Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6273

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
07/00660
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Belanghebbende stelt dat hij de voor het parkeren van een auto verschuldigde belasting tijdig heeft voldaan en legt daartoe een ten tijde van de controle geldige parkeerkaart over. Het Hof acht evenwel de heffingsambtenaar geslaagd in het bewijs dat de belasting niet was voldaan. Het Hof hecht daarbij betekenis aan een door de controleur tijdens de controle op het aanslagbiljet geplaatste aantekening waaruit blijkt, dat de eindtijd van de in de auto aangetroffen parkeerkaart was verlopen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1278
FutD 2009-1878
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00660

uitspraak: 27 augustus 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Y], belanghebbende,

gemachtigde mr. M. Boyer,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/139 van de rechtbank Amsterdam in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 17 oktober 2006 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam opgelegd met aanslagnummer 4671760 ter zake van het parkeren van een voertuig door belanghebbende (hierna: de aanslag). De aanslag bedraagt € 48, bestaande uit € 2 aan parkeerbelasting en € 46 aan kosten ter zake van het opleggen van de aanslag. De aanslag is gebaseerd op de Gewijzigde Verordening parkeerbelastingen 2006 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 8 december 2006, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 augustus 2007, verzonden op 16 augustus 2007, ongegrond verklaard.

1.4. Van de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende op 20 september 2007 in hoger beroep gekomen bij het Hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:

“2.1. Eiser is kentekenhouder van een voertuig met het kenteken [00-AA-AA] (hierna: het voertuig). Op 17 oktober 2006 omstreeks 15.23 uur heeft een medewerker van de afdeling Stadstoezicht (hierna: de parkeercontroleur) het voertuig geparkeerd aangetroffen aan de [A-straat] ter hoogte van nummer 1.”

2.2. Over deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

2.3. De parkeercontroleur heeft op het aanslagbiljet aangetekend: “KNG Kaartje niet geldig; tijd tot: 1500”.

3. De procedure voor de rechtbank

3.1. Voor de rechtbank was - voor zover hier van belang - in geschil of de aanslag terecht is opgelegd.

De rechtbank heeft omtrent het geschil overwogen (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder):

“4.1. Niet in geschil is dat op het tijdstip van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag op de betreffende plaats op grond van de Gewijzigde Verordening op de heffing en de invordering parkeerbelastingen 2006 parkeerbelasting verschuldigd was.

4.2. De parkeercontroleur heeft geconstateerd dat er een parkeerkaart in het voertuig lag dat geldig was tot 15.00 uur. Eiser stelt dat in het voertuig een parkeerkaart lag dat geldig was tot 15.50 uur. Deze parkeerkaart heeft eiser achteraf ook overgelegd.

4.3. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de constatering van de parkeercontroleur. Tegenover de verklaring van verweerder dat er slechts een parkeerkaart was aangetroffen die geldig was tot 15.00 uur, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank met alleen zijn eigen verklaring en de overgelegde parkeerkaart onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vóór het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag de ter zake van het parkeren verschuldigde belasting heeft voldaan.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag niet terecht is opgelegd. Hij stelt dat hij wel degelijk in het bezit was van een parkeerkaart die geldig was van 14.38 uur tot 15.50 uur. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

4.3. De heffingsambtenaar is van opvatting dat de aanslag terecht is opgelegd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. De parkeercontroleur heeft slechts een parkeerkaart aangetroffen die geldig was tot 15.00 uur.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Niet in geschil is dat op het tijdstip van het opleggen van de onderhavige aanslag op de betreffende plaats, op grond van de Verordening parkeerbelasting verschuldigd was.

5.2. De parkeercontroleur heeft geconstateerd dat er een parkeerkaart in het voertuig lag die geldig was tot 15.00 uur. Belanghebbende stelt dat in het voertuig een parkeerkaart lag die geldig was tot 15.50 uur. Belanghebbende heeft een op 17 oktober 2006 tot 15.50 uur geldige parkeerkaart in de procedure bij de rechtbank overgelegd.

