Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ5363

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
200.012.842/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 21 april 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer […] van:

[…],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Naarden,

t e g e n

[…],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 2 september 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 juni 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk […] en heeft daarbij zijn inleidend verzoek vermeerderd.

1.3. De vrouw heeft op 16 oktober 2008 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld, alsmede haar inleidend verzoek vermeerderd.

1.4. De man heeft op 27 november 2008 een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend, producties in het geding gebracht en wederom zijn inleidend verzoek gewijzigd c.q. vermeerderd.

1.5. De zaak is op 8 december 2008 ter terechtzitting behandeld, alwaar de man opnieuw zijn petitum heeft gewijzigd.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door mr. F.M.J.A. Lohuis te Rotterdam.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 7 september 1979 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Hun huwelijk is op 24 mei 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 januari 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Bij beschikking van 12 maart 2008 van de rechtbank te Amsterdam is

-voor zover thans van belang- [deskundige] benoemd tot deskundige en is hem verzocht de onderhandse verkoopwaarde van de sloep en de caravan te bepalen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is -voor zover thans van belang- bepaald dat:

-in het kader van de verdeling aan de vrouw wordt toegescheiden de inboedel van de voormalige echtelijke woning en aan de man de inboedel van de caravan, een en ander zonder nadere waarde verrekening over en weer;

-in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning aan de [adres], de eigendom wordt toegescheiden aan de vrouw onder gelijktijdig ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypotheeknemer en onder gelijktijdige betaling door de vrouw aan de man van de helft van de overwaarde van die woning, uitgaande van de door de deskundige voor partijen bindend vast te stellen waarde;

-voorts is het verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding ten laste van de vrouw afgewezen.

3.2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor

zover daarbij zijn verzoek om een gebruiksvergoeding is afgewezen en voor zover daarbij in de overwegingen beslist is ten aanzien van de hypotheekverplichtingen van de vrouw, het bij de verrekening te hanteren begrip inkomen en de waarde van de te verrekenen sloep en de caravan, en, opnieuw rechtdoende, te beslissen in dier voege dat:

I. ten aanzien van het gebruik door de vrouw van de voormalige echtelijke woning, te bepalen dat de man recht heeft op een gebruiksvergoeding:

a. primair dat de hoogte daarvan vastgesteld wordt op € 1.083,- per maand en dat de vrouw gehouden is deze vergoeding aan de man te voldoen over de periode van 1 juli 2007 tot de datum waarop de woning verkocht en geleverd is;

b. subsidiair: dat de hoogte daarvan en de periode gedurende welke de vrouw deze aan de man verschuldigd is, door het hof in goede justitie bepaald worden, alsmede;

c. ten aanzien van het moment en/of de wijze waarop betaling van het onder a en b verzochte door de vrouw aan de man dient te geschieden, te bepalen dat de man het recht heeft om het totaalbedrag van de vergoeding, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de vrouw gehouden is deze aan de man te voldoen, te verrekenen met het bedrag dat de vrouw toekomt uit hoofde van verrekening conform de huwelijksvoorwaarden en dat hij de gebruikersvergoeding ook mag verrekenen met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning in het geval dat de woning aan derden verkocht zal worden.

II. ten aanzien van de op de voormalige echtelijke woning toeziende hypotheekschuld te bepalen:

a. dat de vrouw gehouden is om binnen twee weken na datum van de in deze te wijzen beschikking aan de hypotheeknemer uit haar privé vermogen te voldoen de totale achterstand in de aflossingen van de hypotheekschuld, alsmede;

b. dat de man -indien de vrouw zulks nalaat- gerechtigd is het daarop ziende bedrag te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de vrouw gestopt is met het voldoen van de aflossingen, te verrekenen met het bedrag waarop de vrouw recht heeft uit hoofde van het tussen partijen vigerende verrekenbeding.

