Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4029

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.022.700-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

echtscheidingsconvenant, geen beding van niet-wijziging, wijzigingsverzoek ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bij vervroeging

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 21 april 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.022.700/01 van:

[De vader],

wonende te [woonplaats vader],

APPELLANT,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard,

t e g e n

[De moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. S.C.A. van Vlijmen te Naarden.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vader en de moeder genoemd.

1.2. De vader is op 19 januari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 november 2008 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 144820/08-1197.

1.3. De moeder heeft op 3 maart 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 23 maart 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

1.6. Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de moeder nog stukken aan het hof toegezonden en afschriften daarvan aan de vader gezonden.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1994 gehuwd. Hun huwelijk is op 4 juli 2001 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 juni 2001 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [minderjarige 1] op [geboortedatum] 1993 en [minderjarige 2] op [geboortedatum] 1995. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij verblijven bij de moeder.

2.3. Het tussen partijen op 20 mei 2001 overeengekomen echtscheidingsconvenant maakt onderdeel uit van de echtscheidingsbeschikking. Hierin is bepaald dat de vader bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te voldoen van NLG 500,- per kind per maand (thans na indexering € 279,- per kind per maand), te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan of zal worden verleend.

2.4. Ten aanzien van de vader is het volgende gebleken.

Hij is geboren op [geboortedatum] 1963. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst bij [naam bedrijf] B.V. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2008 € 27.398,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vader bewoonde woning betaalt hij € 680,- per maand aan rente. Aan premie levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 300,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 185.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 139,- per maand.

Hij heeft een schuld aan de Interbank in verband met de aanschaf van zijn auto van € 4.238,- op 10 december 2008. Hij betaalt hierop rond € 75,- aan rente en aflossing per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 50,- per maand.

2.5. Ten aanzien van de moeder is het volgende gebleken.

Zij is geboren op [geboortedatum] 1967. Zij vormt samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een éénoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst bij de [naam stichting]. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2008 € 24.513,-.

Aan huur en enige servicekosten betaalt zij € 530,- per maand. Zij ontvangt een huurtoeslag van € 148,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 99,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 maart 2008 op nihil te stellen, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag met een in goede justitie te bepalen ingangsdatum, afgewezen.

3.2. De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de bijdrage te bepalen op € 80,- per kind per maand, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen ander bedrag.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het hof dient te beoordelen of na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant de omstandigheden dusdanig zijn gewijzigd dat de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen, door de vader te betalen, bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding in stand dient te blijven. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is niet in geschil en bedraagt thans na indexering € 279,- per kind per maand.

4.2. Partijen hebben in het echtscheidingsconvenant de bepaling opgenomen dat zodra één van hun kinderen de leeftijd van zes, twaalf, zestien respectievelijk achttien jaar bereikt, partijen in onderling overleg zullen bezien of de overeengekomen bijdrage aanpassing behoeft. Het echtscheidingsconvenant bevat verder geen beding van niet-wijziging. Beide kinderen hadden ten tijde van de indiening van het wijzigingsverzoek de leeftijd van twaalf jaar bereikt, zodat een verzoek tot wijziging van de bijdrage op grond van artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek openstaat en de vader dientengevolge ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De grieven van de vader lenen zich gelet op hun onderlinge samenhang voor gezamenlijke behandeling.

Het hof overweegt dat uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de omstandigheden aan de zijde van zowel de vader als de moeder zijn gewijzigd. De vader heeft met zijn voormalige partner een woning gekocht. Sinds het einde van de relatie verblijft de vader in die woning en betaalt alle lasten. De vader geeft aan dat de woning binnenkort te koop zal worden aangeboden en dat na de verkoop van de woning naar alle waarschijnlijkheid een schuld zal resteren. Aan de zijde van de moeder is gebleken dat zij over een significant hoger inkomen beschikt dan ten tijde van de echtscheiding. Dit brengt mee dat ook de inkomensverhouding tussen partijen sterk is gewijzigd.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen uitgaan van de gegevens zoals vermeld onder 2.4. en 2.5. en hetgeen hierna te dien aanzien is overwogen.

Het hof zal aan de zijde van de vader geen rekening houden met de aflossing op de schuld in verband met de aanschaf van zijn auto. De vader heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de moeder de noodzaak van de aanschaf van de auto niet aannemelijk kunnen maken. Ten aanzien van de woonlasten overweegt het hof dat van de voormalige partner van de vader, in haar hoedanigheid van mede-eigenaar, verwacht mag worden dat zij voor een bedrag van € 300,- per maand bijdraagt in de woonlasten. Het hof zal verder aan de zijde van de vader rekening houden met het gehele bedrag van het eigenwoningforfait.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 160,- per kind per maand, de verhouding van de inkomens van partijen in aanmerking genomen, in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het hof zal de bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], uitgaande van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, wijzigen met ingang van 1 april 2008. Voorzover de vader vanaf 1 april 2008 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan deze bijdrage, kan van de moeder, nu een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 27 juni 2001, de door de vader bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 april 2008 op € 160,- (HONDERDZESTIG EURO) per kind per maand, met dien verstande dat, voorzover de vader over de periode vanaf 1 april 2008 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, R.G. Kemmers en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van mr. K.W. van Mourik als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009.