Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6244

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
200.026.126-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldsanering. Tussentijdse beëindiging zonder schone lei. Belastingteruggaven gebruikt om nieuwe schulden te voldoen en niet voldaan aan inspanningsverplichting. Vordering in verband met een nalatenschap is nu nog een onzekere toekomstige gebeurtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 3 april 2009 in de zaak met zaaknummer 200.026.126/01 van:

Appellante,

wonende te Amsterdam,

advocaat: mr. H. Stoppelenburg te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante is bij per fax op 26 februari 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2009 met insolventienummer 07.232-R, waarbij ten aanzien van appellante de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd zonder haar de zogenoemde schone lei te verlenen.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 24 maart 2009. Bij die behandeling is appellante verschenen, bijgestaan door mr. Stoppelenburg voormeld. Voorts is namens de bewindvoerder J.K. Stoffels verschenen.

2. De gronden van de beslissing

2.1. Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellante beëindigd. De rechtbank heeft overwogen dat - zakelijk weergegeven - appellante is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Zo heeft zij een nieuwe schuld aan haar verhuurder laten ontstaan. Deze schuld is (mede) ontstaan doordat appellante de huur slechts gedeeltelijk heeft voldaan, ondanks dat zij in een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 7 juli 2008 expliciet er op gewezen is de volledige huur te voldoen. Voorts heeft appellante een boedelachterstand laten ontstaan en ondanks afspraken daarover tijdens datzelfde verhoor heeft appellante nagelaten een betalingsvoorstel te doen.

2.2. Ten behoeve van de behandeling van het hoger beroep heeft de bewindvoerder aan het hof een verslag met bijlagen d.d. 16 maart 2009 doen toekomen. Appellante heeft van dit verslag kennis genomen.

2.3. In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.3.1. Appellante is op 9 maart 2007 tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Zij is een alleenstaande moeder met één inwonend minderjarig kind. Zij heeft een arbeidscontract van mei 2008 tot 31 augustus 2009 en werkt 24 uur per week. Inclusief belastingteruggaven heeft appellante een inkomen van ongeveer € 1.325,- per maand.

2.3.2. Volgens de bewindvoerder is appellante de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen nooit goed nagekomen en heeft hieromtrent het volgende gesteld. Appellante hield de bewindvoerder niet op de hoogte van belangrijke informatie. Zo bleek bijvoorbeeld uit de postblokkade dat appellante een baan had gevonden voor 24 uur in de week, zodat zij voor de overige uren diende te solliciteren. Appellante beweerde echter arbeidsongeschikt te zijn, maar heeft hieromtrent tot voor kort geen stukken laten zien, zodat haar arbeidsongeschiktheid in het kader van de schuldsaneringsregeling niet beoordeeld is kunnen worden. Voorts heeft appellante, ondanks een brief van de bewindvoerder aan de belastingdienst de teruggave 2006 rechtstreeks op de boedelrekening te storten, een bedrag van € 5.205,- op haar rekening gestort gekregen. In plaats van dit te melden aan de bewindvoerder en over te maken op de boedelrekening heeft appellante dit bedrag aangewend om onder andere nieuwe schulden te voldoen. De achterstand op de boedel bedraagt ten tijde van het onderhavige hoger beroep ongeveer € 3.500,-. De bewindvoerder ziet geen mogelijkheid voor appellante om dit in te lopen, met name niet nu zij thans al moeite heeft € 100,- extra per maand af te dragen, terwijl zij om de schuldsanering tot een goed einde te brengen € 300,- per maand extra zou moeten betalen. Voorts heeft de bewindvoerder gesteld dat er nog een huurschuld bestaat en dat appellante de laatste maand huur ook niet heeft voldaan. Ondanks het verhoor van 7 juli 2008 en de toen gemaakte afspraken, is er geen grote verandering gekomen in het gedrag van appellante. Er bestaat voorts nog steeds onduidelijkheid over de € 36.000,- die appellante vordert van haar zus in Italië in verband met de erfenis van haar moeder. De bewindvoerder is echter van mening dat dit eventueel te ontvangen bedrag en de onzekerheid daarover niet opweegt tegen het niet nakomen van de verplichtingen en de benadeling van de boedel door appellante.