III. ten aanzien van het begrip inkomen uit het tussen partijen vigerende verrekenbeding te bepalen dat:

a. primair het begrip inkomen gedefinieerd dient te worden conform de door de man uiteengezette partijbedoeling, te weten: het door de man genoten salaris, aangevuld met de daadwerkelijk uitgekeerde winsten (dividend);

b. subsidiair indien het hof de niet-uitgekeerde winsten eveneens onder het begrip inkomen wil scharen dat van verrekening van de niet-uitgekeerde winsten per peildatum alleen sprake kan zijn voorzover:

- de niet-uitgekeerde winsten door de door de rechtbank benoemde deskundige als vrij uitkeerbaar gekwalificeerd worden, waarbij bij de bepaling van de hoogte van wat als vrij uitkeerbare winst geldt mede betrokken dient te worden de vraag welk deel van die winst in de onderneming aangehouden dient te worden voor het in stand houden van de in deze branche geldende kengetallen, voor het aanhouden van reserves voor toekomstige noodzakelijke investeringen, voor de (back service) verplichtingen ten aanzien van de pensioenvorming van de man en voor het aanhouden van reserves voor het opvangen van tegenvallers van meer algemene aard;

- de voor verrekening in aanmerking komende winst verminderd wordt met de daarover bij uitkering ervan te betalen dividend belasting.

IV. ten aanzien van de wijze waarop de sloep en de caravan in de verrekening betrokken moeten worden, te bepalen dat dit dient te geschieden tegen de waarde daarvan per peildatum, welke waarden gelijkgesteld dienen te worden aan de door de man in zijn reactie van 8 januari 2008 opgegeven waarden, dan wel aan de door een deskundige nog op te geven taxatiewaarden; alsmede -in het laatste geval- over te gaan tot het benoemen van deze deskundige en daarbij te bepalen dat de kosten voor het opstellen van het deskundigenrapport door beide partijen bij helfte gedragen dienen te worden.

3.3. De vrouw verzoekt in principaal appel de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover grief I van de vrouw daartegen is gericht en aan te vullen in zoverre het grief II betreft, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning aan [adres], de eigendom wordt toegescheiden aan de vrouw, onder gelijktijdig ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypotheeknemer, met dien verstande dat de helft van de overwaarde van die woning, uitgaande van de door deskundige voor partijen bindend vastgestelde waarde, wordt betaald middels verrekening/ compensatie met de vordering welke de vrouw op de man heeft in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling, althans de betaling op zodanige wijze vast te stellen als het hof in goede justitie meent te behoren.

3.4. De man verzoekt -na aanvulling van zijn verzoek in hoger beroep- de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot betaling van een voorschot op de verrekening, althans haar verzoek niet toe te wijzen.

I. Voorts verzoekt de man ten aanzien van het verzoek van de vrouw om de door haar aan de man te betalen helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning te mogen verrekenen/compenseren met haar vordering op de man uit hoofde van de vermogensrechtelijke afwikkeling:

-primair de vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek niet toe te wijzen; alsmede te bepalen dat met de overdracht van het aandeel van de man in de eigendom van de woning aan de vrouw, gewacht moet worden totdat uit hoofde van de deskundigenrapporten en de daarop gebaseerde beschikking van de rechtbank blijkt dat de vrouw op dat moment in staat is haar in punt 28 geïndiceerde verplichtingen te financieren; alsmede dat de vrouw tot het moment waarop zij het aandeel van de man overgenomen heeft jegens de man gehouden is tot betaling van de gehele hypotheekrente en de aflossing, inclusief de boeterente indien zij dat nalaat, alsmede tot betaling van de door het hof vast te stellen gebruiksvergoeding;

subsidiair -in het geval het hof het verzoek van de vrouw toewijst- dat dit geschiedt onder de door de rechtbank bepaalde en door de vrouw onderschreven verplichting van het gelijktijdige ontslag van de man uit diens hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypotheeknemer en te bepalen dat de vrouw gehouden is aan de man tevens te voldoen de wettelijke rente over het aan hem verschuldigde bedrag ad € 262.000,- te rekenen vanaf de datum van de levering van het aandeel van de man in de eigendom van de woning aan de vrouw tot aan de dag waarop de vrouw geheel aan haar verplichting jegens de man voldaan heeft;

II. Ten aanzien van het primair en subsidiair gestelde, te bepalen dat de door een deskundige vastgestelde waarde van de woning ad € 625.000,- alleen voor partijen bindend is in het geval dat de vrouw het aandeel in de eigendom van de woning van de man overneemt, maar dat in het geval de woning aan een derde verkocht wordt, uitgegaan moet worden van de dan werkelijk te realiseren verkoopprijs;

