als vermeld onder 2.7. heeft. Het hof zal daarom met deze lasten rekening houden.

4.7. Ter zake zijn hypothecair doorlopend krediet bij de DSB Bank betaalt de man € 389,- per maand. Van dit bedrag houdt

€ 125,- verband met herinrichtingskosten, € 130,- met de aanschaf van een nieuwe auto en € 134,- met een schuld bij Visa. Het hof acht het redelijk om de helft van de herinrichtingskosten in aanmerking te nemen, aangezien het op grond van het onder 2.3. genoemde echtscheidingsconvenant van 29 januari 2007 op de weg van de man ligt om de andere helft te verhalen op zijn ex-echtgenote, nu de man volgens dit convenant recht heeft op een deel van de inboedel van de voormalig echtelijke woning, doch zijn ex-echtgenote dit deel heeft meegenomen. Het hof zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten van aanschaf van een nieuwe auto, omdat de man de noodzaak van vervanging van de auto, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De schuld bij Visa, die de man toegedeeld heeft gekregen na beëindiging van het huwelijk met mevrouw [x], zal evenmin in aanmerking genomen worden, nu uit de stukken niet blijkt of deze schuld nog bestaat.

4.8. Met betrekking tot de door de man opgevoerde kosten van zijn levensverzekering bij Profijtplan (gekoppeld aan hypothecair doorlopend krediet bij DSB Bank) overweegt het hof dat blijkens de polis de helft van de premie wordt belegd, hetgeen leidt tot vermogensvorming. Het hof is van oordeel dat dit deel van de premie geen voorrang dient te hebben op de onderhoudsverplichting van de man jegens [het kind], zodat slechts rekening gehouden zal worden met de helft van de premie.

4.9. Ter zitting in hoger beroep heeft de man aangevoerd dat hij € 185,- per maand aan werkelijke verwervingskosten heeft. De man heeft een specificatie van zijn reiskosten bijgevoegd en uit zijn salarisspecificaties blijkt dat hij slechts een deel van deze kosten vergoed krijgt. Het hof acht het derhalve redelijk om met deze kosten rekening te houden.

4.10. De premie die de man betaalt voor zijn uitvaartverzekering zal het hof, gelet op de huidige normen, buiten beschouwing laten.

4.11. Met de onroerende zaak belasting, de waterschapsbelasting en de door de man opgevoerde kosten van de inboedelverzekering houdt het hof evenmin rekening, nu deze kosten reeds verdisconteerd zijn in de bijstandsnorm. Hetzelfde geldt voor de kosten die de man opvoert met betrekking tot [dochter] en [zoon]. Bovendien kan de man aanspraak maken op een aantal heffingskortingen en ontvangt [zoon] studiefinanciering.

4.12. De vrouw stelt dat de man ten behoeve van [zoon] € 140,- per maand als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie van zijn ex-echtgenote, mevrouw [x], ontvangt. Nu de man dit ter zitting in hoger beroep gemotiveerd heeft betwist en de vrouw heeft nagelaten haar stelling met stukken te onderbouwen, zal het hof geen rekening houden met deze bijdrage.

Draagkracht vrouw:

4.13. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de onder 2.8. genoemde feiten en omstandigheden, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen.

4.14. Ten aanzien van haar inkomen heeft de vrouw aangevoerd dat haar loon als vermeld op de jaaropgaaf 2008 hoger is dan hetgeen zij werkelijk verdient, omdat daarin een eenmalige uitkering is vervat en zij daarnaast in 2008 veel heeft overgewerkt. Nu de vrouw haar stelling niet met stukken heeft onderbouwd en voorts heeft nagelaten aan te tonen wat de hoogte van de eenmalige uitkering en het inkomen uit overwerk was, zal het hof voor de berekening van de draagkracht van de vrouw het inkomen zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2008, verhoogd met het spaarloon, als uitgangspunt nemen. Aangezien de vrouw een maandelijks variërende onregelmatigheidstoeslag ontvangt, laat het hof de loonstroken van de maanden februari, maart en april 2009 buiten beschouwing.

