Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ5798

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
24-08-2009
Zaaknummer
200.037.720
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestaan van twee machtigingen uithuisplaatsing die tegelijk gelding hebben, is niet in strijd met de wet, art 1:261 lid 1 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/31 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.037.720

(zaaknummer rechtbank 269669 / JE RK 09-1526)

beschikking van de familiekamer van 11 augustus 2009

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Diemen,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de stichting".

Als overige belanghebbenden is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen "de moeder".

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 2 juli 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juli 2009, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de hierna te noemen [kind 2] niet uit huis wordt geplaatst en de uitvoerbaarheid van die beschikking op te schorten voor de tijd van minimaal zes maanden.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 juli 2009, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De stichting verzoekt het hof het door de vader ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3 Op 20 juli 2009 is ingekomen ter griffie van het hof een brief van mr. Van 't Westende Meeder van diezelfde datum en op 23 juli 2009 is ingekomen een brief van mr. Van 't Westende Meeder van diezelfde datum met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 28 juli 2009 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen bijgestaan door mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder, advocaat te Amersfoort. Namens de stichting zijn [...], inhoudelijk manager, en [...], gezinsvoogd, verschenen. Voorts is de moeder verschenen. De Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht (verder te noemen "de raad") is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

2.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.6 Desgevraagd heeft de stichting tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de onder 2.3 genoemde brieven van mr. V.C.Th. Van 't Westende Meeder met bijlagen, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die brieven en die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die brieven en die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder zijn geboren [kind 1] (verder te noemen "[kind 1]"), op [geboortedatum] 1996, en [kind 2] (verder te noemen "[kind 2]"), op [geboortedatum] 2001. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2].

3.2 Bij beschikking van 9 september 2005 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht, op verzoek van de raad, [kind 2] onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht voor de duur van één jaar, welke termijn nadien steeds is verlengd, laatstelijk bij beschikking van 2 juli 2009 met ingang van 11 september 2009 voor de duur van één jaar. Sinds april 2009 wordt de ondertoezichtstelling namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht uitgevoerd door de stichting.

3.3 Het Centrum Indicatiestelling Zorg heeft op 17 juni 2009 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 22 juni 2009, heeft de stichting verzocht een machtiging te verlenen zonder een daartoe strekkend besluit in de zin van artikel 6 van de WJZ om [kind 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, als het geïndiceerde zorg betreft te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit bedoeld in artikel 6 WJZ strekt tot uithuisplaatsing, de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een AWBZ-voorziening, als bedoeld in het indicatiebesluit van 17 juni 2009, verleend met ingang van 2 juli 2009 voor de duur van één jaar, te weten tot 2 juli 2010.

3.6 Bij beschikking gedateerd 20 juli 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht op verzoek van de stichting machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor crisisopvang met ingang van 20 juli 2009 voor de periode van vier weken, te weten tot 17 augustus 2009, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing voor het overige aangehouden. Het verhoor van de ouders vindt op 30 juli 2009 plaats.

3.7 [kind 2] is op 20 juli 2009 geplaatst in een crisisplek op een geheime locatie. Alvorens [kind 2] uit huis werd geplaatst, bezocht hij gedurende vijf dagen per week van 8.30 uur tot 19.00 uur de orthopedagogische dagbehandeling Onder één Dak van de Amerpoort en gedurende vier dagen in de week de buitenschoolse opvang van Kwadrant Arkemeijde. [kind 1] staat eveneens onder toezicht van de stichting. Zij is op basis van een door de kinderrechter in de rechtbank Utrecht verleende machtiging geplaatst in een woonlocatie van Stichting J.P. van den Bent te Haalderen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.2 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de vader en de moeder op dit moment niet in staat zijn [kind 2] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding is gewaarborgd, zodat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van zijn opvoeding en verzorging. In dit kader overweegt het hof het volgende.