III. Ten aanzien van de vermeerdering van verzoeken van de vrouw om de man te verplichten haar aandeel in de door de man in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken af te storten en de vrouw volledige inzage te verschaffen in deze opgebouwde aanspraken;

Primair de vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek niet toe te wijzen;

Subsidiair in het geval het hof het verzoek van de vrouw (deels) toewijst te bepalen, althans voor recht te verklaren:

-dat de man en de vrouw een gelijk recht op afstorting hebben en het gedeelte van de pensioenaanspraken dat de onderneming kan afstorten zonder dat daarbij de continuïteit van de onderneming in het gedrang komt, bij helfte geschiedt op een door de man respectievelijk de vrouw daartoe aan te wijzen rekening; alsmede

-dat bij de bepaling van de hoogte van het af te storten bedrag dat nodig is ter financiering van de daarmee samenhangende uiteindelijke aanspraak, bepalend is de op de balans van de onderneming opgenomen reservering; alsmede

-dat de afstorting geheel meegenomen wordt bij de vaststelling van de hoogte van de vordering van de vrouw uit hoofde van het verrekenbeding uit de huwelijksvoorwaarden voorzover dat toeziet op de in de onderneming aanwezige en voor uitkering vatbare winst;

IV. Ten aanzien van het verzoek van de man in appel onder II. dat het hof overgaat tot het horen van de betreffende medewerkers van de Rabobank waaronder [...], indien het hof ten aanzien van de vraag over de (on)rechtmatigheid van het handelen van de vrouw met betrekking tot de aanpassing van de hypotheekcondities c.q. de rol van de man daarin, een nadere onderbouwing wenst.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel appel

4.1. In de eerste plaats richt het hoger beroep van de man zich tegen de overweging van de rechtbank dat er geen aanleiding is de vrouw te veroordelen tot betaling van een redelijke vergoeding aan de man voor het gebruik door haar van de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) zolang deze niet aan de vrouw is toebedeeld. Tevens is aan de orde de draagplicht van partijen ter zake de betaling van het aflossingsdeel van de hypothecaire geldlening.

4.2. Bij beschikking van dit hof van 17 november 2005 is de behoefte aan alimentatie van de vrouw vastgesteld op € 4.000,- bruto per maand. Bij de bepaling van die behoefte is blijkens deze beschikking rekening gehouden met het feit dat de vrouw de hypotheekrente van de woning betaalt alsmede de overige met betrekking tot de woning te betalen vaste lasten. Uit genoemde beschikking blijkt niet dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening is gehouden met betaling door de vrouw voor het gebruik van het aandeel van de man in de woning, noch dat bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening is gehouden met extra inkomsten op grond van een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding. In de gegeven omstandigheden beantwoordt het hof de vraag of in redelijkheid van de vrouw gevergd kan worden dat zij aan de man enige vergoeding voor het gebruik van zijn aandeel in de woning betaalt, negatief. De beschikking waarvan beroep zal op dit punt dan ook worden bekrachtigd. De verzoeken van de man in hoger beroep zullen met betrekking tot de gebruiksvergoeding worden afgewezen.

4.3. Het verzoek in hoger beroep van de man onder II betreft de betaling van de aflossing op de hypotheekschuld. De man stelt dat de vrouw de volledige achterstand in de aflossing van de hypotheekschuld van de woning voor haar rekening dient te nemen. Indien de vrouw dit nalaat verzoekt hij het hof het door de vrouw aldus verschuldigde bedrag te verhogen met de wettelijke rente en te bepalen dat aflossing en wettelijke rente bij de verrekening c.q. de verdeling kunnen worden verrekend. Voorts verzoekt hij het hof, indien het hof ten aanzien van de vraag naar (on)rechtmatig handelen van de vrouw met betrekking tot de aanpassing van de hypotheekcondities nadere onderbouwing wenst, medewerkers van de Rabobank, waaronder […] te horen.

Het hof zal deze verzoeken afwijzen. Partijen hebben de woning in gemeenschappelijk eigendom en zijn beiden tot het moment van de verdeling van deze eenvoudige gemeenschap aansprakelijk voor de aflossing van de op de woning rustende hypotheek. Anders dan de man stelt blijkt uit de beschikking van dit hof van 17 november 2005 niet dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw ermee rekening is gehouden dat de vrouw ook het aflossingsdeel van de man betaalt. De beschikking van de rechtbank zal ook op dit punt worden bekrachtigd. Voor het horen van getuigen met betrekking tot (on)rechtmatig handelen van de vrouw ten tijde van het wijzigen van de hypotheekcondities in 2004, ziet het hof geen aanleiding.

