Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4011

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.007.011-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met terugwerkende kracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 24 februari 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.007.011/01 van:

[DE VADER],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.B.J.M. Spoormans te Amsterdam,

t e g e n

[DE MOEDER],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.B. Falkena te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vader en de moeder genoemd.

1.2. De vader is op 4 juni 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 maart 2008 van de rechtbank te Alkmaar, met kenmerk 96405 / FA RK 07-634.

1.3. De moeder heeft op 23 juli 2008 een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vader heeft op 1 september 2008 nadere stukken ingediend.

1.5. De vader heeft op 3 september 2008 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.6. De zaak is op 11 september 2008 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, advocaat te Alkmaar.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen hebben vanaf [maand] 1999 tot [maand] 2002 een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2000 [het kind] geboren. Partijen hebben nooit samengeleefd. De vader heeft [het kind] erkend. [Het kind] verblijft bij de moeder. De moeder heeft naast [het kind] nog drie kinderen van 13, 15 en 17 jaar uit een eerdere relatie. Zij ontvangt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de vader van die kinderen.

2.3. Bij beschikking van 10 december 2003 van de rechtbank te Alkmaar is bepaald dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] (hierna: de bijdrage) van € 500,- per maand, te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van [het kind] kan of zal worden verleend, dient te voldoen, een en ander met ingang van 20 mei 2003 en onder aftrek van het reeds door de vader aan de moeder betaalde.

2.4. Ten aanzien van de vader is het volgende gebleken.

Hij is geboren op [geboortedatum vader]. Hij is in 2004 gehuwd met zijn huidige echtgenote en woont in Frankrijk.

Zijn huidige echtgenote voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij heeft sinds 2005 een eigen onderneming in Frankrijk. Uit zijn Franse belastingaangiften van 2007 blijkt dat hij een belastbaar inkomen uit bedrijfs- en handelsactiviteiten had van in totaal € 14.998,- Uit zijn IB-aangifte van 2007 blijkt dat hij in Nederland een bruto fiscaal inkomen uit sparen en beleggen had van € 29.250,-.

Hij is eigenaar van een viertal panden in Nederland en drie panden in Frankrijk, waaronder de echtelijke woning.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de woning aan de [adres en woonplaats] betaalt de vader € 1.114,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten.

Aan premie voor de zorgverzekering betaalt hij € 102,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [het kind], die eenmaal per maand in Nederland plaatsvindt.

2.5. Ten aanzien van de moeder is het volgende gebleken.

Zij is geboren op [geboortedatum moeder]. De moeder vormt samen met [het kind] en haar overige drie kinderen een éénoudergezin.

Zij is fulltime werkzaam in loondienst van een notariskantoor. Haar salaris bedraagt € 1.450,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag.

Aan huur betaalt zij € 430,- per maand.

Aan premie voor de zorgverzekering betaalt zij € 152,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader de bijdrage met ingang van augustus 2005, althans november 2005, althans 17 juli 2007, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil te stellen, en te bepalen dat de reeds betaalde bijdragen niet voor verrekening in aanmerking komen, afgewezen.

3.2. De vader verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, althans een bijdrage op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten, vast te stellen.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, uitsluitend voor het geval dat de bijdrage op een lager bedrag wordt vastgesteld, te bepalen dat de ingangsdatum zal zijn de datum van de beschikking van het hof.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader het verzoek van de moeder af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

De ontvankelijkheid van het principaal appel:

4.1. In het midden kan worden gelaten of de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 10 december 2003 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven als bedoeld in art. 1:401 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onvolledige gegevens is uitgegaan. Vast staat immers dat sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor genoemde beschikking niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, nu de vader in 2004 opnieuw is gehuwd en de rechtbank Alkmaar bij beschikking van 25 oktober 2006 tussen hem en [het kind] een omgangsregeling heeft vastgesteld. De vader is dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.

4.2. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de bijdrage door de gewijzigde omstandigheden niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

In geschil zijn de hoogte van de behoefte van [het kind] aan een bijdrage, de draagkracht van de vader om die te kunnen voldoen en, eventueel, de ingangsdatum van de nieuw te berekenen bijdrage.

In principaal hoger beroep:

4.3. Ten aanzien van de behoefte van [het kind] overweegt het hof het volgende.

Aan het wettelijk systeem ligt het uitgangspunt ten grondslag dat beide ouders aan de verzorging en opvoeding van hun kind moeten bijdragen. Het feit dat de ouders nimmer in gezinsverband hebben samengeleefd staat er niet aan in de weg dat bij de bepaling van de behoefte van het bij de moeder verblijvende kind de financiële middelen van de vader mede in aanmerking worden genomen. Nu de vader - door de moeder onbestreden - het jaar 2003 bij de behoeftebepaling tot uitgangspunt neemt, zal het hof hem daarin volgen.

