Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6131

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
23-006080-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging met braak uit een bedrijfspand (feit 1 primair).. Vrijspraak van diefstal dan wel heling (feiten 3 en 4). Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van de feiten 1 (primair en subsidiair), 3 en 4.

Conclusie van het hof naar aanleiding van gevoerde verweren met betrekking tot feit 1 primair: de auto waaruit de medeverdachte even voor zijn aanhouding in de nacht van 25 oktober 2005 wegrent, waarin verdachte eerder als bestuurder is gezien en waarin ook later diens rijbewijs is aangetroffen, is geobserveerd bij een bedrijfspand in een periode waarin – naar later bleek – een inbraak aldaar is gepleegd. Bij een achtervolging wordt kennelijk uit de auto een deel van de weggenomen goederen gegooid. In bedoelde auto wordt inbrekerstuig aangetroffen, alsmede wederom een deel van de weggenomen goederen. Verdachte geeft bij zijn aanhouding snel een groot geldbedrag over aan een derde die daarmee verdwijnt. De medeverdachte is bij zijn aanhouding in het bezit van een groot geldbedrag alsmede soortgelijke bankbiljetten (onder meer biljetten van $1,- biljetten en een €100,- biljet) als zijn weggenomen. Een redelijke verklaring voor de aanwezigheid die nacht bij het bedrijfspand en voor het bezit van de overdragen en aangetroffen geldbedragen en bovengenoemde coupures is niet gegeven. Bij deze stand van zaken kan het hof tot geen andere conclusie komen dan dat verdachte samen met de medeverdachte (en een onbekend gebleven derde persoon) het hierboven bewezen verklaarde feit heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-006080-06

datum uitspraak: 28 juli 2009

TEGENSPRAAK (verdachte en raadsman verschenen)

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank [woonplaats] van 15 december 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-527265-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [1986],

adres: [adres][woonplaats],

thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres][woonplaats][detentieadres][woonplaats].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel de verdediging niet in hoger beroep is gegaan, de zaak toch in volle omvang aan het hof voorligt.

Het hof overweegt met betrekking hiertoe het volgende.

Voorop staat, dat aan de verdediging – bij ontbreken van een (volg)appel zijdens de verdediging – rechtens geen zelfstandig bevoegdheid toekomt om een appel van het openbaar ministerie, dat volgens de daarvoor geldende voorschriften is beperkt, ter terechtzitting zich alsnog te doen uitstrekken tot één of meer door het openbaar ministerie niet in het appel betrokken beslissingen van de rechter in eerste aanleg met betrekking tot de tenlastegelegde feiten.

In het onderhavige geval stelt het hof echter vast dat het openbaar ministerie het appel in de akte hoger beroep niet heeft beperkt, zodat aannemelijk is dat op grond daarvan bij de verdediging de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat ook de beoordeling van feit 2 in hoger beroep opnieuw aan de orde zou komen.

Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat het hoger beroep moet worden opgevat als niet beperkt, zodat de strafzaak tegen verdachte thans in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorligt.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 december 2006 en op de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. De verdediging heeft betoogd dat verdachte van feit 4 primair en subsidiair moet worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 4 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe, dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit, anders dan het aantreffen van het gestolene in de door verdachte gehuurde auto.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

hij op 25 oktober 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 4.900 euro en een geldbedrag van 4 dollar en strippenkaarten en draagbare computers en geheugenmodules en organizers en een videocamera en fotocamera's en computerrandapparatuur, toebehorende aan de [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door deuren en/of sloten te forceren;

2:

hij op 25 oktober 2005 te Amsterdam D. de Weert en S. Braaksma heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde De Weert dreigend de woorden toegevoegd: "Kutagent, klotesmeris, ik weet je te vinden, ik weet hoe je eruit ziet, ik ga je vinden en ik ga je neersteken, jij komt nog wel aan de beurt" en voornoemde Braaksma dreigend de woorden toegevoegd: "Stomme hoer, ik maak je af, ik maak je dood, ik weet je te vinden, hier kom je niet mee weg".

