Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4779

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
K06/1678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

12 Sv-beklag ter zake van belediging, huisvredebreuk en wederrechtelijke vrijheidsberoving door politieambtenaren afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Beschikking van op het beklag met het rekestnummer K06/1678 van

(naam klaagster),

wonende te (plaatsnaam),

klaagster.

Gemachtigde: mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam.

1. Het beklag

Het klaagschrift is op 15 november 2006 door het hof ontvangen. Voorts is een aanvulling op dit klaagschrift ontvangen op 4 december 2006. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Haarlem om geen strafvervolging in te stellen tegen (naam beklaagde), brigadier van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, ter zake van belediging en (naam beklaagde), inspecteur van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, ter zake van huisvredebreuk en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 11 maart 2008 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3. De voorhanden stukken

Behalve van het klaagschrift en van het verslag heeft het hof kennis genomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte mutaties en van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Haarlem van 6 mei 2007 met de daarbij gevoegde notitie van de parketsecretaris R.C. de Jong.

4. De behandeling in raadkamer

De daartoe aangewezen raadsheer-commissaris heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op 9 mei 2008 het beklag toe te lichten. Klaagster is, bijgestaan door haar gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Naar aanleiding van de behandeling in raadkamer heeft de raadsheer-commissaris besloten dat nader onderzoek door de Rijksrecherche uitgevoerd diende te worden. Het rapport van de Rijksrecherche is medio april 2009 door het hof ontvangen.

Op 16 april 2009 is door de advocaat-generaal een nader verslag opgemaakt, dat op 8 mei 2009 door het hof is ontvangen. In dit verslag heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag ongegrond te verklaren.

Vervolgens heeft de raadsheer-commissaris klaagster in de gelegenheid gesteld op 5 juni 2009 te reageren op de bevindingen van de Rijksrecherche. Klaagster is, bijgestaan door haar gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag nogmaals toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusies in de verslagen te herzien.

5. De beoordeling van het beklag

Toedracht van het voorval

Ten aanzien van de feiten acht het hof, in het bijzonder gelet op de rapportage van de Rijksrecherche, het volgende aannemelijk. Op 28 september 2006 omstreeks 13.22 uur heeft in een woning aan [straatnaam en huisnummer1] een gewapende overval plaatsgevonden, waarbij een vrouw en een kind zijn opgesloten in een kast. Direct na de overval is door de politie een buurtonderzoek gestart. Klaagsters woning is gelegen aan [straatnaam en huisnummer2], die in het verlengde ligt van de [straatnaam1]. Daarmee vormde de [straatnaam2], anders dan klaagster veronderstelde, een mogelijke aanloop- of vluchtroute van de daders van de overval van de woning aan de [straatnaam1]. Uit het ingestelde buurtonderzoek bleek dat eerder die dag een zwarte bestelauto in die straat was gezien met daarin twee negroïde mannen.

De gevel van de woning van klaagster is voorzien van beveiligingscamera’s, die op de tuin en ook, weer anders dan klaagster beweerde, op de straat voor haar woning zijn gericht. Brigadier (beklaagde) heeft klaagster verzocht de videobeelden te mogen bekijken omdat deze van belang zouden kunnen zijn voor het opsporingsonderzoek. Hierbij heeft hij klaagster herhaaldelijk verteld dat een overval had plaatsgevonden en uitgelegd waarom de beelden mogelijk van belang zouden kunnen zijn. Klaagster heeft echter geweigerd de beelden af te staan omdat (beklaagde), die in uniform was, zich niet legitimeerde en geen huiszoekingsbevel kon laten zien. Zij heeft (beklaagde) gezegd dat hij moest “oprotten”, waarbij zij naar de straat heeft gewezen. Volgens (beklaagde) begon klaagster steeds harder te schreeuwen, waarna hij is weggelopen. Bij het tuinhek heeft hij verzucht: “Wat een kutwijf”. Dit werd door klaagster gehoord. (beklaagde) is niet betrokken geweest bij de doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van klaagster.