De vader heeft de behoefte van [het kind] in 2003 becijferd op € 184,- per maand (beroepschrift, nr. 11). Daarbij is hij uitgegaan van een berekeningswijze waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de netto-inkomens van beide onderhoudsplichtigen en - op basis daarvan - het fictieve (netto) gezinsinkomen (beroepschrift, nr. 10). Het hof volgt deze door de vader zelf toegepaste wijze van berekening. De uitkomsten daarvan zijn in het onderhavige geval voor de moeder en [het kind] gunstiger dan bij toepassing van berekeningswijzen waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de huisvestings- en andere vaste lasten van twee afzonderlijke huishoudens relatief hoger liggen dan die van een gecombineerd huishouden (o.m. HR 13 april 2007, NJ 2007, 394).

De moeder heeft weliswaar betoogd dat nog steeds uitgegaan dient te worden van het door de rechtbank Alkmaar vastgestelde bedrag van € 500,- per maand maar nu de vader de behoefte van [het kind] in deze procedure aan de orde heeft gesteld zal deze opnieuw dienen te worden vastgesteld.

Aan de zijde van de vader gaat het hof uit van een netto inkomen van € 16.836,-, uitgaande van een belastbaar inkomen

(box 3) van € 21.528,- en een belastingheffing van € 4.692,- (productie 3 bij de door de vader bij brief van 23 januari 2008 aan de rechtbank toegezonden stukken). Dit komt neer op een inkomen van € 1.403,- netto per maand.

Aan de zijde van de moeder zal worden uitgegaan van een gemiddeld maandinkomen van € 1.235,- netto. Zij heeft weliswaar betoogd (verweerschrift, nr. 6) dat dit in de beschikking van 10 december 2003 van de rechtbank Alkmaar vermelde inkomen niet klopt, maar zij heeft nagelaten dat standpunt te onderbouwen, hetgeen wel op haar weg lag, in aanmerking genomen haar stelling dat zij de rechtbank destijds (al) haar financiële gegevens heeft aangeleverd.

Op basis van een fictief netto gezinsinkomen van € 2.638,- en een gezin met vier kinderen stelt het hof de behoefte van [het kind] in 2003 vast op € 210,- per maand, en na wettelijke indexering tot en met 2007 op € 224,- per maand.

4.4. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader gaat het hof uit van de gegevens onder 2.4, nu de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vader hogere inkomsten uit de verhuur van zijn woningen heeft of over meer vermogensbestanddelen beschikt dan hij zelf aangeeft.

Het hof zal verder rekening houden met omgangskosten van € 211,- per maand en met de helft van de opgevoerde hypotheekrente voor de door de vader gekochte woning in [adres en woonplaats]. De vader is immers in hoofdzaak woonachtig in Frankrijk en hij heeft tegenover de betwisting door de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de woning door hem slechts is aangeschaft en wordt gebruikt voor de omgang met [het kind].

De kosten van aflossing op de hypotheek worden buiten beschouwing gelaten.

4.5. De stelling van de vader dat ook de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] dient te voldoen, wordt verworpen omdat de moeder, gegeven haar inkomen en vaste lasten, daartoe de draagkracht mist. Dat de moeder samenwoont met een partner, zoals de vader heeft aangevoerd, heeft hij tegenover de betwisting door de moeder niet nader toegelicht of te bewijzen aangeboden, zodat het hof aan de stelling dat de partner van de moeder geacht moet worden de helft van de woonlasten te dragen verder voorbijgaat.

In incidenteel hoger beroep:

4.6. Het hof overweegt met betrekking tot de ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage, dat deze zal worden gesteld op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift van de vader, omdat de moeder vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een lagere bijdrage. Voorzover de vader vanaf 17 juli 2007 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 4.7. te noemen bijdrage, kan van de moeder, nu een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.7. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de vader met ingang van 17 juli 2007 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 224,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Ten overvloede wordt er op gewezen dat de wettelijke indexering van toepassing is.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt de door de vader bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van 17 juli 2007 op € 224,- (TWEEHONDERD EN VIERENTWINTIG EURO) per maand, met dien verstande dat, voorzover de vader over de periode vanaf 17 juli 2007 tot heden, de wettelijke indexering in aanmerking genomen, meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, A.L. Diender en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van

mr. K.W. van Mourik als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2008.