Hetgeen onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 primair:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2005261817-1 van 26 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M.M. Krabbendam, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 3.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 oktober 2005 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [vertegenwoordiger benadeelde]:

Ik doe aangifte van inbraak in het kantoor van de [benadeelde] aan de [adres] te [woonplaats] op 25 oktober 2005 tussen 2.30 uur en 5.05 uur. Twee pijlers van het buitenhek zijn verbogen, waardoor een opening is ontstaan. Via de zijkant van het kantoor is de dader het kantoor kennelijk via een raam binnengegaan. De dader heeft de volgende zaken opengebroken: een brandvrije kast en 39 deuren van kantoorruimten. Het weggenomen geld komt uit een brandvrije kast. Daaruit is gestolen een geldbedrag van rond de €4.900,-. Daarnaast zat een bedrag van €3.505,- in een envelop. Dat bedrag bestond uit elf biljetten van €5,-, dertien biljetten van €10,-, zestien biljetten van €20,- en zestig biljetten van €50,-. De rest van het geld zat in een busje en bestond grotendeels uit biljetten van €50,- en een biljet van €100,-. Het kleingeld bestond hoofdzakelijk uit munten van €1,- en €2,-. Er lag ook een travellerscheque van €100,-. Verder zijn er vier biljetten van $1,- gestolen en zeven à acht strippenkaarten ter waarde van €7,50.

2. Een aanvullend proces-verbaal met nummer 2005261817-1 van 27 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M.M. Krabbendam, doorgenummerde pagina’s 4 tot en met 10 (inclusief bijlagen).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 oktober 2005 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [vertegenwoordiger benadeelde]:

Bij de inbraak op 25 oktober 2005 in het pand aan de [adres] te [woonplaats] zijn weggenomen onder meer draagbare computers, computerrandapparatuur, geheugenmodules, PDA’s (het hof begrijpt: organisers), een videocamera en fotocamera’s.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005261817-1 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T. Vianen, doorgenummerde pagina’s 11 en 12.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Op 25 oktober 2005 te 3.15 uur bevond ik mij op de [adres] te [woonplaats], ter hoogte van de [benadeelde]. Aldaar zag ik een Volkswagen personenauto met kenteken [kenteken] staan. De auto stond bijna in de bosschages. Ik keerde mijn auto en zag bij terugkomst de jongens niet meer bij de auto staan. Op mijn verzoek hebben de collega’s Niesse en Dijkstra het voertuig onder observatie genomen. Omstreeks 3.45 uur hoorde ik telefonisch van collega [verbalisant 2] dat een persoon zich in de richting van genoemde Volkswagen begaf. Ik begaf mij in de richting van de [adres]. Van collega Niesse hoorde ik vervolgens dat de auto was gaan rijden in de richting van de [straat 3] en dat er aldaar twee jongens waren ingestapt. Ik zag genoemd voertuig de [straat 3] inrijden en volgde de auto. Ter hoogte van de [adres] stopte de Volkwagen. Ik zag dat achter het stuur van de Volkswagen een jongen zat met een Noord-Afrikaans uiterlijk, kort donker haar, een smal gezicht en donkere kleding. De bestuurder keek in mijn richting en reed vervolgens met hoge snelheid weg in de richting van de [straat 4]. Ik zag de personenauto de ringweg A10 oprijden. Op de oprit [straat 4] zag ik aan het einde van de oprit een donkere tas liggen. Ik reed op dat moment 200 meter achter de Volkswagen. Ik verloor het voertuig uit het oog en hoorde van collega’s dat zij achter het voertuig reden op de A10, ter hoogte van de RAI, kennelijk was het voertuig gekeerd bij de afrit RAI. Ter hoogte van de afrit RAI zag ik op de uitvoegstrook een zwarte tas liggen. Omstreeks 5.00 uur werd mij het rijbewijs getoond van [verdachte], geboren [1986] te [woonplaats]. Ik herkende de persoon op de foto van het rijbewijs als de bestuurder van de Volkswagen. [verdachte] bestuurde de personenauto toen ik hem trachtte staande te houden.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005261817-1 van 8 november 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T. Vianen, doorgenummerde pagina’s 285 en 286.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