(beklaagde) heeft zijn bevindingen doorgegeven aan groepschef inspecteur (beklaagde), die tevens hulpofficier van justitie is. Na telefonisch contact met collega’s (collega1) en (collega2) werd aan (beklaagde) doorgegeven dat in overleg met officier van justitie Lengers was besloten tot een bevel uitlevering ex art. 96a Wetboek van Strafvordering (WvSv). (beklaagde) ging met deze mededeling naar de woning van klaagster, die wederom weigerde mee te werken zonder huiszoekingsbevel. Na telefonisch overleg werd door de officier van justitie door tussenkomst van collega (collega2) aan (beklaagde) mondeling de machtiging verstrekt de woning van klaagster te betreden met het doel de situatie in de woning te bevriezen. Hierop is (beklaagde) met vier collega’s naar de woning van klaagster gegaan en heeft klaagster meegedeeld wat het doel tot binnentreden was. Volgens (beklaagde) schreeuwde klaagster onafgebroken en was zij niet voor rede vatbaar. De woning werd zonder haar toestemming betreden en de situatie werd bevroren. Aangezien klaagster bleef schreeuwen en zich bleef verzetten, werd zij in de hal door twee politieagenten vastgepakt, geboeid en op een bank in de woonkamer gezet. Vervolgens werd (beklaagde) door collega (collega2) telefonisch meegedeeld dat rechter-commissaris Van de Schepop een machtiging had gegeven tot een spoeddoorzoeking.

Volgens het proces-verbaal heeft de doorzoeking bestaan uit het openen van twee kasten. In de meterkast werd niets aangetroffen. In een kast onder de trap bevond zich een digitale recorder die in beslag werd genomen. Aangezien klaagster bleef schreeuwen en trachtte zich los te trekken van de politieambtenaren die haar op de bank vasthielden, besloot (beklaagde) haar tot afloop van de ambtsverrichtingen in verzekering te stellen conform artikel 124 WvSv. Klaagster is daartoe afgevoerd naar het politiebureau. Nadat de in beslag genomen recorder was veiliggesteld, heeft (beklaagde) de chef van dienst gebeld en werd besloten klaagster (en haar zus, die eveneens in verzekering was gesteld) in vrijheid te stellen en terug te brengen naar haar woning. Volgens (beklaagde) hebben zij ongeveer 15 tot 20 minuten op het politiebureau gezeten en ging klaagster bij thuiskomst “weer uit haar dak”. (beklaagde) is niet betrokken geweest bij het overbrengen van klaagster en haar zus naar het politiebureau en hun verblijf aldaar. Hij verklaart dat hij het letsel bij klaagster toen niet heeft gezien. Hij denkt dat het letsel aan haar schouder mogelijk is ontstaan in de hal van haar woning. Het plekje op de pols is mogelijk veroorzaakt door de transportboeien.

Inhoud van de klacht

Klaagster is van mening dat (beklaagde) haar heeft beledigd door haar “kutwijf” te noemen. Voorts is klaagster van mening dat (beklaagde) zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Volgens klaagster heeft de vordering tot uitlevering van de recorder onrechtmatig en daarmee wederrechtelijk plaatsgevonden omdat niet is voldaan aan het redelijkheidscriterium, als genoemd in artikel 96a WvSv, inhoudende dat er sprake moet zijn van een redelijk vermoeden dat de persoon tot wie de vordering zich richt, houder is van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp. Voorts zijn ook de doorzoeking van de woning en de vrijheidsontneming onrechtmatig en daarmee wederrechtelijk geweest.

Klaagster stelt dat zij als gevolg van het politieoptreden letsel heeft opgelopen, onder meer doordat zij in de hal van haar woning tegen een structuurmuur is geduwd. Klaagster heeft een verklaring van haar huisarts overgelegd. Hieruit blijkt dat zij op 28 september 2006 letsel had, dat bestond uit schaafwonden aan de rechterschouder en de bovenarm, een pijnlijke plek op de kin en een schaafwond op de linkerpols. Voorts heeft klaagster foto’s overgelegd die de letselverklaring ondersteunen.