4.4. Vervolgens dient het hof te beoordelen of de in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenplicht is beperkt tot het door de man genoten salaris en de aan hem uitgekeerde dividenden, of zich ook uitstrekt over de niet uitgekeerde winsten die zich in de onderneming van de man bevinden. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 12 maart 2008 de partijbedoeling bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld. Het hof verenigt zich daarmee. Op grond daarvan heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat onder het begrip ‘inkomen’ moet worden begrepen het salaris van de man, de uitgekeerde dividenden alsmede de niet uitgekeerde winsten die zich in de onderneming bevinden en dat de waarde daarvan tot het te verrekenen vermogen behoort. Vervolgens heeft de rechtbank als deskundige […] benoemd. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank -na inspraak van partijen- de door deze deskundige te beantwoorden vragen opgenomen.

In casu is sprake van een periodiek verrekenbeding. Op grond van het bepaalde in artikel 141 lid 4 geldt dat indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen en een verrekenbeding is overeenkomen dat ook ondernemingswinsten omvat, de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot. Aanvankelijk exploiteerde de man een eenmanszaak die later is omgezet in een besloten vennootschap. De man stelt dat deze omzetting heeft plaatsgevonden teneinde te voorkomen dat niet uitgekeerde winsten in de onderneming met de vrouw verrekend dienden te worden. Ook in hoger beroep heeft de man echter geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de vrouw na de omzetting van de eenmanszaak in een besloten vennootschap een andere betekenis aan de verrekenbepaling in de huwelijkse voorwaarden had moeten toekennen. De benoemde deskundige zal dan ook bij de beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen antwoord dienen te geven op de vraag of er zich in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwde niet-uitgekeerde winsten in de onderneming bevinden die voor verrekening in aanmerking komen. In zoverre slaagt de grief van de man op dit punt. Het hof gaat ervan uit dat de deskundige tevens antwoord zal geven op de vraag of bij een eventuele verrekenplicht met fiscale verplichtingen rekening dient te worden gehouden.

4.5. Ten aanzien van de caravan en de sloep voert de vrouw aan dat taxatie achterwege kan blijven omdat de waarde van deze zaken geen rol speelt omdat de lening voor de aankoop is aangegaan bij het bedrijf van de man, die lening derhalve is te beschouwen als uitgekeerde winst en dient te worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van het te verrekenen inkomen. Het hof deelt dit standpunt niet. De lening staat als vordering op de man op de balans van de onderneming en kan niet gelijk gesteld worden met uitgekeerde winst. De caravan en de sloep zijn destijds in privé aangekocht tijdens de verrekenperiode. Dat deze zaken zijn gefinancierd door middel van een lening via de onderneming van de man doet niet ter zake. Op grond van het bepaalde in artikel 141 lid 3 BW worden deze zaken vermoed te zijn betaald uit hetgeen verrekend had moeten worden. Om die reden dienen de caravan en de sloep per de peildatum getaxeerd te worden zoals door de man in hoger beroep verzocht. De beschikking waarvan beroep zal op dit punt worden vernietigd. De waarde zal door de door de rechtbank benoemde deskundige bepaald moeten worden. Er kan, gelet op het standpunt van de vrouw, niet worden uitgegaan van de door de man genoemde waardes.

De vrouw heeft bij pleidooi verzocht te bepalen dat indien en voor zover toch taxatiekosten dienen te worden gemaakt, deze volledig voor rekening van de man komen omdat zij niet over middelen beschikt om de taxatiekosten te betalen. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 12 maart 2008 bepaald dat de voorschotten van de deskundigen door partijen ieder bij helfte ter griffie van de rechtbank zullen worden gedeponeerd. De vrouw is daaraan gehouden. Het door haar voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger gedane verzoek is tardief en in strijd met de goede procesorde en wordt dan ook afgewezen.