In aanvulling op mijn op 25 oktober 2005 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, verklaar ik het volgende. Op het moment dat ik aan het einde van de oprit A10 richting de RAI reed zag ik een tas op de oprit liggen, midden op de rijbaan. Ter hoogte van de uitvoegstrook van de afslag RAI zag ik een tweede tas liggen, eveneens midden op de weg. Deze tassen lagen precies op de route welke de bestuurder van de Volkswagen heeft gevolgd.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005261817-1 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.C. Niesse en A.C. Dijkstra, doorgenummerde pagina’s 13 tot en met 16.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten (of één van hen):

Op 25 oktober 2005 omstreeks 3.45 uur zagen wij een man met donkere kleding en een zwart hoofddeksel in de richting van een personenauto met kenteken [kenteken] lopen. De man droeg een zwarte rechthoekige rugtas, die hij in de kofferbak van de auto plaatste. Vervolgens ging hij op de bestuurdersstoel zitten en reed weg in de richting van de [straat 4] (het hof begrijpt: te [woonplaats]). Op de [straat 3] (het hof begrijpt: te [woonplaats]) zagen wij twee personen staan. De twee personen stapten in de personenauto en de personenauto reed met zeer hoge snelheid weg.

Op het politiebureau zagen wij eerdergenoemde zwarte rechthoekige rugtas liggen.

6. Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2005261817-10 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar Th. Vianen, doorgenummerde pagina’s 157 tot en met 159.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van verbalisant:

Op 25 oktober 2005 heb ik op de ringweg A10 de hierna te noemen goederen aangetroffen en in beslag genomen:

* een Dell Computer met serienummer PH02R1521760148ELOWF;

* een zwarte rugzak;

* een Dell Inspiron 510 portable computer met registratienummer CN0H1908486434AC3129 en serienummer PCKA2814, met bijbehorende randapparatuur.

7. Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2005261817-10 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar E. Oostendorp, doorgenummerde pagina’s 160 tot en met 162.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van verbalisant:

Op 25 oktober 2005 werd na een inbraak in de [benadeelde] aan de [adres] tijdens een achtervolging uit een auto een tas met daarin drie laptopcomputers gegooid op de oprit van de A10. Ik heb de hierna te noemen goederen in beslag genomen:

* een Targus laptoptas;

* een Dell Inspiron 510m portable computer met registratienummer CN0H1908486434AM2629 en serienummer PCKA2824;

* een Toshiba Satellite Pro 4 portable computer met registratienummer 31660649G en serienummer 31660649GSS4600;

* een Asus S1300 portable computer met registratienummer 27NP019907 en serienummer PCKA2396;

8. Een geschrift, te weten een bewijs van ontvangst met nummer 2005261817-67 van 8 november 2005, doorgenummerde pagina’s 364 en 365, inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

[vertegenwoordiger benadeelde] verklaart hierbij op 8 november 2005 uit handen van de politie Amsterdam te hebben ontvangen

* een Targus laptoptas;

* een Dell Inspiron 510m portable computer met registratienummer CN0H1908486434AM2629 en serienummer PCKA2824;

* een Toshiba Satellite Pro 4 portable computer met registratienummer 31660649G en serienummer 31660649GSS4600;

* een Asus S1300 portable computer met registratienummer 27NP019907 en serienummer PCKA2396;

* een Dell Computer met serienummer PH02R1521760148ELOWF;

* een zwarte rugzak;

* een Dell Inspiron 510 portable computer met registratienummer CN0H1908486434AC3129 en serienummer PCKA2814, met bijbehorende randapparatuur.

