Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6133

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
23-003431-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promisarrest. Zwaar lichamelijk letsel door schuld in het verkeer (artikel 6 WVW 1994).

Het hof is van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen door onder daarvoor ongeschikte omstandigheden en terwijl daartoe de noodzaak ontbrak een inhaalmanoeuvre in te zetten en door te zetten, waarbij verdachte frontaal tegen de auto van een hem tegemoetkomende weggebruiker is gereden, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het verweer, dat sprake was van medeschuld van het slachtoffer, is verworpen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/78

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-003431-08

datum uitspraak: 28 juli 2009 (PROMIS)

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-518020-07 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

adres:[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 13 maart 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Verdachte wordt primair verweten dat op 8 maart 2006 te Amsterdam door zijn schuld bij een verkeersongeval [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Subsidiair is tenlastegelegd dat verdachte op die datum en plaats gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Van de inleidende dagvaarding is een kopie aan dit arrest gehecht (bijlage 1).

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging voorkomen, leest het hof verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waartegen beroep is ingesteld

Het vonnis waartegen beroep is ingesteld kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte schuldig is aan het hem primair tenlastegelegde, om redenen die hieronder uiteengezet worden.

Vaststaande feiten

Op 8 maart 2006 reed verdachte op de Tafelbergweg te Amsterdam, komende uit de richting Abcouderstraatweg en gaande in de richting Meibergdreef1. De Tafelbergweg is een weg met in beide richtingen één baan. De geldende maximumsnelheid aldaar bedraagt 50 kilometer per uur2. Op die weg omstreeks dat tijdstip reed ook [benadeelde], in tegenovergestelde richting3. Ter hoogte van een bocht naar rechts, alwaar een waarschuwingsbord J2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (inhoudende een waarschuwing voor een bocht naar rechts) is geplaatst, heeft verdachte een inhaalmanoeuvre ingezet, waarbij hij zijn snelheid heeft vermeerderd tot circa 55 kilometer en waarbij hij op de rijstrook, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden4. Hierop heeft tussen het voertuig van verdachte en dat van [benadeelde] een frontale aanrijding plaatsgevonden5. [benadeelde] heeft daarbij letsel opgelopen, te weten onder meer twee gebroken voeten6.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld gesteld dat het primair aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte heeft met matige snelheid een of meer voorliggers ingehaald, in een bocht (aangegeven met verkeersbord J2, inhoudende een waarschuwing voor een bocht naar rechts) en bij een naderende tegenligger, terwijl de noodzaak om die voorligger(s) in te halen ontbrak.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat verdachte van het primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft de ter plekke toegestane maximumsnelheid slechts in zeer geringe mate overschreden. Verdachte besloot een redelijk stuk vóór de bocht te gaan inhalen, hetgeen op dat moment nog mogelijk was. Verdachte had daarbij zicht op de tegenligger. Tijdens de manoeuvre veranderde de situatie echter, omdat de ruimte tussen de voorliggende auto’s te klein was geworden omdat de tegenligger, zijnde [benadeelde], plotseling haar snelheid vermeerderde. Verdachte heeft een inschattingsfout gemaakt, maar heeft niet zodanig onvoorzichtig gereden dat hij schuldig is aan het hem primair tenlastegelegde. Bovendien heeft verdachte nog getracht de aanrijding te voorkomen.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging gesteld dat dat wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd die in grote lijnen overeenkomt met verdachtes eerdere verklaringen. Voorzover van belang en zakelijk weergegeven heeft verdachte het volgende verklaard:

Op 8 maart 2006 reed ik in mijn personenauto op de Tafelbergweg te Amsterdam. Ik kwam uit de richting van de Abcouderstraatweg en ging in de richting van de Meibergdreef. Elke werkdag rijd ik over die weg naar mijn werk. Op 8 maart 2006 had ik haast omdat ik veel te laat was voor mijn werk. Ik naderde de bocht die zich ongeveer halverwege de Tafelbergweg bevindt. Er reden twee auto’s voor mij. Zij reden, net als ik, met de aldaar toegestane maximumsnelheid, zijnde 50 kilometer per uur. Er was tussen en voor deze auto’s genoeg ruimte om in te halen. Op de linker rijbaan kwam mij een auto tegemoet; ik kon die auto goed zien en naar mijn idee was die auto nog ver weg. Ik besloot in te halen en verhoogde mijn snelheid iets, naar ongeveer 53-55 kilometer per uur. Volgens mij gaf de tegenligger vervolgens echter flink gas. Ineens was zij vlak vóór mijn auto. Om een aanrijding te voorkomen wilde ik terugsturen naar de rechter rijbaan, maar daar blokkeerde een andere auto de ruimte. Ik probeerde vervolgens naar links uit te wijken, maar ook dat was tevergeefs, omdat aldaar een boom stond.

Het oordeel van het hof

Aanmerkelijk onvoorzichtig?

Het hof dient een antwoord te geven op de vraag, of verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld.

Voor de beoordeling van verdachtes verkeersgedrag in het onderhavige geval beziet het hof het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Het hof komt ten aanzien van verdachtes gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan tot het volgende oordeel.

Verdachte bevond zich op 8 maart 2006 op de Tafelbergweg te Amsterdam ter hoogte van een met een waarschuwingsbord aangegeven bocht naar rechts7.

Verdachte heeft [benadeelde], die in tegenovergestelde richting reed, zien naderen8. Het is een feit van algemene bekendheid dat het moeilijk is om vanuit een rijdende auto de snelheid van een tegenligger in te schatten.

Verdachtes voorliggers reden, net als verdachte, met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur9. Inhalen was onder die omstandigheden volgens de geldende verkeersregels niet geoorloofd. Evenmin bestond enige noodzaak daartoe.

Verdachte heeft zijn snelheid verhoogd naar ongeveer 55 kilometer per uur10. Dit is een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan11. Aan het begin van de door verdachte ingezette inhaalmanoeuvre was het verschil in snelheid tussen de in te halen auto’s en verdachtes auto zodanig klein dat de inhaalmanoeuvre veel tijd zou gaan vergen.

Tijdens de niettemin ingezette inhaalmanoeuvre is verdachte tegen de auto van de hem tegemoetkomende [benadeelde] aangereden12.

Het hof stelt vast dat verdachtes gedrag heeft afgeweken van de norm waaraan de verdachte zich had behoren te houden, terwijl het voor de verdachte mogelijk was zich overeenkomstig de norm te gedragen. Verdachte heeft in het onderhavige geval in aanzienlijke mate in strijd met hetgeen van de normaal oplettende weggebruiker mocht worden verwacht, gehandeld.

Door onder deze omstandigheden aan een inhaalmanoeuvre te beginnen en deze vervolgens door te zetten, waarbij verdachte zich met zijn voertuig heeft begeven op de rijbaan, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof dan ook aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen.

(Mede)schuld?

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van medeschuld van de zijde van [benadeelde], nu niet aannemelijk is geworden dat zij bij het naderen van dan wel in de bocht haar snelheid (aanmerkelijk) heeft verhoogd. Het hof overwoog hiervoor al dat – naar algemeen bekend is – de snelheid van een tegenligger vanuit een rijdende auto zeer moeilijk in te schatten is. Verdachtes verklaring over [benadeelde]’s snelheid13 is niet gebaseerd op objectieve waarnemingen, maar op gissingen, zo blijkt uit hetgeen verdachte hierover ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Verdachtes aannames worden bovendien door [benadeelde] weersproken14 en vinden ook overigens in het dossier geen steun.

Noch het voertuig van verdachte, noch dat van [benadeelde], vertoonde enig mankement waaruit de aanrijding zou kunnen worden verklaard15.

Andere bijzondere omstandigheden, waaruit zou moeten volgen dat van schuld aan de zijde van verdachte in dit geval niet kan worden gesproken, zijn evenmin aannemelijk geworden.

Het hof concludeert dan ook dat het verkeersongeval aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten is.