4.3 Gebleken is dat [kind 2] een jongen is met een algehele ontwikkelingsachterstand. Op 2 april 2007 heeft dhr. Lievegoed, kinderpsychiater, vastgesteld dat het drukke en ongeconcentreerde gedrag dat [kind 2] laat zien voortkomt uit het feit dat hij aan ADHD lijdt. Teneinde het zorgelijke gedrag van [kind 2] af te remmen heeft dhr. Lievegoed hem medicatie in de vorm van Stratera voorgeschreven. Naast ADHD is op 2 april 2007 geconstateerd dat [kind 2] een aanzienlijke achterstand heeft in zijn expressieve taalvaardigheden. Hij heeft een grote behoefte om te communiceren, maar is nauwelijks in staat om woorden te formuleren en gebruikt gebaren om zijn wensen kenbaar te maken. Op 28 maart 2007 is diagnostisch onderzoek verricht naar [kind 2]. Uit dit onderzoek komt naar voren dat hij met een IQ van 54 functioneert op zeer moeilijk lerend niveau en dat hij bij een kalenderleeftijd van 5,7 jaar een ontwikkelingsleeftijd heeft van 3,9 jaar. Op motorisch gebied is gebleken dat zowel de fijne als de grove motoriek van [kind 2] achterblijft bij die van leeftijdgenoten. Nu de stichting ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat de onderzoeken twee jaar geldig zijn en deze termijn nog niet verstreken is, gaat het hof ervan uit dat de onderzoeken een reëel beeld geven van de wijze waarop [kind 2] zich ontwikkelt. Aan de stelling van de ouders dat [kind 2] zich inmiddels dermate positief heeft ontwikkeld dat de onderzoeken gedateerd zijn, gaat het hof dan ook voorbij.

4.4 Vast staat dat [kind 2] als gevolg van zijn beperkingen een rustige benadering en een specifieke individuele begeleiding nodig heeft. Van belang is dat hem veel structuur en duidelijkheid wordt geboden. Anders dan de ouders is het hof van oordeel dat gebleken is dat zij onvoldoende in staat zijn hem dit te bieden. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing was sprake van een zeer instabiele opvoedingssituatie. De ouders hadden relatieproblemen met een echtscheiding tot gevolg en waren beiden belast met een eigen problematiek. De moeder was in de periode van 2 maart 2004 tot 17 maart 2006 wegens psychische problemen opgenomen in het Sinai Centrum te Amersfoort en de vader kampte in die periode met ernstige gezondheidsproblemen. Uit een brief van de politie van 29 april 2009 blijkt het volgende. In de zomer van 2006, in 2007 en in 2008 is [kind 2] meerdere malen door de politie thuisgebracht, nadat hij alleen op straat was aangetroffen en niet in staat was om te vertellen waar hij vandaan kwam. Vervolgens is hij in oktober 2008 getuige geweest van een inval van de politie in de woning van de ouders, omdat in een woning die op naam van de moeder stond een hennepkwekerij was ontdekt. Naast het voorgaande acht het hof het zorgelijk dat uit de brief van de moeder van 8 juni 2009 blijkt dat de ouders het verantwoord vinden om de verstandelijk beperkte [kind 1] op [kind 2] te laten passen. Tevens is het hof van oordeel dat de thuissituatie onstabiel is gezien het feit dat de ouders, ondanks hun scheiding, tijdelijk weer samenwonen in verband met het feit dat de moeder woningzoekende is.