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005261817-1 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A. Faas en J. Peeters, doorgenummerde pagina’s 17 tot en met 19.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten (of één van hen):

Naar aanleiding van een melding op 25 oktober 2005 te 3,48 uur over een grijze personenauto met kenteken [kenteken] zijn wij richting de A10, afslag RAI gereden. Wij zagen de auto met hoge snelheid en gedoofde voertuigverlichting rijden in de richting van station RAI. Er zaten drie mannen in het voertuig. De auto reed de oprit A10 op. Het stopteken dat wij gaven, werd door de bestuurder genegeerd. De auto kwam uiteindelijk tot stilstand in het plantsoen aan de achterzijde van de [straat 1]. Drie mannen sprongen uit de auto en renden weg in de richting van de [straat 2]. Ik, eerste verbalisant, rende achter een verdachte aan met een Marokkaans uiterlijk, gekleed in een wit trainingsjack. Ik hield deze verdachte aan. Hij gaf later op te zijn [medeverdachte], geboren [1983] te [woonplaats]. Ik, tweede verbalisant, rende achter de bestuurder aan, die was gekleed in een zwarte jas dan wel trui. Deze rende weg in de richting van de [straat 2], alwaar ik hem uit het oog verloor. In het zijvak van het linkerportier troffen wij een rijbewijs aan op naam van [verdachte], geboren [1986] te [woonplaats]. Voorts troffen wij onder de rechter voorstoel een breekijzer en twee paar dunne zwarte handschoenen aan.

10. Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer PL999/05-082181 van 17 november 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar J.C. de Caes, doorgenummerde pagina’s 315 tot en met 321 (inclusief bijlagen).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Op 31 oktober 2005 ontving ik van de technische recherche van de politie Amsterdam-Amstelland een breekijzer en twee afgevormde werktuigsporen uit het [benadeelde] (het hof begrijpt: de [benadeelde]) naar aanleiding van een aldaar gepleegde inbraak op 27 (het hof begrijpt: 25) oktober 2005. Ik verrichtte onderzoek daaraan ter beantwoording van de vraag of de afgevormde werktuigsporen veroorzaakt zijn met het breekijzer. Mijn conclusie is dat de afgevormde werktuigsporen waarschijnlijk zijn vervaardigd met het breekijzer.

11. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005261817-75 van 15 november 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar I. Braaksma, doorgenummerde pagina’s 287 tot en met 289.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Op 2 november 2005 trof ik in de kofferbak van een grijze Volkswagen met kenteken [kenteken] een American Express Travelerscheque van 100 euro, twee biljetten van 1 dollar en zeven strippenkaarten aan.

12. Een proces-verbaal, te weten een bewijs van ontvangst met nummer 2005261817-53 van 27 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M.M. Krabbendam, doorgenummerde pagina 244, met als bijlagen (doorgenummerde pagina’s 235 tot en met 243) geleidelijsten inbeslaggenomen gelden.

Dit proces-verbaal en deze bijlagen houden in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

M.M. Krabbendam verklaart op 25 oktober 2005 uit handen van [medeverdachte] te hebben inbeslaggenomen vijfenveertig biljetten van €50,-, een biljet van €100,-, een biljet van €20,-, een biljet van €10,-, twee biljetten van $1,- en vijftig euromunten, waaronder acht munten van €2,- en tien munten van €1,-.

13. Een proces-verbaal van 28 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. K. Bakker, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [medeverdachte]:

Ik heb die nacht (het hof begrijpt: de nacht van 25 oktober 2005) in een grijze auto gezeten met twee andere jongens. Wij zijn gestopt bij het [benadeelde] (het hof begrijpt: de [benadeelde]). De jongens gingen even weg. Toen zij terugkwamen hadden zij twee tassen bij zich. Kort daarna moesten we stoppen van de politie maar die jongen (het hof begrijpt: de bestuurder) reed weg. Wij zijn de snelweg opgegaan. Later renden wij de auto uit. Ik had euro’s en dollars bij mij, ik wil niet vertellen hoe ik daaraan kwam.