Letsel

Uit de aangifte van [benadeelde] en de haar betreffende medische verklaring maakt het hof op dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten twee gebroken voeten. Tijdens het consult bij de chirurg op 29 mei 2006 vertoonde zij nog steeds weinig beweeglijkheid in de rechterenkel en de rechtervoet, werkte zij nog steeds niet volledig en had zij nog steeds thuis verzorging nodig16.

Bewijs en bewezenverklaring

Gelet op de hiervoor onder Vaststaande feiten en Het oordeel van het hof weergegeven bewijsstukken acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 maart 2006 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Tafelbergweg, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken voeten, werd toegebracht; bestaande dat gedrag hieruit:

* verdachte heeft gereden over de Tafelbergweg, komende uit de richting van de Abcouderstraatweg en gaande in de richting van de Meibergdreef;

* verdachte heeft, gekomen ter hoogte van een in voornoemde weg gelegen bocht naar rechts - op welke weg ter hoogte van die bocht naar rechts een waarschuwingsbord J2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (inhoudende een waarschuwing voor een bocht naar rechts) was geplaatst, de snelheid van het door hem bestuurde voertuig verhoogd en met een snelheid van ongeveer 55 kilometer per uur ter hoogte van die bocht voertuigen links ingehaald en is op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer gaan rijden;

* hierbij heeft verdachte onvoldoende rekening gehouden met de aanwezigheid en nadering van een personenauto, bestuurd door [benadeelde], op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer, immers is verdachte op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer gaan rijden en blijven rijden op het moment dat voornoemde personenauto op die rijstrook uit tegenovergestelde richting naderde;

* hierdoor is verdachte met de voorkant van de door hem bestuurde personenauto op de weghelft bestemd voor het verkeer in tegengestelde richting tegen de voorkant van voornoemde personenauto, bestuurd door voornoemde [benadeelde], aangereden.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 500,-, bij gebreke van (volledige) betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Weggebruikers dienen zich bij de deelneming aan het verkeer te gedragen in overeenstemming met de verkeersregels, nu regelafwijkend gedrag het onderlinge vertrouwen in het te verwachten rijgedrag van weggebruikers verstoort en een gevaar voor de verkeersveiligheid in het leven roept. Verdachte heeft zich echter niet aan die regels gehouden, hetgeen voor [benadeelde] ernstige gevolgen heeft gehad. [benadeelde] heeft verklaard dat zij als gevolg van de aanrijding beide voeten heeft gebroken, hetgeen door de verklaring van chirurg [arts] wordt bevestigd17, en er blauwe plekken en nek- en schouderklachten aan heeft overgehouden. Op het moment van het doen van aangifte, 2 maanden na de aanrijding, had zij nog altijd moeite met lopen en was zij nog niet volledig arbeidsgeschikt. Ook had zij thuis nog verzorging nodig.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 juni 2009 is verdachte bovendien eerder strafrechtelijk veroordeeld, onder meer wegens overtreding van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 jaren.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mobiele telefoon, merk Samsung, type SGH-Z 320i, imeinummer 357800000685745.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. A.G. Korvinus, in tegenwoordigheid van mr. M.E.P. Bons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 juli 2009.

Mr. Den Ottolander is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2009.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse met nummer 2006060976 van 20 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R. Onclin en W. van Voorst.

3 Proces-verbaal met nummer 2006060976-6 van 2 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M.L. Halfhilde en inhoudende de aangifte van [benadeelde] (pagina 8 e.v. dossier).

4 Zie noot 1 en noot 2.

5 Zie noot 2.

6 Zie noot 3 alsmede het geschrift, te weten een brief van 30 mei 2006 van dr. [arts], chirurg, hoofd trauma unit AMC, betreffende [benadeelde] (pagina 25 dossier).

7 Zie noot 1 en noot 2.

8 Zie noot 1.

9 Zie noot 1.

10 Zie noot 1.

11 Zie noot 2.

12 Zie noot 1 en noot 2.

13 Zie noot 1.

14 Zie noot 4.

15 Zie noot 2.

16 Zie noot 6.

17 Zie noot 6