Doordat het dossier niet was aangevuld met de door de politie opgemaakte processen-verbaal, was het hof van oordeel dat het over onvoldoende stukken beschikte om zich een afgewogen oordeel te kunnen vormen over hetgeen op 28 september 2006 in en rond de woning van klaagster is voorgevallen. Dit verzuim is in de door de Rijksrecherche opgestelde rapportage goeddeels hersteld., zij het dat het door de Rijksrecherche zelf ingestelde onderzoek nogal summier is uitgevallen.

Beperking tot mogelijke strafbare feiten

Het hof zal hierna de bespreking van klaagsters klachten beperken tot de juridische punten die zij daarin aan de orde heeft gesteld, hetgeen betekent dat de specifieke bejegeningsaspecten, gelet op het karakter van deze beklagprocedure, niet door het hof zullen worden beoordeeld. Dit standpunt leidt ertoe dat alleen klaagsters klachten over het uitblijven van een strafvervolging ter zake van mogelijke strafvervolging wegens drie strafbare feiten, zoals samengevat in de pleitnotitie van klaagsters advocaat (belediging, huisvredebreuk en wederrechtelijke vrijheidsberoving) thans door het hof besproken zullen worden. Buiten afzonderlijke beschouwing blijven derhalve de klachtonderdelen met betrekking tot de bejegening tijdens de toepassing van door de politie toegepaste maatregelen (bij het binnentreden, het onder controle houden van de situatie in de woning, de bejegening van klaagsters zoon in de rolstoel, het boeien van klaagster, de inverzekeringstelling, het overbrengen naar en de bejegening op het politiebureau, het niet opnemen van klaagsters aangifte). Deze bejegeningsklachten kunnen, voorzover dat niet eerder is gebeurd, door klaagster worden voorgelegd aan de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland, die zich daarover, na advies van een onafhankelijke klachtencommissie, een oordeel zal vormen.

Klacht over belediging (art. 266 Sr)

(beklaagde) erkent dat hij, toen hij wegliep van de woning van klaagster, heeft gezegd: “Wat een kutwijf”. Het was duidelijk dat hij daarmee duidde op de persoon van klaagster. Hoewel (beklaagde) heeft verklaard dat hij uit frustratie tegen zichzelf sprak, heeft hij kennelijk dermate luid gesproken dat klaagster hem kon verstaan.

Het hof stelt voorop dat de uitlating “wat een kutwijf” onprofessioneel is en als beledigend kan worden ervaren. Dat dit door het politiekorps wordt erkend, blijkt uit het feit dat (beklaagde) daarvoor een reprimande heeft gekregen. Voorts heeft (beklaagdes) leidinggevende, het unithoofd van de politie te Purmerend, klaagster bij brief van 19 oktober 2006 zijn excuses aangeboden voor deze uitlating. Voor beantwoording van de vraag of deze belediging ook strafbaar is, is van belang of (beklaagde) de opzet had om klaagsters eer of goede naam te krenken. Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, nu uit de context van de door (beklaagde) gebezigde bewoordingen blijkt dat de uitlating niet voor klaagster bedoeld was, maar – uit frustratie over klaagsters houding - gericht was tot hem zelf. Het hof acht deze verklaring alleszins aannemelijk en neemt daarbij mede in aanmerking dat klaagster om voor (beklaagde) onbegrijpelijke redenen – het ging tenslotte om de oplossing van een roofoverval die kort daarvoor had plaatsgevonden – alle medewerking weigerde en wel op een zodanige wijze dat zij daarmee zonder meer de toon heeft gezet voor de latere escalatie. Dat klaagster in haar emotionele beleving van het eerste contact met de politie persoonlijke redenen zou hebben gehad om niet terstond tot medewerking bereid te zijn – de politie zou met haar eerdere aangiftes wegens tegen haar gerichte bedreigingen uit de buurt niets hebben gedaan - , is wellicht niet onbegrijpelijk, maar de irritaties daarover had zij op dat moment even ondergeschikt kunnen maken aan het belang waarvoor de politie haar hulp inriep, temeer nu (beklaagde) haar had gezegd dat hij de onderliggende kwestie later zou uitzoeken. Het beklag zal dan ook wat de belediging betreft, reeds door het ontbreken van voldoende bewijs voor het opzet, worden afgewezen.