14. Een proces-verbaal van doorzoeking met nummer 2005261817-34 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren S. Braaksma, D. de Weert en M.M. Krabbendam, doorgenummerde pagina’s 58 tot en met 72 (inclusief bijlagen).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 25 oktober 2005 te 14.20 uur betraden wij het portiek van de woning aan de [adres] te [woonplaats], zijnde het woonadres van [medeverdachte]. Vanaf de derde etage zag ik, eerste verbalisant, een man de trap af komen lopen. Ik herkende deze man als zijnde [verdachte].

15. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005261817-1 van 26 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren D. de Weert, S. Braaksma, M.M. Krabbendam en M.D. van Laanen, doorgenummerde pagina’s 73 tot en met 81.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 25 oktober 2005 te 14.20 uur werd [verdachte] aangehouden. Ik, eerste verbalisant, zag dat de verdachte zijn hand in zijn broekzak stak en daaruit een ongeveer 7 centimeter dikke stapel dubbelgevouwen geld pakte. [verdachte] gaf dit geld aan [betrokkene 1][medeverdachte], die er vervolgens snel mee weg liep.

16. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2005261817-54 van 27 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren M. Bakker en D. de Weert, doorgenummerde pagina’s 97 tot en met 100.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 oktober 2005 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Ik heb de auto die nu bij jullie staat (het hof begrijpt: een grijze Volkswagen met kenteken [kenteken]) gehuurd voor ongeveer anderhalve week. Ik heb daarvoor 400 euro betaald. Maandag 24 oktober 2005 heb ik met de auto gereden.

Ten aanzien van feit 2:

17. Een proces-verbaal van doorzoeking met nummer 2005261817-34 van 25 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren S. Braaksma, D. de Weert en M.M. Krabbendam, doorgenummerde pagina’s 58 tot en met 72 (inclusief bijlagen).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 25 oktober 2005 werd de verdachte [verdachte] aangehouden. Daarbij hoorden wij de verdachte met luide stem tegen eerste verbalisant (het hof begrijpt: S. Braaksma) zeggen: “Stomme trut, stomme hoer, ik maak je af, ik maak je dood, ik weet je te vinden, hier kom je niet mee weg.” Wij, verbalisanten, hoorden tevens dat de verdachte tegen tweede verbalisant (het hof begrijpt: D. de Weert) riep: “Kutagent, klotesmeris. Ik weet je te vinden, ik weet hoe je eruit ziet. Ik ga je vinden en ga je neersteken. Jij komt nog wel aan de beurt.”

Nadere bewijsoverweging

De hiervoor ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voorzover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Bespreking van gevoerde bewijsverweren

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken, nu hij niet de wil had op het teweegbrengen van een redelijke vrees, dat hij zijn bedreigende woorden waar zou maken, nu nergens uit blijkt dat hij zijn woorden zou kunnen omzetten in daden en verdachte door de verbalisanten werd bedreigd en hardhandig werd aangepakt. Daarbij heeft de raadsman ook aangevoerd dat aan verbalisanten hogere eisen worden gesteld waar het betreft het ontstaan van vrees.

Het hof volgt de raadsman niet in dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De stelling van de raadsman, dat verdachte door de verbalisanten is bedreigd, volgt naar het oordeel van het hof niet uit het dossier, in het bijzonder niet uit het als bewijsmiddel 17 (deels) opgenomen proces-verbaal. Het gegeven, dat er een dreigende sfeer ontstond bij verdachtes aanhouding, maakt dit geenszins anders. Dat verdachte op het moment van het uiten van de bedreigende woorden fysiek niet in staat moest worden geacht die woorden onmiddellijk in daden om te zetten, brengt nog niet mee dat daarmee vast staat dat verdachtes wil er niet op was gericht de verbalisanten te bedreigen. Bovendien waren de door verdachte gebruikte bewoordingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden geuit, dat bij de verbalisanten de redelijke vrees kon ontstaan dat zij op enig moment door toedoen van verdachte het leven zouden verliezen. Dat degenen jegens wie verdachte zijn bedreigingen uitte verbalisanten waren, doet daaraan niet af.