2.3.3. Appellante heeft gesteld dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij wel degelijk getracht heeft alle medewerking te verlenen aan het welslagen van de schuldsaneringsregeling en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Door een fout is de teruggave 2006 op haar rekening gestort. Dit valt haar niet te verwijten. Dat geld heeft zij grotendeels verantwoord besteed en gebruikt om nieuwe schulden af te lossen. Dit is reeds besproken op het verhoor van 7 juli 2008 en is toen geen reden geweest de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Bij brief van 6 november 2008 heeft de bewindvoerder een voorstel gedaan om de boedelachterstand in te lopen met de teruggaven van de belastingdienst, waarmee appellante bij brief van 15 december 2008 akkoord is gegaan. Op deze manier leeft zij onder het minimum, maar is het haar wel gelukt een extra bedrag van € 3.458,- voor de boedel te sparen. Zij heeft echter toen niet begrepen dat desondanks de schuldsaneringsregeling beëindigd zou kunnen worden. Zij wijst er in dit verband ook op dat de communicatie met de bewindvoerder moeizaam verliep. Voorts heeft appellante met betrekking tot de huurschuld aangevoerd dat er overleg heeft plaatsgevonden met de verhuurder. Dit heeft er, aldus appellante, toe geleid dat de huurverhoging over de periode november 2007 tot en met oktober 2008 is komen te vervallen en dat er ook rekening gehouden zal worden met het door appellante terzake van het verbruik van water in de periode juni 2007 tot en met februari 2009 onverschuldigd betaalde. Ter zitting in hoger beroep heeft appellante gesteld dat de huurschuld thans nog € 1.295,- bedraagt, maar dat de verhuurder die ochtend telefonisch heeft toegezegd deze schuld kwijt te schelden. Aangaande de arbeidsverplichting heeft appellante gesteld dat zij vrijgesteld was door de DWI tot september 2008. Desondanks heeft zij toch gesolliciteerd en heeft zij per mei 2008 een baan gevonden voor 24 uur in de week. Het had op de weg van de bewindvoerder gelegen een arbeidsongeschiktheidskeuring aan te vragen, nu de rechtbank hierom had gevraagd, aldus appellante. Doordat zij psychische problemen heeft, was het voor haar onmogelijk meer te werken, alsmede de stukken op tijd over te leggen. Zij heeft nu echter contact met maatschappelijk werk en is van plan budgetbeheer aan te vragen. Appellante verzoekt om verlenging van de schuldsaneringsregeling ten einde te kunnen voldoen aan haar verplichtingen. Zij wijst in dit verband ook op de vordering die zij op haar zus heeft in verband met de erfenis van haar moeder, waarmee een groot deel van de schulden zal kunnen worden voldaan.

2.3. Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat uit de Wet Schuldsanering Natuurlijke personen (WSNP) op de schuldenaar rustende verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gevergd wordt. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar nieuwe bovenmatige schulden laat ontstaan en een boedelachterstand laat ontstaan.

2.4. Op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep en de overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof gebleken dat appellante haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet voldoende is nagekomen. Zij is tekortgeschoten in haar informatie- en sollicitatieverplichting, heeft nieuwe schulden laten ontstaan, alsmede een boedelachterstand. Haar zijn veel kansen geboden om gevraagde stukken betreffende haar arbeidsongeschiktheid over te leggen, haar achterstand in boedelbetalingen en de nieuw ontstane schulden te voldoen. Deze kansen heeft zij in onvoldoende mate benut. Onvoldoende geadstrueerd door appellante is dat zij geen (nieuwe) schuld aan de verhuurder meer zou hebben. Het hof is van oordeel dat appellante van het ontstaan van de nieuwe schuld en de boedelachterstand een verwijt kan worden gemaakt. Zij had nimmer de belastingteruggave over het jaar 2006 naar eigen inzicht mogen gebruiken, maar had de storting van dit geld op haar rekening direct moeten melden aan de bewindvoerder. Haar nalatig handelen is van dien aard dat een en ander de beëindiging van de schuldsaneringsregeling rechtvaardigt zonder verlening van de zogenoemde schone lei. Dat zij thans belastingteruggaven wil gebruiken om de boedelachterstand in te lopen en budgetbeheer wil aanvragen, doet daaraan niet af. Nu geen concreet en haalbaar voorstel is gedaan, zonder ver onder een minimuminkomen te geraken, en er ook nog geen concreet uitzicht is op gelden uit Italië, is er naar het oordeel van het hof geen grond om de schuldsaneringsregeling te verlengen.

2.6. Gelet op het vorenstaande wordt beslist als volgt.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de uitspraak waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, A. Bockwinkel en R.D. Vriesendorp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 3 april 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.