Klacht over huisvredebreuk (artt. 370 c.q. 138 Sr)

Het binnentreden in de woning van klaagster werd voorafgegaan door een bevel uitlevering van de camerabeelden op de voet van art. 96a WvSv. Klaagster is van mening dat de politie tot het geven van dat bevel redelijkerwijs niet bevoegd was. Gelet op de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat objectief bezien voldoende aanleiding bestond om te vermoeden dat door de camera’s mogelijk beelden van de daders van de overval waren opgenomen. Na de inbeslagneming zijn die beelden ook, anders dan klaagster beweert, integraal bekeken (zie het proces-verbaal van de Rijksrecherche van 26 maart 2009, opgemaakt door hoofdinspecteur (X)) . De stelling van klaagster dat inbeslagneming niet noodzakelijk was omdat de camera’s niet op de straat waren gericht, treft geen doel. Die bewering wordt weerlegd door eerdergenoemd proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat onder meer een “voetstraat” (het hof begrijpt: een trottoir), rijbaan en singel zichtbaar zijn waarop regelmatig voetgangers, fietsers en rijdende auto’s voorbij komen. De politie mocht er in redelijkheid vanuit gaan dat de opgenomen beelden van nut zouden kunnen zijn in het kader van het opsporingsonderzoek.

Toen klaagster weigerde gevolg te geven aan het bevel tot uitlevering van de camerabeelden, besloot inspecteur, tevens hulpofficier van justitie (beklaagde), om de woning van klaagster te betreden. Dat gebeurde in overleg met de dienstdoende officier van justitie die telefonisch toestemming had gegeven voor het zonder de vrijwillige medewerking van de bewoonster betreden van de woning. Blijkens zijn gehoor door de Rijksrecherche (proces-verbaal p. 020) was voor (beklaagde) op dat moment duidelijk dat hij de woning zou binnengaan om de situatie in de woning te bevriezen in afwachting van de komst van de rechter-commissaris. Toen (beklaagde) in de woning was, werd hem telefonisch meegedeeld dat de rechter-commissaris niet zou komen, maar dat hij gemachtigd was tot een doorzoeking ter inbeslagneming (art. 97 WvSv).