Het hof overweegt voorts ten aanzien van feit 1 primair het volgende.

Gebruik van de verklaring van verdachte voor het bewijs

De raadsman heeft – onder verwijzing naar de zogenaamde “Salduz”-jurisprudentie, betoogd dat de verklaring van de verdachte, afgelegd bij zijn verhoor door de politie op 27 oktober 2005, niet voor het bewijs mag worden gebezigd, nu dit verhoor heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van en zonder voorafgaand overleg met verdachtes raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte beschikt (tenminste) sedert zijn inbewaringstelling over rechtskundige bijstand. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard - voorzover met betrekking tot dit verweer van belang en zakelijk weergegeven -: “De verklaring die ik op 27 oktober 2005 bij de recherche heb afgelegd, klopt. Ik blijf bij die verklaring.”

Noch ter terechtzitting in eerste aanleg, noch in hoger beroep is aangevoerd dat hetgeen is opgenomen in de door de verdediging gewraakte verklaring een onjuiste weergave zou zijn van hetgeen verdachte op die dag ten overstaan van de verhorend verbalisanten heeft verklaard. Gelet op het voorgaande vermag het hof dan ook niet inzien welke rechtens te respecteren belangen van verdachte zouden worden geschonden bij het bezigen van die verklaring voor het bewijs. Als zich de door de raadsman geschetste situatie al heeft voorgedaan, dan nog kan dit bij de voornoemde stand van zaken zonder gevolgen blijven.

De betrokkenheid van de grijze Volkswagen met kenteken [kenteken] bij het tenlastegelegde

Op grond van het hierna volgende is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat de grijze Volkswagen met kenteken [kenteken] betrokken is geweest bij de inbraak in de [benadeelde] op 25 oktober 2005.

Het tijdstip waarop de auto bij de [benadeelde] is gesignaleerd valt binnen het tijdsbestek waarin de inbraak gepleegd moet zijn (bewijsmiddelen 1 en 3 tot en met 5). De bij de [benadeelde] geobserveerde auto is gehuurd door verdachte (bewijsmiddel 16) en in de auto wordt verdachtes rijbewijs aangetroffen (bewijsmiddel 9). Verdachte wordt bovendien door verbalisant Vianen herkend als de bestuurder van de auto (bewijsmiddel 3). In de auto wordt een breekijzer aangetroffen (bewijsmiddel 9), dat waarschijnlijk bij de inbraak betrokken was (bewijsmiddel 10). De verklaring die verdachte met betrekking tot deze auto heeft afgelegd, voorzover inhoudende dat hij deze auto op maandag 24 oktober 2005 op de parkeerplaats aan de [straat 5] te [woonplaats] na het roken van een joint en het slikken van een XTC-pil met de sleutels in het contact heeft achtergelaten, en niet degene is geweest die later in de auto is gezien, nu hij thuis was (verklaring verdachte bij de politie, op 27 oktober 2005 afgelegd, dossierpagina 97 e.v.), acht het hof, gelet op het vorenoverwogene, ongeloofwaardig.

De herkenning van verdachte door verbalisant Vianen

De verdediging heeft een verweer gevoerd, inhoudende – kortgezegd – dat de herkenning van verdachte door verbalisant Vianen niet betrouwbaar is, omdat niet de zogenaamde “Foslo”- of “Oslo”-confrontatie is toegepast, verdachte een eeneiige tweelingbroer heeft en hij heeft verklaard de auto wel eens uit te hebben geleend. De herkenning door Vianen moet daarom van het bewijs worden uitgesloten.

Het hof verwerpt dit verweer, omdat het de herkenning van verdachte door verbalisant Vianen deugdelijk acht, en overweegt daartoe het volgende.

Verbalisant Vianen is stellig in zijn herkenning en bevestigt die bovendien bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 21 augustus 2006.

De stelling van de verdediging, dat de herkenning door verbalisant Vianen slechts als bewijsmiddel had kunnen dienen als die middels een zogenaamde “Foslo”-confrontatie had plaatsgevonden, vindt geen steun in het recht.

