Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ5708

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
24-08-2009
Zaaknummer
200.034.845
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2009:BI4723
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het indicatie besluit behoeft ingevolge art 6 Wet op de Jeugdzorg (WJZ) de verklaring van de gedragswetenschapper niet te worden geïncorporeerd. Bij een verzoek tot verlenging van de duur van de machtiging gesloten plaatsing voor de periode dat het indicatiebesluit nog geldig is ex art 29h lid 3 tweede volzin WJZ geen nieuwe verklaring van de gedragsdeskundige nodig. Art 6 lid 1 en art 29h lid 3 WJZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.034.845 en 200.035.729

(zaaknummer rechtbank 265643/JE RK 09-846)

beschikking van de familiekamer van 11 augustus 2009

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. Z.M. Alaca,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de stichting".

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen "de raad".

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 28 april 2009 en 20 mei 2009, beide uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 juni 2009, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. De moeder verzoekt het hof die beschikkingen te vernietigen en, naar het hof begrijpt, -voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 juli 2009, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

2.3 Op 9 juli 2009 is ingekomen ter griffie van het hof een brief van de stichting van dezelfde datum met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 21 juli 2009 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Z.M. Alaca, advocaat te Venlo. Namens de stichting en de raad is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen. Verder is [het kind] gehoord, vergezeld door [...] en [...], beiden werkzaam bij De Sprint.

3. De vaststaande feiten

3.1 Op [geboortedatum] 1992 is [het kind] als kind van de moeder en [de vader] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind].

3.2 Bij beschikking van 4 mei 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht, op verzoek van de raad, [het kind] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar, welke termijn nadien is verlengd, laatstelijk bij beschikking van 20 mei 2009 tot 4 mei 2010.

3.3 Bij beschikking van 4 mei 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [het kind] in een Justitiële Jeugd Inrichting, normaal beveiligd, als bedoeld in het indicatiebesluit van 27 april 2007, met ingang van 4 mei 2007 tot 1 september 2007.

3.4 Bij beschikking van 3 juli 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [het kind] in een behandelgroep als bedoeld in het indicatiebesluit van 14 februari 2008, met ingang van 3 juli 2008 voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 mei 2009. Bij beschikking van 23 december 2008 heeft het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep van de beschikking van 3 juli 2008.

3.5 De stichting heeft op 26 november 2008 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).

3.6 Op 26 november 2008 heeft de stichting verzocht een machtiging te verlenen om [het kind] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven. Bij beschikking van 26 november 2008 heeft de kinderrechter van de rechtbank Utrecht een voorlopige machtiging verleend om [het kind] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven.

3.7 Bij beschikking van 5 december 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht de machtiging [het kind] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in het indicatiebesluit van 26 november 2008 verlengd, met ingang van 24 december 2008 tot 4 mei 2009.

3.8 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 3 april 2009, heeft de stichting verzocht op grond van artikel 1:256 lid 2 BW de ondertoezichtstelling van [het kind] te verlengen vanaf 4 mei 2009 voor de duur van een jaar en, ter effectuering van het indicatiebesluit, op grond van artikel 29b WJZ een machtiging te verlenen voor plaatsing van [het kind] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.9 Bij beschikking van 28 april 2009 heeft voornoemde kinderrechter de machtiging [het kind] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in het indicatiebesluit verlengd, met ingang van 4 mei 2009 voor de duur van drie weken, te weten tot 25 mei 2009 en beslist dat het meer of anders verzochte aangehouden.

3.10 Bij beschikking van 20 mei 2009 heeft voornoemde kinderrechter de machtiging [het kind] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in het indicatiebesluit verlengd, met ingang van 25 mei 2009 voor de duur van de termijn van het indicatiebesluit, te weten tot 26 november 2009, en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.11 [het kind] is op 13 oktober 2008 geplaatst in De Sprint (voorheen de Glenn Mills School) te Wezep.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De moeder heeft geen belang meer bij een beslissing op het verzoek in hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de beschikking van 28 april 2009, omdat de duur van die machtiging op 25 mei 2009 is verlopen. Daarom zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek in hoger beroep voor zover het de beschikking van 28 april 2009 betreft.

4.2 Ingevolge artikel 29h lid 3 WJZ bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel 29d lid 1 WJZ, kan de kinderrechter de duur verlengen met inachtneming van de eerste volzin.

4.3 Met grief 1 betoogt de moeder, zo begrijpt het hof, dat het indicatiebesluit van 26 november 2008 niet voldoet aan de in het eerste lid van artikel 6 WJZ gestelde eisen, in die zin dat in het indicatiebesluit niet is opgenomen dat zich een geval voortdoet van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de WJZ.

4.4 Artikel 6, eerste lid, WJZ luidt voor zover van belang:.

“1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in ieder geval:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;”.

4.5 In het indicatiebesluit is onder meer opgenomen dat er, toen [het kind] nog bij zijn moeder woonde, zorgen waren vanuit verschillende instanties en dat [het kind] zich niet meer hield aan gemaakte afspraken met de gezinsvoogd, dat hij in kort tijdsbestek meerdere keren werd opgepakt door de politie en dat de moeder niet in staat was regie over [het kind] te houden, zodat uithuisplaatsing in een orthopedagogische setting noodzakelijk was. Naar het oordeel van het hof voldoet het indicatiebesluit met deze motivering aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, WJZ genoemde vereisten. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat een verklaring van de gedragsdeskundige niet in het indicatiebesluit behoeft te zijn geïncorporeerd, zodat grief 1 reeds hierom faalt. Dit geldt nog afgezien van het feit dat de bezwaartermijn van het indicatiebesluit is verstreken, zonder dat de moeder hiertegen tijdig bezwaar heeft ingediend.

4.6 De grieven 2 en 3 richten zich tegen de beslissing van de kinderrechter dat geen verklaring van de gedragsdeskundige nodig is als zich een situatie als bedoeld in artikel 29h, derde lid, WJZ voordoet. De moeder stelt dat in eerste aanleg zowel de moeder als stichting hebben aangegeven dat een recente instemmingsverklaring van een gedragsdeskundige nodig is, omdat dit blijkt uit artikel 29b, vierde en vijfde lid, WJZ en uit artikel 29h WJZ niet volgt dat dit niet noodzakelijk zou zijn bij verlenging.

4.7 Het hof stelt voorop dat uit het systeem van de WJZ voortvloeit dat voor het verlenen van een machtiging voor gesloten jeugdzorg vereist is dat:

- de stichting een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, WJZ (hof: een indicatiebesluit) heeft genomen; - de stichting heeft verklaard dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken;

- een gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, met de verklaring instemt.

4.8 Het hof constateert op grond van de stukken, met name op grond van de beschikking van de kinderrechter van 5 december 2008, dat aan bovengenoemde vereisten is voldaan. Artikel 29h, derde lid, WJZ bepaalt dat de duur van de machtiging door de kinderrechter kan worden verlengd voor zover de termijn van het indicatiebesluit daarmee niet wordt overschreden. Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat, zolang de termijn waarop de jeugdige op grond van het indicatiebesluit aanspraak heeft op verblijf niet is verstreken, een nieuwe verklaring van de stichting en daarmee ook een nadere instemmingverklaring van de gedragswetenschapper niet noodzakelijk zijn, zodat de grieven 2 en 3 van de moeder falen.

4.9 Nu alle grieven falen dient het hof de beschikking van 20 mei 2009, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep, voor zover dit betrekking heeft op de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 28 april 2009;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 20 mei 2009;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door P.L.R. Wefers Bettink, B.M. Mens en C.G. ter Veer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2009.