Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ5893

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
07/00822, 07/00823 en 07/00824
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cultuurgrondvrijstelling van toepassing op braakliggend perceel landbouwgrond dat de gemeente enkele weken na de peildatum verwerft en bouwrijp maakt.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 220
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1272
FutD 2009-1850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 07/00822, 07/00823 en P07/00824

uitspraak: 13 augustus 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer,

de heffingsambtenaar,

gemachtigde mr. A.G. Hendriks,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/4675 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X], wonende te [Y],

belanghebbende,

gemachtigde ing. D. van Beusichem,

en

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 december 2003 aan belanghebbende voor de jaren 2001, 2002 en 2003 aanslagen opgelegd in de onroerende-zaakbelastingen, betrekking hebbende op het perceel plaatselijk bekend als [A-weg 1] te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer (hierna: het perceel).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij afzonderlijke uitspraken, gedagtekend 9 augustus 2005, de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraken van 7 september 2007 heeft de rechtbank de daartegen door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard.

1.4. De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld bij brief van 17 oktober 2007, bij het Hof op dezelfde dag ingekomen en aangevuld bij brief van 14 november 2007.

1.5. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft hij daarbij tegen de voormelde uitspraken van de rechtbank incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij brief van 28 februari 2008 heeft de heffingsambtenaar het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7. Ter zitting is het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep in de zaken 07/00822 en 07/00823, betreffende de aanslagen voor de jaren 2001 en 2002, ingetrokken. Tevens is ter zitting het door belanghebbende ingestelde incidenteel hoger beroep ingetrokken.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.3 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

“2.1 Het perceel is plaatselijk bekend als [B1]. Het perceel maakte deel uit van een groter perceel dat in gebruik was van een landbouwbedrijf, waarbij diverse producten zijn geteeld, zoals bijvoorbeeld aardappelen, tarwe, suikerbieten en uien. Sinds 1989 vond de exploitatie van het perceel plaats door Landbouwbedrijf [A B.V.], waarvan eiser 100% aandeelhouder was. De eigendom van het perceel was in handen van eiser. In 1999 is eiser verhuisd. Daarbij is het landbouwbedrijf eveneens verhuisd.

2.2. Op of na 27 januari 2003 is de Gemeente begonnen met het bouwrijp maken van het perceel. Het perceel is in de loop van 2003 in verband met de overdracht aan de gemeente op 4 maart van dat jaar, bezocht door een taxateur die heeft geconstateerd dat het bouwgrond betrof.

2.3. Eiser was tot 4 maart 2003 eigenaar van het perceel. De gemeente Haarlemmermeer heeft de belendende percelen reeds medio jaren ’90 in eigendom verworven.”

2.2. Over deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

2.3. Tot de stukken behoort een verklaring van een directeur van [B BV] waarbij deze verklaart dat (onder meer) het perceel in de jaren 2001 en 2002 "bedrijfsmatig en landbouwkundig" werd geëxploiteerd.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of bij het opleggen van de aanslag onroerende-zaakbelastingen betreffende het jaar 2003, aanslagnummer 824919, ten onrechte geen rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet (tekst 2003, hierna: Gemw.), de zogenaamde cultuurgrondvrijstelling.

3.2. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend en komt tot de conclusie dat de rechtbank terecht de cultuurgrondvrijstelling van toepassing heeft geacht. De vastgestelde WOZ-waarde van het perceel is niet in geschil.

3.3. De heffingsambtenaar beantwoordt de vraag ontkennend en komt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven omdat belanghebbende niet heeft bewezen dat er sprake was van bedrijfsmatige exploitatie van het perceel op de peildatum.

3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is op grond van artikel 220c Gemw. de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 220 Gemw. bedoelde kalenderjaar valt (hierna: de WOZ-waarde). Bij de vaststelling van de WOZ-waarde van het perceel over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 is geen rekening gehouden met de cultuurgrondvrijstelling.

4.2. Artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemw. luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, (...).”

Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in de voor het jaar 2003 in de gemeente Haarlemmermeer geldende verordening op de heffing en invordering van de onroerende-zaakbelastingen.

4.3. Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat ten aanzien van het perceel is voldaan aan de vereisten voor toepassing van de cultuurgrondvrijstelling. Of aan die vereisten is voldaan dient te worden beoordeeld naar de toestand bij het begin van het kalenderjaar waarvoor een beroep op deze vrijstelling wordt gedaan, in dit geval dus naar de toestand op 1 januari 2003.

4.4. Voor de jaren 2001 en 2002 kan er gelet op de onderbouwde verklaringen van belanghebbende en na de intrekking van het voor die jaren ingestelde hoger beroep, van worden uitgegaan dat het perceel was aan te merken als bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw geëxploiteerde cultuurgrond. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of dit ook op 1 januari 2003 nog het geval was.

4.5. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat het perceel op 1 januari 2003 nog was aan te merken als bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw geëxploiteerde cultuurgrond. Van cultuurgrond is sprake indien de grond in hoofdzaak de functie heeft gewassen te voeden en te doen groeien (zie Hoge Raad 13 februari 2004, nr. 37 844, BNB 2004/158). Die voorheen bestaande functie van het perceel was op 1 januari 2003 nog ongewijzigd aanwezig. Het wijzigen van de functie van het perceel in bouwterrein heeft immers in feite pas na 1 januari 2003 plaatsgevonden. Wat betreft het bedrijfsmatig exploiteren van het perceel heeft belanghebbende aangevoerd en het Hof acht aannemelijk dat op 1 januari 1993 het perceel na de oogst in 1992 braak lag in afwachting van het nieuwe teeltseizoen, dat dit een bewuste keuze van hem was en dat de grond ook ingezaaid had kunnen zijn met wintergerst of wintertarwe. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat belanghebbende op 1 januari 2003 nog steeds beoogde het perceel bedrijfsmatig te exploiteren. De omstandigheid dat het perceel op die datum braak lag, doet daaraan op zichzelf niet af.

4.6. De heffingsambtenaar heeft zijn standpunt dat op 1 januari 2003 geen sprake meer was van bedrijfsmatige exploitatie van het perceel gebaseerd op de brief van de gemeente van 27 januari 2003, waarin werd aangekondigd dat op of na laatstgenoemde datum de gemeente zou beginnen met het bouwrijp maken van het perceel. De heffingsambtenaar is van mening dat de keuze van belanghebbende om het perceel braak te laten liggen samenhangt met de omstandigheid dat hij van het voornemen van de gemeente om het perceel bouwrijp te maken al voor 1 januari 2003 op de hoogte was. Hierdoor is volgens de heffingsambtenaar op 1 januari 2003 geen sprake meer van bedrijfsmatige exploitatie omdat er geen reële winstverwachting meer kon bestaan bij belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende al voor 1 januari 2003 op de hoogte was van de datum waarop de werkzaamheden zouden beginnen. Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat aan de voormelde brief daarom geen conclusies kunnen worden verbonden voor de toestand op 1 januari 2003.

4.7. Het komt het Hof niet aannemelijk voor dat de situatie met betrekking tot het perceel op 1 januari 2003 anders was dan op 1 januari 2001 of 1 januari 2002. Daardoor acht het Hof de cultuurgrondvrijstelling van toepassing en heeft de rechtbank een juiste beslissing genomen.

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten en schadevergoeding

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 punt voor het indienen van het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322 x 1 (wegingsfactor) = € 644.

Belanghebbende heeft voorts verzocht hem met toepassing van artikel 8:73 van de Awb een schadevergoeding toe te kennen in verband met de kosten die hij heeft moeten maken in de bezwaar- en (hoger) beroepsfase. Het Hof wijst dit verzoek af, aangezien zodanige kosten – andere dan de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten – niet zijn gesteld of gebleken.

6. Beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en

- bepaalt dat van de heffingsambtenaar ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 428.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, O.B. Onnes en W.M.G. Visser, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland, als griffier. De beslissing is op 13 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.