4.6. In incidenteel appel stelt de vrouw dat zij uitsluitend in staat is om de woning over te nemen in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling wanneer de meerwaarde van de woning verrekend wordt met de vordering van de vrouw op de man. Zij verzoekt dan ook de beschikking waarvan beroep op het punt van de toedeling en het ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheek te bekrachtigen, doch te bepalen dat de helft van de overwaarde zal worden betaald middels verrekening c.q. compensatie met de vordering die de vrouw op de man zal hebben in het kader van de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden. De man verzoekt, indien het hof dit verzoek van de vrouw toewijst, te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van de levering van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw, de wettelijke rente verschuldigd zal zijn over het aan de man verschuldigde.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep met betrekking tot de toedeling van de woning aan de vrouw naar de door de deskundige bindend vastgestelde waarde per peildatum bekrachtigen, gelet op het belang van de vrouw bij toedeling. Het verzoek van de man uit te gaan van de werkelijke verkoopprijs bij verkoop aan een derde wijst het hof af. De waarde van de woning is bindend getaxeerd en daarvan dienen partijen uit te gaan. Het verzoek van de vrouw om het in dit kader aan de man verschuldigde te mogen verrekenen met hetgeen haar toekomt in het kader van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden, komt het hof alleszins redelijk voor. Anderzijds zal het hof ook de vordering van de man tot toewijzing van de wettelijke rente vanaf het moment van toedeling van de woning aan de vrouw tot de dag der algehele voldoening toewijzen, nu van de man in redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij zijn aandeel in de woning aan de vrouw overdraagt zonder daarvoor de vergoeding te ontvangen waarop hij recht heeft en zonder daarvoor op de wijze als verzocht gecompenseerd te worden.

4.7. Voorts verzoekt de vrouw in incidenteel appel te bepalen dat de man gehouden is tot afstorting van het aan de vrouw toekomende deel van de aanspraken ouderdoms- en nabestaandenpensioen, welke door de man in eigen beheer zijn opgebouwd. Zij vermeerdert haar verzoek in zoverre dat zij het hof verzoekt de man te veroordelen aan de vrouw volledig inzage te verschaffen in de door hem opgebouwde pensioenaanspraken en hem te veroordelen om het bedrag ter hoogte van de pensioenaanspraken van de vrouw in beheer binnen de onderneming te doen afstorten bij een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij.

Het hof zal de vrouw in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren, gelet op het feit dat de rechtbank in de beschikking waarvan beroep de deskundige […] heeft gevraagd of het op dit moment financieel en/of bedrijfseconomisch onverantwoord is om het aandeel van de vrouw van de in het bedrijf opgebouwde pensioenrechten ten behoeve van haar af te storten, rekening houdend met de overgelegde actuariële berekening door de pensioendeskundige. Bij deze stand van zaken zal eerst het antwoord van de deskundige op deze vraag dienen te worden afgewacht alvorens een afgewogen beslissing kan worden genomen.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

In principaal en incidenteel appel

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin is overwogen dat taxatie van de caravan en sloep door een deskundige achterwege kan blijven en bepaalt dat de door de rechtbank bij beschikking van 12 maart 2008 benoemde deskundige […] de door de rechtbank in genoemde beschikking gestelde vragen zal beantwoorden;

bepaalt met betrekking tot de toedeling van de eigendom van de woning aan de [adres] dat de vrouw de aan de man toekomende overwaarde van deze woning mag verrekenen met hetgeen de man haar op grond van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden zal blijken schuldig te zijn;

bepaalt dat de vrouw aan de man de wettelijke rente verschuldigd is over de hem toekomende overwaarde in de woning voornoemd vanaf de datum van toedeling aan de vrouw tot de datum waarop de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden zal hebben plaatsgevonden en dat, indien na de verrekening voornoemd, de vrouw alsnog een bedrag aan de man schuldig zal blijken te zijn, zij de wettelijke rente daarover verschuldigd is tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat met betrekking tot de bepaling van de hoogte van de te verrekenen overgespaarde inkomsten dat de deskundige […] tevens antwoord zal geven op de vraag of er zich in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwde niet-uitgekeerde ondernemingswinsten in de door de man uitgeoefende onderneming bevinden en zo ja tot welk bedrag en of bij de verrekening daarvan met fiscale verplichtingen rekening dient te worden gehouden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot afstorting van het haar toekomend en in eigen beheer opgebouwd pensioen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

verwijst de zaak naar de rechtbank te Amsterdam teneinde verder op de hoofdzaak te beslissen met inachtneming van het vervatte in deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, G.J. Driessen-Poortvliet, en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009.