Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ5563

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200.032.083-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitbreiding omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 18 augustus 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.032.083/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GE?NTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.R. Starink te Beverwijk.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vader en de moeder genoemd.

1.2. De vader is op 4 mei 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 februari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 150296/2008-3441.

1.3. De moeder heeft op 5 juni 2009 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.

1.4. De zaak is op 10 juni 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer W. Daalderop, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

2. De feiten

2.1. Partijen hebben van 17 mei 2007 tot 5 juli 2008 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren […] (hierna: [kind]) [in] 2008. De vader heeft [kind] erkend. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [kind].

2.2. De moeder heeft twee minderjarige kinderen uit een vorige relatie, [a] en [b]. Zij hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder en een omgangsregeling met hun vader van één weekend in de veertien dagen.

2.3. Op 13 oktober 2008 zijn partijen ten overstaan van de voorzieningenrechter overeengekomen dat de vader, in afwachting van een eventuele andere regeling door de bodemrechter te treffen, [kind] iedere zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur bij zich mag hebben. De vader zal in dat verband [kind] ’s morgens tegen 11.00 uur bij de moeder ophalen en de moeder zal [kind] tegen 18.00 uur bij de vader ophalen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is vastgesteld dat [kind] en de vader gerechtigd zijn op de navolgende wijze omgang met elkaar te hebben:

gedurende de eerste drie maanden:

- wekelijks op zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur, alsmede

- eenmaal per veertien dagen op vrijdag in de ochtend tot 18.00 uur;

gedurende de daaropvolgende drie maanden:

- wekelijks van vrijdagochtend tot zaterdagavond 18.00 uur;

gedurende de daaropvolgende maanden:

- wekelijks van vrijdagochtend tot vrijdagavond 19.00 uur;

- eenmaal per veertien dagen van vrijdagochtend tot zondag 18.00 uur.

De vader haalt [kind] op bij de moeder en na afloop van de omgang haalt de moeder [kind] op bij de vader.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vader:

- primair, een omgangsregeling vast te stellen waarbij hij en de moeder de zorg en opvoeding van [kind] precies voor een gelijk deel voor hun rekening nemen (co-ouderschap), met daarbij een opbouwschema dat naar co-ouderschap toewerkt;

- subsidiair, indien de rechtbank meent dat een gelijke verdeling niet in het belang van [kind] zou zijn, een omgangsregeling vast te stellen die de rechtbank juist zal achten.

In principaal hoger beroep:

3.2. De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen;

- subsidiair, indien het hof meent dat een gelijke verdeling niet in het belang van [kind] zou zijn, een ruimere omgangsregeling vast te stellen dan die welke de rechtbank heeft vastgesteld, te weten van drie dagen per week, althans een zodanige regeling als het hof juist zal achten.

3.3. De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep:

3.4. De moeder verzoekt – naar het hof begrijpt: in incidenteel hoger beroep – de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te beperken tot een standaardomgangsregeling van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond

17.00 uur, althans een zodanige regeling als het hof juist zal achten.

3.5. De vader verzoekt – naar het hof begrijpt – het verzoek van de moeder af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep:

4.1. Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. Deze wet heeft directe werking. In deze wet is, in geschillen waarbij de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, de terminologie gewijzigd, in die zin dat de rechter in plaats van een regeling inzake de omgang een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan vaststellen, welke regeling onder andere een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan omvatten. Hoewel het hof in de hierna volgende overwegingen de term ‘omgangsregeling’ zal hanteren, wijst het hof partijen erop dat in plaats daarvan dient te worden gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

4.2. De grieven van de vader en de moeder lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Ter discussie staat de omvang van de omgangsregeling tussen [kind] en de vader. De vader stelt dat zowel de communicatie tussen de ouders als de omgang met [kind] goed verloopt. Hij ziet niet in waarom er niet toegewerkt zou kunnen worden naar een co-ouderschapsregeling. Gelet op de nieuwe Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding dient een gelijke verdeling van de zorg uitgangspunt te zijn, aldus de vader. De moeder heeft aangevoerd dat een co-ouderschapsregeling betekent dat [kind] zijn halfbroer [a] en halfzus [b] in het weekend niet meer zal zien, hetgeen niet in het belang van de kinderen kan worden geacht. Gezien zijn leeftijd dient [kind] bovendien niet te vaak te wisselen van verblijfplaats. Voorts heeft de moeder er bezwaar tegen dat de vader [kind] op de dagen dat hij moet werken regelmatig naar zijn moeder (grootmoeder van [kind]) brengt. De communicatie tussen de ouders en de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling verlopen verre van vlekkeloos, zo stelt de moeder.

4.3. Ter zitting in hoger beroep heeft de Raad uitbreiding van de huidige omgangsregeling met een opbouw naar co-ouderschap geadviseerd.

4.4. Het hof stelt voorop dat uit de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding niet volgt dat de vader zonder meer aanspraak kan maken op een co-ouderschapsregeling, althans een 50-50% verdeling. Bij de vaststelling van de omvang van de omgangsregeling is het belang van het kind doorslaggevend. De norm gelijkwaardig ouderschap beoogt, kort gezegd, dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, zijn recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders behoudt na ontbinding of beëindiging van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de samenleving. Er is niet beoogd de norm in conflictsituaties uit te leggen als een verplicht co-ouderschap, als een 50-50% verdeling, waarop alleen praktische belemmeringen een uitzondering kunnen vormen. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en het belang van het kind, zal de rechter genoodzaakt kunnen zijn op verzoek een zorgregeling vast te stellen, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.

Het hof overweegt, evenals de rechtbank, dat een intensieve co-ouderschapsregeling, zoals door de vader verzocht, een goede communicatie tussen de ouders vereist. Een dergelijke regeling heeft slechts kans van slagen indien beide ouders achter een gelijke zorgverdeling staan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat partijen niet in staat zijn om op juiste en doeltreffende wijze met elkaar te communiceren. Daarnaast is gebleken dat de moeder niet bereid is haar medewerking aan co-ouderschap te verlenen. Gelet hierop en op het feit dat de partijen reeds een aantal (langslepende) juridische procedures tegen elkaar hebben gevoerd, heeft het hof niet de indruk dat er op korte termijn verbetering in de verstandhouding tussen partijen zal optreden. Onder deze omstandigheden acht het hof het, in tegenstelling tot de Raad, niet in het belang van [kind] om de regeling vast te stellen zoals door de vader is verzocht. Daar komt bij dat een co-ouderschapsregeling in het onderhavige geval tot gevolg zou hebben dat [kind] nooit meer een heel weekend met zijn halfbroer en halfzus samen zou zijn, hetgeen door het hof niet wenselijk wordt geacht.

Het hof ziet echter wel aanleiding de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling uit te breiden, in die zin dat [kind] en de vader gerechtigd zijn om wekelijks op donderdag en vrijdag omgang hebben, alsmede één weekend in de veertien dagen. Op deze manier kan [kind] zijn vader op regelmatige wijze leren kennen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vader daadwerkelijk een dag per week minder is gaan werken. Het hof wenst te benadrukken dat partijen elkaar, in het belang van [kind], dienen vrij te laten in de wijze waarop zij invulling geven aan de verzorging, de opvoeding en de opvang van [kind], wanneer hij bij de andere ouder verblijft.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken aldus dat de vader en [kind] gerechtigd zijn om vanaf 1 september 2009 wekelijks van donderdagochtend 10.00 uur tot vrijdagavond 18.00 uur omgang te hebben, alsmede één weekend in de veertien dagen van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, A. van Haeringen en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van

mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2009.