Het enkele feit dat verdachte een eeneiige tweelingbroer heeft, doet voorts aan de herkenning door verbalisant Vianen in beginsel niet af. Bijzondere omstandigheden, die in het onderhavige geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aangevoerd noch anderszins aannemelijk geworden. De verklaring van verdachte, dat hij de door hem gehuurde auto wel eens uitleende, acht het hof in dit opzicht te vaag om als een dergelijke bijzondere omstandigheid, nopend tot een ander oordeel, te kunnen worden aangemerkt.

Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich in de nacht van 25 oktober 2005 in de bij de [benadeelde] geobserveerde auto met kenteken [kenteken] heeft bevonden.

Het aantreffen van (een deel van) het gestolene

De bij de [benadeelde] ter plaatse komende verbalisanten Niesse en Dijkstra (bewijsmiddel 5) zien de bestuurder van een grijze Volkswagen met kenteken [kenteken] (naar later bleek: verdachte) een tas in de kofferbak van die auto leggen. Deze tas wordt later door hen op het bureau gezien. Op het bureau bevinden zich de door verbalisanten Vianen en Oostendorp op of nabij de snelweg in beslag genomen tassen (bewijsmiddelen 6 en 7). Deze tassen blijken afkomstig te zijn van de inbraak in de [benadeelde] (bewijsmiddel 8).

Uit bewijsmiddel 2 volgt onder meer dat bij de inbraak vier biljetten van een dollar zijn weggenomen. Onder medeverdachte [medeverdachte] zijn twee biljetten van een dollar aangetroffen (bewijsmiddel 12), terwijl in de bij de inbraak betrokken auto eveneens twee biljetten van een dollar zijn aangetroffen (bewijsmiddel 11) en daarnaast zeven strippenkaarten (welk aantal correspondeert met het in de aanvulling op de aangifte genoemde aantal van zeven à acht) en een travellerscheque van 100 euro (hetgeen eveneens correspondeert met de aangifte). Daarbij komt dat de bij de inbraak weggenomen dollarbiljetten, de strippenkaarten, de travellerscheque en het geldbedrag uit een en dezelfde kast afkomstig waren. Verdachte noch zijn medeverdachte(n) heeft/hebben voor de aanwezigheid van deze goederen in de auto een verklaring gegeven.

Bij zijn aanhouding is verdachte voorts in het bezit van een aanzienlijk geldbedrag in euro’s, met name bestaande uit vijfenveertig biljetten van €50,- en één (weinig courant) biljet van €100,- . Verder had verdachte bij zich (onder meer) acht muntstukken van €2,- en tien muntstukken van €1,- (bewijsmiddel 12). Dergelijke biljetten en muntstukken zijn ook bij de inbraak buitgemaakt. Een verklaring voor het bezit van dit geldbedrag – waarbij, gelet op het voorgaande met name de samenstelling in het oog springt – is door verdachte niet op enig moment gedurende de tegen hem aanhangig zijnde vervolging gegeven.

Van een verdachte, die kort na het pleegmoment van een hem verweten strafbaar feit met goederen wordt aangetroffen, ten aanzien waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat het (een deel van) de bij dat feit buitgemaakte goederen betreft, mag een redelijke verklaring worden verwacht ten aanzien van de herkomst van die goederen. Wanneer (een van de) onder een verdachte aangetroffen goederen – zoals in het onderhavige geval – een aanzienlijk geldbedrag in de hiervoor genoemde samenstelling betreft, en het bezit daarvan geenszins kan worden verklaard uit [medeverdachte]s persoonlijke omstandigheden zoals daarvan uit het dossier is gebleken, geldt voornoemd beginsel des te meer.

Ten aanzien van de onder [medeverdachte] in beslag genomen geldbedragen (in euro’s en in dollars) kan het hof dan ook tot geen andere conclusie kan komen dat deze - bezien in samenhang met de uit de auto inbeslaggenomen goederen en geldbedragen (bewijsmiddel 11) en gelet op het vorenoverwogene - van de inbraak bij de [benadeelde] afkomstig zijn.