4.5 Teneinde de ouders te ondersteunen en te begeleiden bij de opvoeding van [kind 2] en de zorgelijke onstabiele situatie te doorbreken is het gezin intensieve ambulante hulpverlening geboden. Zo is in de periode van maart 2006 tot en met mei 2008 hulpverlening vanuit Arkemeijde ingezet, waarbij de Multi Problem Methodiek is gehanteerd. Dit betekent dat het gezin door een zogenaamde gezinsmedewerker op meerdere gebieden tegelijk is ondersteund. Daarnaast is geregeld dat [kind 2] gedurende vijf dagen per week van 8.30 uur tot 19.00 uur de orthopedagogische dagbehandeling Onder één Dak van de Amerpoort kon bezoeken en gedurende vier dagen in de week de buitenschoolse opvang van Kwadrant Arkemeijde. Deze vormen van intensieve hulpverlening hebben evenwel niet geleid tot een structurele verbetering in de opvoedingssituatie. Bij brief van 30 juni 2009 heeft Arkemeijde laten weten dat jarenlang met de ouders is gewerkt aan het bereiken van doelen, maar dat hiermee praktisch geen resultaat is behaald. Dit blijkt eveneens uit het eindverslag van 1 juni 2008 van Arkemeijde. Hierin staat dat [kind 2] onvoldoende structuur wordt geboden en dat de ouders adviezen van hulpverleners niet opvolgen. In de thuissituatie is geen sprake van regelmaat, de lijst met aanwijzingen voor de opvoeding van [kind 2] wordt niet gebruikt en het vertrouwen van de moeder in hulpverlening is broos te noemen. Tevens is in het verslag te lezen dat de ouders zich niet kunnen verenigen met het standpunt van de gezinsmedewerker dat [kind 2] vanwege zijn beperking niet zonder toezicht buiten kan spelen.

4.6 Nu uit het voorgaande volgt dat de [kind 2] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en deze bedreiging niet met de inzet van ambulante hulpverlening kan worden afgewend, is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de stichting verklaard dat [kind 2] naar alle waarschijnlijkheid medio september in de Lieflandschool, locatie Christophorus, geplaatst kan worden. In deze instelling, die gericht is op kinderen met spraak- en taalstoornissen, zal [kind 2] vervolgens ook naar school kunnen gaan.

4.7 De door de rechtbank verleende machtiging is nog niet ten uitvoer gelegd. Het hof begrijpt het verzoek van de vader om de werking van de bestreden beschikking te schorsen in die zin dat hij dit verzoekt voor het geval dat de beschikking alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. Nu het hof heden uitspraak doet in de hoofdzaak in hoger beroep heeft de vader evenwel geen belang meer bij toewijzing van dit verzoek. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen.

4.8 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de rechtbank na de bestreden beschikking bij beschikking, gedateerd op 20 juli 2009, een machtiging heeft afgegeven voor de uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor crisisopvang. Op basis van deze machtiging heeft de stichting [kind 2] op 20 juli 2009 uit huis geplaatst. Hetgeen de advocaat van de vader ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangevoerd lijkt met name te zijn gericht tegen de executie van die beschikking. Hoewel de beschikking van 20 juli 2009 thans niet voorligt, constateert het hof ambtshalve dat het afgeven van die beschikking ertoe heeft geleidt dat twee machtigingen ter zake de uithuisplaatsing van [kind 2] naast elkaar bestaan. Dit werpt de vraag op of sprake is van een situatie die in strijd is met de wet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 februari 2004 beantwoordt het hof deze vraag evenwel ontkennend. In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in beginsel niet valt in te zien waarom hetgeen aanstonds kan worden bepaald bij één (ruime) machtiging niet bij twee elkaar aanvullende opeenvolgende machtigingen zou kunnen worden bepaald. Dat de machtigingen elkaar in het onderhavige geval aanvullen begrijpt het hof uit de volgende feiten. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat enkele dagen na het afgeven van de bestreden beschikking aan de stichting kenbaar is gemaakt dat voor [kind 2] geen plek beschikbaar is bij Christophorus in verband met het feit dat een aldaar geplaatst kind langer op een plek elders dient te wachten. Gelet op de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [kind 2] heeft de stichting daarop besloten de rechtbank te verzoeken een machtiging voor een crisisplaatsing te verlenen. Hieruit volgt dat de op 20 juli 2009 gedateerde beschikking enkel is afgegeven ter overbrugging van de periode waarin wordt gewacht op een plek voor [kind 2] bij Christophorus. Zoals hiervoor onder 4.6 is overwogen zal deze periode waarschijnlijk medio september 2009 aflopen. Gelet hierop is de tweede machtiging kennelijk ter aanvulling van de eerste verleend, zodat geen sprake is van een situatie die in strijd is met de wet.

4.9 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 2 juli 2009;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.W.P. van Gelder, C.G. ter Veer en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. A. Mul als griffier, en is op 11 augustus 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.