5.3. Voor de naheffing van parkeerbelasting is het aan de heffingsambtenaar te stellen – en bij betwisting aannemelijk te maken - dat de verschuldigde parkeerbelasting door de belanghebbende niet is voldaan. De heffingsambtenaar heeft verklaard, dat in gevallen waarin een belanghebbende achteraf een originele geldige parkeerkaart overlegt, naar vast beleid de aanslag wordt verminderd tot nihil. In de praktijk zag de heffingsambtenaar zich geconfronteerd met een grote stroom parkeerkaarten die achteraf als bewijs van voldoen van verschuldigde parkeerbelasting werden overgelegd. Er was naar het Hof uit de verklaringen van de heffingsambtenaar begrijpt een levendige handel in originele parkeerkaarten op straat en via het internet. De heffingsambtenaar zag zich daardoor genoodzaakt tot intensivering van het tot dan toe bestaande controlebeleid. Deze houdt in dat de parkeercontroleur van zijn waarnemingen specifiek aantekening maakt, met dien verstande dat alleen in het geval waarin de parkeercontroleur geen parkeerkaart aantreft, geen specifieke aantekening wordt gemaakt.

5.4. In het onderhavige geval is door de parkeercontroleur, met betrekking tot de eindtijd vermeld op de aangetroffen parkeerkaart een specifieke aantekening gemaakt. Naar het oordeel van het Hof is deze aantekening aan te merken als een onderdeel van het door de heffingsambtenaar te leveren bewijs dat belanghebbende de parkeerbelasting niet vooraf heeft voldaan. De door de parkeercontroleur gemaakte aantekening verschaft klaarheid omtrent de toestand op het moment van de controle en geeft aanleiding aan de verklaring van belanghebbende te twijfelen. Tegenover de verklaring van de heffingsambtenaar dat een parkeerkaart was aangetroffen die geldig was tot 15.00 uur, heeft belanghebbende slechts volstaan met de eigen verklaring dat hij in het bezit was van een parkeerkaart die geldig was van 14.38 uur tot 15.50 uur, welke hij naderhand heeft overgelegd. Het komt het Hof niet aannemelijk voor dat de parkeercontroleur zich tot tweemaal toe zou hebben vergist, te weten eerst bij het aflezen van de eindtijd op de parkeerkaart en vervolgens bij het maken van de specifieke aantekening, waarbij nog in aanmerking dient te worden genomen dat het aflezen van parkeerkaarten behoort tot de dagelijkse werkzaamheden van de parkeercontroleur, zodat een grote bedrevenheid daarin mag worden voorondersteld. Met de enkele verklaring dat hij in het bezit was van een parkeerkaart die geldig was tot 15.50 uur heeft belangheb¬bende niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de aanvang van het parkeren de ter zake van het parkeren verschuldigde belasting had voldaan. Belanghebbende heeft zich ook niet terstond na het parkeren met die parkeerkaart en de aanslag bij de heffingsambtenaar vervoegd.

In het licht van vorengenoemde omstandigheden heeft het Hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van de constatering van de parkeercontroleur en brengt het enkele overleggen door belanghebbende van een geldige parkeerkaart niet mee, dat het er in afwijking van de ambtelijke constatering voor moet worden gehouden dat op het tijdstip van controle de voor het door belanghebbende parkeren van een voertuig verschuldigde belasting was voldaan.

5.5. Uit het vorenstaande volgt, dat het Hof op grond van zijn waardering van de bewijsmiddelen en na afweging van de over en weer door partijen aangevoerde argumenten de heffingsambtenaar geslaagd acht in het van hem te verlangen bewijs dat ter zake van het vorengenoemde parkeren de verschuldigde belasting niet bij de aanvang van het parkeren is voldaan.

5.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, W.M.G. Visser en P.B.M.J. van der Beek-Gillissen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland als griffier. De beslissing is op 27 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.