Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4508

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
200.036.459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet ingesteld door beschermingsbewindvoerder. Verzoekers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling (art. 1:441 lid 1 BW en art. 350 Fw).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 228
Faillissementswet 350
Faillissementswet 351
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 441
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2009/242 met annotatie van mr. G.H. Lankhorst
JPF 2010/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.036.459

(zaaknummers rechtbank: 06/552 R en 06/553 R)

arrest van de eerste civiele kamer van 30 juli 2009

inzake

[appellant sub 1]

en zijn echtgenote

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. E. Osinga te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnissen van de rechtbank Utrecht van 19 juli 2006 is ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2 Bij vonnissen van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2009 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] tussentijds beëindigd.

1.3 Het hof verwijst naar laatstgenoemde vonnissen, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 29 juni 2009 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen van 22 juni 2009 en hebben zij het hof verzocht die vonnissen te vernietigen en (het hof leest:) te bepalen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt voortgezet, kosten rechtens.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, van de brief met bijlagen van 13 juli 2009 en het faxbericht van 21 juli 2009 van de bewindvoerder, A. Morijn, en van de brief met bijlagen van 17 juli 2009 van mr. Osinga.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009, waarbij [appellanten], hoewel behoorlijk opgeroepen, niet zijn verschenen. Namens hen was aanwezig mr. Osinga. Voorts is verschenen de bewindvoerder.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] tussentijds beëindigd, kort gezegd, omdat [appellanten] niet hebben voldaan aan hun uit die regeling voortvloeiende sollicitatieverplichting.

3.2 Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellanten] ontvankelijk zijn in het namens hen ingestelde hoger beroep. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking.

Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt de (beschermings)bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte en draagt deze zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.

Het hof overweegt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling, nader geregeld in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, gevolgen heeft voor de goederen die aan degene op wie deze regeling is toegepast - de saniet - (zullen) toebehoren, in die zin dat de saniet niet langer de vrije beschikking houdt over alle hem of haar toebehorende goederen. Dit brengt met zich dat, indien tevens een beschermingsbewind is ingesteld over alle goederen, in procedures die betrekking hebben op de wettelijke schuldsaneringsregeling - in ieder geval voor zover die procedures betrekking hebben op de toelating tot en de (eventuele) beëindiging van de schuldsaneringsregeling - de beschermingsbewindvoerder dient op te treden als formele procespartij in plaats van de saniet, nu de schuldsaneringsregeling vrijwel alle onder bewind staande goederen van de rechthebbende betreft.

Het vorenstaande betekent dat ook voor een procedure in hoger beroep, zoals de onderhavige, waarin wordt opgekomen tegen een beslissing tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling terwijl er een beschermingsbewind over alle goederen van de saniet is ingesteld, het rechtsmiddel dient te worden ingesteld door de beschermingsbewindvoerder.

Omdat in onderhavige zaak niet de beschermingsbewindvoerder namens [appellanten] is opgetreden als formele procespartij, maar [appellanten] zelf, bijgestaan door hun advocaat, kunnen [appellanten] niet worden ontvangen in het namens hen ingestelde hoger beroep.

3.3 Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat in geval van een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep het hof evenals de rechtbank tot het oordeel zou zijn gekomen dat [appellanten] hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting niet naar behoren zijn nagekomen.

Voor [appellant sub 1] (die vanaf mei 2008 tot heden gemiddeld omstreeks 20 uur per week arbeid in loondienst verricht) gold vanaf de datum van zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling een aanvullende sollicitatieverplichting en voor [appellante sub 2] (die vanaf begin februari 2009 drie uur per dag betaald werk verricht) vanaf augustus 2007 een fulltime sollicitatieverplichting. De bewindvoerder heeft [appellanten] bij herhaling gewezen op hun in acht te nemen sollicitatieplicht. Bovendien zijn [appellanten] op een eerder - op 11 februari 2008 - gehouden beëindigingszitting bij de rechtbank nog eens uitdrukkelijk gewezen op hun verplichting om aantoonbaar te solliciteren (waarna de bewindvoerder haar verzoek om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft ingetrokken).

[appellanten] hebben de aan hen geboden kansen echter niet op waarde geschat, zodat naar het oordeel van het hof een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellanten] gerechtvaardigd zou zijn geweest.

3.4 Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna te melden.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het namens hen ingestelde hoger beroep tegen de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2009.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, A. Smeeïng-van Hees en V. van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2009.