Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ5570

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200.030.090/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie; niet-wijzigingsbeding; ingrijpende wijziging van omstandigheden is aan de man toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 18 augustus 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.030.090/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. G.L.D. Thomas te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.J.G. Tijhuis te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 6 april 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 januari 2009 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 399596 / FA RK 08-4231, welke beschikking is hersteld bij beschikking van 29 april 2009.

1.3. De zaak is op 25 juni 2009 ter terechtzitting behandeld, waarbij het de advocaat van de vrouw is toegestaan haar standpunt mondeling toe te lichten aan de hand van het op 5 juni 2009, dus te laat, ingediende verweerschrift.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 11 juni 1999 gehuwd. Tijdens hun huwelijk is […] (hierna: [de minderjarige]) geboren op 30 augustus 2000. Op 8 mei 2003 is het huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap. Op 18 juni 2003 hebben partijen een notariële akte betreffende de ontbinding van hun geregistreerd partnerschap opgemaakt. De akte is op 20 juni 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].

2.2. Partijen zijn bij voornoemde akte overeengekomen dat de man met ingang van 1 juli 2003 aan de vrouw een uitkering in haar levensonderhoud zal voldoen van € 150,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. Partijen hebben ten aanzien van deze uitkering een beding van niet-wijziging als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 Burgerlijk Wetboek in de akte opgenomen.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1974. Hij is op 10 augustus 2007 in gemeenschap van goederen gehuwd met [...]. Zijn echtgenote heeft uit een eerdere relatie drie minderjarige kinderen die bij haar en de man wonen. Zij is werkloos.

Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

De man is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2006 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is bij vonnis van voornoemde rechtbank van 7 november 2006 opgeheven bij gebrek aan baten.

Hij is met ingang van 11 augustus 2008 werkzaam via uitzendbureau […]. Blijkens salarisspecificaties van september, oktober en november 2008 bedroeg zijn salaris gemiddeld € 1045,- netto per vier weken. Tot 1 september 2009 is hij werkzaam op basis van een 0-urencontract.

Aan huur betaalt hij € 395,- per maand.

Hij betaalt € 94,- per maand aan premie voor een zorgverzekering.

Hij heeft hoge schulden, in verband waarmee loonbeslag is gelegd.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1976. Zij vormt met [de minderjarige] en een dochter uit een nieuwe relatie een eenoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst. Haar salaris bedraagt € 1.100,- netto per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van de man om, met wijziging van de door partijen op 18 juni 2003 gesloten overeenkomst, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 10 augustus 2007, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil te stellen.

3.2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij geen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, althans een lager bedrag, behoeft te betalen en dat hij met ingang van de datum van de beschikking in hoger beroep heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van - naar het hof begrijpt - het geding in hoger beroep.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het hof dient te beoordelen of in het onderhavige geval sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het door partijen overeengekomen beding van niet-wijziging mag worden gehouden.

Als onbetwist staat vast dat de schulden die de man bij het aangaan van de overeenkomst had, sindsdien zijn verveelvoudigd. De omstandigheden van de man zijn daarmee ingrijpend gewijzigd. Anders dan de man betoogt, is

het hof evenwel van oordeel dat deze wijziging niet kan leiden tot de conclusie dat de man op grond daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer aan het beding van niet-wijziging is gebonden.

4.2. Uit de stukken is gebleken dat de man op 8 juli 2005 is toegelaten tot de regeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), maar dat de regeling vervolgens is beëindigd zonder dat deze tot het beoogde resultaat heeft geleid. In het door de vrouw overgelegde failllissementsverslag tevens eindverslag van 2 oktober 2006 (productie 2 bij verweerschrift in eerste aanleg) is door de curator het volgende vermeld: “[de man] heeft gedurende de schuldsaneringsperiode nooit geld overgemaakt naar de boedelrekening. (…) [de man] had in die periode de boedelbijdrage opzij moeten leggen, maar liet dit na. Volgens [de man] was hij op dat moment de weg behoorlijk kwijt en is hij het geld, dat hij opzij had moeten leggen, toen blijven uitgeven. De bewindvoerder heeft daarom besloten om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te verzoeken. De rechtbank sprak daarop op 3 mei 2006 het faillissement van [de man] uit.”

Gebleken is voorts dat de man op 10 augustus 2007 in gemeenschap van goederen is gehuwd. Vast staat dat zijn huidige echtgenote ten tijde van het huwelijk aanzienlijke schulden had en ook thans nog heeft.

4.3 De man heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen die rechtvaardigen dat hij van de mogelijkheid die de schuldsaneringsregeling hem bood, geen gebruik heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is voorts dat hij genoodzaakt was in gemeenschap van goederen te huwen en aldus aansprakelijkheid te aanvaarden voor de schulden van zijn echtgenote. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de toename van zijn schuldenlast, en daarmee de ingrijpende wijziging van omstandigheden, aan de man is toe te rekenen en voor zijn rekening behoort te blijven, hetgeen - anders dan hij meent - aan een beroep zijnerzijds op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW in de weg staat. Het had op de weg van de man gelegen concreet en gedetailleerd aan te geven in hoeverre zijn toegenomen schuldenlast niet als gevolg van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling en van zijn aansprakelijkheid voor de schulden van zijn echtgenote is ontstaan. De man heeft dat evenwel nagelaten. Zijn stelling dat de ingrijpende wijziging van omstandigheden is veroorzaakt door het feit dat hij in een situatie is beland dat hij zijn persoonlijk faillissement heeft moeten aanvragen en niet door het feit dat het traject van de schuldsanering niet naar wens is verlopen (beroepschrift onder 12), volstaat niet.

4.4 Het voorgaande leidt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking en afwijzing van het door de man in hoger beroep verzochte. Evenals de rechtbank ziet het hof in de aard van het geschil voldoende aanleiding de proceskosten ook in hoger beroep te compenseren.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep verzochte af;

bepaalt dat ieder der partijen de kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, H.L.L. Neervoort-Briët en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. I. Damaska als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2009.