Verdachte wordt aangetroffen en aangehouden slechts enkele uren na het feit en in de woning van medeverdachte [medeverdachte] (bewijsmiddel 14). Bij het aantreffen en aanhouden van verdachte is ook hij in het bezit van een aanzienlijke hoeveelheid geld (bewijsmiddel 15). Hiervoor heeft het hof reeds uiteengezet dat naar het oordeel van het hof van een verdachte, die kort na het pleegmoment van een hem verweten strafbaar feit met vermoedelijk (een deel van) de bij dat feit buitgemaakte goederen wordt aangetroffen, een redelijke verklaring mag worden verwacht ten aanzien van de herkomst van die goederen, temeer nu verdachte in het onderhavige geval in het bezit was een groot geldbedrag, welk bezit geenszins kan worden verklaard uit zijn persoonlijke omstandigheden zoals daarvan uit het dossier is gebleken. Een dergelijke redelijke verklaring is door verdachte echter nimmer gegeven. Het hof acht dan ook aannemelijk dat ook verdachte bij zijn aanhouding in het bezit was van (een deel van) een bij de inbraak in de [benadeelde] gestolen geldbedrag.

Conclusie

De auto waaruit [medeverdachte] even voor zijn aanhouding in de nacht van 25 oktober 2005 wegrent (bewijsmiddel 9), waarin verdachte als bestuurder is gezien en waarin ook later diens rijbewijs is aangetroffen, is geobserveerd bij het gebouw van de [benadeelde] in een periode waarin – naar later bleek – een inbraak aldaar is gepleegd. Bij een achtervolging wordt uit de auto een deel van de weggenomen goederen gegooid. In bedoelde auto wordt inbrekerstuig aangetroffen, alsmede wederom een deel van de weggenomen goederen. Zowel verdachte als [medeverdachte] zijn bij aanhouding in het bezit van een deel van het gestolene. Een redelijke verklaring voor de aanwezigheid die nacht bij de [benadeelde] en voor het bezit van een deel van het gestolene is niet gegeven. Bij deze stand van zaken kan het hof tot geen andere conclusie komen dan dat verdachte samen met [medeverdachte] (en een onbekend gebleven derde persoon) het hierboven bewezen verklaarde feit heeft gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde en voor het hem onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 4 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een omvangrijke bedrijfsinbraak. Dit is een zeer ergerlijk feit, dat veel schade voor het dupeerde bedrijf heeft veroorzaakt.

Daarnaast heeft verdachte twee personen bedreigd met de dood. Feiten als deze veroorzaken bij de slachtoffers gevoelens van onveiligheid. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij deze bedreigingen heeft geuit tegen beambten van de politie in de rechtmatige uitoefening van hun werkzaamheden. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 juli 2009 is verdachte bovendien eerder ter zake van een gekwalificeerd vermogensmisdrijf veroordeeld.

Bij de bepaling van een passende en geboden straf heeft het hof voorts rekening gehouden met de nieuwe wettelijke regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden, maar zal de op te leggen straf matigen, gelet op het navolgende.

Op 25 oktober 2005 is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde in verzekering gesteld. Op 1 december 2006 vond het onderzoek door de rechtbank te Amsterdam plaats en op 15 december 2006 is de verdachte op tegenspraak veroordeeld. Tegen dit vonnis is op 22 december 2006 hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Het dossier is op 5 april 2007 ontvangen ter griffie van dit hof. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 juli 2009, waarop heden, op 28 juli 2009, dit arrest wordt gewezen, 2 jaar en 7 maanden na het instellen van het hoger beroep. Hieruit volgt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Gelet op deze schending zal het hof bovengenoemde passend en geboden geachte straf van 10 maanden gevangenisstraf matigen tot 9 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. A.G. Korvinus, in tegenwoordigheid van mr. M.E.P. Bons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 juli 2009.

Mr. Den Ottolander is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.