4.15. Voor zover de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft betoogd dat met betrekking tot haar inkomen, net als bij de man, rekening gehouden dient te worden met een dienstverband van 36 uur, zodat zij meer tijd kan doorbrengen met [het kind], kan het hof met deze stelling, wat daar ook van zij, geen rekening houden. Het hof gaat uit van de huidige, feitelijke situatie, waarin de vrouw 40 uur per week werkt, temeer daar de vrouw heeft nagelaten aan te tonen dat de mogelijkheid om (weer) 36 uur te werken door haar werkgever geboden wordt, alsmede van welk inkomen het hof in dat geval uit dient te gaan.

4.16. Gelet op het feit dat de man de door de vrouw opgevoerde schulden niet heeft betwist en evenmin de noodzaak daarvan, houdt het hof rekening met de rente en de aflossing die de vrouw maandelijks op de doorlopende kredieten bij Vola, SNS-bank en Aegon betaalt. Ter zake de door de vrouw opgevoerde studiekosten acht het hof het redelijk uit te gaan van de helft van deze kosten, omdat, zo stelt de vrouw, deze studie slechts gedeeltelijk door haar werkgever verplicht is gesteld. In dit kader zal het hof derhalve tevens uitgaan van de helft van de aflossing die de vrouw maandelijks betaalt op haar schuld bij Neckerman, die verband houdt met de aanschaf van een laptop. Geoordeeld moet worden dat deze kosten en aflossing voor het overige geen voorrang mogen hebben op de door de vrouw ten behoeve van [het kind] te betalen bijdrage. Met de lasten die de vrouw opvoert van haar schuld bij Wehkamp houdt het hof redelijkerwijs geen rekening. Deze schuld is aangegaan in verband met de aanschaf van een nieuwe televisie. Het hof is van oordeel dat deze kosten ten laste van haar vrije ruimte dienen te komen.

4.17. Het hof zal de door de vrouw opgevoerde kosten van de school en zwemles van [het kind] niet in de draagkrachtberekening betrekken, aangezien deze kosten reeds zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm. Daar komt bij dat de vrouw als alleenstaande ouder aanspraak kan maken op een aantal extra heffingskortingen. Ten aanzien van de kosten van psychologische hulp voor [het kind] overweegt het hof dat de vrouw niet heeft gesteld dat deze kosten behoefteverhogend zijn. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat deze kosten ten laste van haar draagkracht dienen te komen, is het hof van oordeel dat ook deze kosten in de bijstandsnorm en de extra heffingskortingen verdisconteerd zijn.

Slotsom:

4.18. Op grond van het vorenstaande berekent het hof de draagkracht van de man vanaf 25 maart 2008 tot en met

31 december 2008 op € 150,- per maand en vanaf 1 januari 2009 op € 200,- per maand. De draagkracht van de vrouw berekent het hof op € 235,- per maand. Hieruit volgt dat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van [het kind], zodat de bijdrage van de man wordt beperkt tot zijn draagkracht. Derhalve is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 150,- per maand van 25 maart 2008 tot en met 31 december 2008 en van € 200,- per maand vanaf 1 januari 2009 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.19. Voor zover de man vanaf 25 maart 2008 tot en met 31 december 2008 meer heeft betaald dan de onder 4.18. vermelde bijdrage, kan van de vrouw, gelet op het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt en de gezamenlijke draagkracht van partijen lager ligt dan de behoefte van [het kind], in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.20. Gelet op voorgaande overwegingen wordt het bewijsaanbod van de man gepasseerd, nu dit niet meer ter zake dienend is.

4.21. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

stelt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 4 mei 2006 en de alimentatieovereenkomst tussen partijen van 22 februari 2007, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van 25 maart 2008 tot en met 31 december 2008 op € 150,- (HONDERD EN VIJFTIG EURO) per maand en vanaf 1 januari 2009 op € 200,- (TWEEHONDERD EURO) per maand, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 25 maart 2008 tot en met 31 december 2008 meer heeft betaald, de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, A. van Haeringen en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van

mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2009.