Het hof is van oordeel dat (beklaagde) niet wederrechtelijk (in de zin van art. 370 c.q. art. 138 Sr) de woning van klaagster is binnengegaan. Twee mogelijkheden deden zich voor: het binnentreden geschiedde hetzij op basis van een machtiging van de officier van justitie (art. 96 WvSv), hetzij op grond van een machtiging van de rechter-commissaris (art. 97 WvSv). In het eerste geval is een schriftelijke machtiging voor het binnentreden vereist (die er niet was), in het tweede geval kan de machtiging (voor de doorzoeking, inclusief voor het binnentreden) vanwege de spoed ook mondeling worden gegeven die achteraf schriftelijk en met redenen omkleed moet worden vastgelegd. Blijkens het door (beklaagde) opgemaakte proces-verbaal van binnentreden (rapport Rijksrecherche p. 085), zoals ook blijkt uit zijn gehoor door de Rijksrecherche (p. 020), is (beklaagde) krachtens een vooraf verleende machtiging door de rechter-commissaris binnengetreden teneinde diens komst af te wachten. Uit een ander door (beklaagde) opgemaakt proces-verbaal (p. 131) kan worden afgeleid dat de machtiging door de rechter-commissaris na het binnentreden was verleend, waaronder het hof verstaat dat de rechter-commissaris die zelf niet kon komen, uitdrukkelijk hulpofficier van justitie (beklaagde) machtigde om de doorzoeking te doen. (beklaagde) is er in de opvatting van het hof vanuit gegaan – en mocht dat ook doen - dat hij op grond van art. 97 WvSv binnentrad, reden waarom hij zich in eerste instantie, in afwachting van de komst van de rechter-commissaris, beperkte tot het bevriezen van de situatie in de woning (art. 97, lid 5 jo. art. 96 lid 2 WvSv). In dat geval bepaalt lid 4 van art. 97 WvSv dat geen aparte machtiging voor het binnentreden (als bedoeld in art. 2 Algemene wet op het binnentreden) nodig is. (beklaagde) heeft in zijn proces-verbaal van binnentreden vermeld dat de machtiging door de rechter-commissaris mondeling was verleend. Hem is niet bekend of de rechter-commissaris de verleende machtiging later schriftelijk heeft vastgelegd. Enig stuk daaromtrent bevindt zich evenmin in het dossier. Of de betreffende machtiging achteraf al dan niet schriftelijk is vastgelegd, doet overigens aan de rechtmatige intentie van (beklaagde) op het moment van het binnentreden en bovendien in een heterdaadsituatie niet af. In de woning is hij pas zelf tot doorzoeking overgegaan nadat hem was meegedeeld dat hij daartoe door de rechter-commissaris gemachtigd was. Onder deze omstandigheden mocht (beklaagde), die nimmer op eigen initiatief optrad, terwijl er steeds contact was met collega’s en met het openbaar ministerie, erop vertrouwen dat de aan hem verstrekte machtiging aan de bij de wet gestelde eisen voldeed. Mocht de rechter-commissaris de verleende machtiging niet op schrift hebben gesteld – waarnaar de Rijksrecherche overigens geen onderzoek heeft gedaan – dan kan dit (beklaagde) niet worden tegengeworpen. Daar komt bij dat de situatie ter plaatse, vooral door toedoen van klaagster zelf, zodanig was dat snel een beslissing moest worden genomen, onder meer om het wegmaken van mogelijk bewijsmateriaal te voorkomen. Vanwege het belang van de zaak (het oplossen van een roofoverval) werd besloten de woning binnen te gaan. Het hof acht die beslissing onder de gegeven omstandigheden zeer wel te billijken Het beklag zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

Klacht over wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr)

De stelling van klaagster dat de onrechtmatige doorzoeking tevens leidt tot de onrechtmatige uitoefening van de bevoegdheid ex artikel 124 WvSv, waarmee sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving, gaat niet op, reeds hierom niet nu de doorzoeking door het hof niet als onrechtmatig is aangemerkt. Maar ook bij een zelfstandige beoordeling van de toegepaste ordemaatregel kan niet worden gezegd dat (beklaagde) daartoe niet in redelijkheid had kunnen besluiten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de politie de woning van klaagster heeft betreden ter inbeslagneming van de camerabeelden. Aangezien aannemelijk is dat klaagster bleef schreeuwen en zich bleef verzetten, is zij aanvankelijk geboeid en op de bank in de woonkamer neergezet. Deze maatregel bleek echter niet voldoende om haar te kalmeren. Zij bleef zich hinderlijk gedragen. Gegeven deze omstandigheden kon (beklaagde) redelijkerwijs besluiten dat klaagster tot de afloop van de doorzoeking ter inbeslagneming in verzekering werd gesteld en naar het politiebureau werd overgebracht, waar zij overigens niet langer dan strikt nodig was heeft verbleven. Ook dit klachtonderdeel zal derhalve worden afgewezen.

6. De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

door mrs. T.M. Schalken, voorzitter, J.P. Splint en J.G. Bulsing, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.