Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3443

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
07/00909
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt met een beroep op de ‘hardheidsclausule’, en een tweetal door hem genoemde besluiten van de staatssecretaris van financiën, van 11 december 2000 (CPP 2000/2721M) en 14 mei 2003 (CPP 2003/795M, V-N 2003/26.2), dat in het onderhavige geval geoordeeld dient te worden dat hij voor de toepassing van artikel 6.14, eerste lid, Wet IB 2001 geen recht heeft op kinderbijslag. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet omdat belanghebbende recht had op kinderbijslag. Het onderhavige geval kan niet op een lijn worden gesteld met de in de besluiten genoemde, door belanghebbende aangehaalde gevallen die het niet geldend maken van een recht op bijstand, respectievelijk het te laat inschrijven van een werkloos kind van 17 jaar bij de arbeidsvoorzieningsorganisatie betreffen. Evenmin volgt uit in de in de besluiten genoemde gevallen dat de situatie van belanghebbende op dezelfde wijze moet worden beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.13
Wet inkomstenbelasting 2001 6.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/53.14 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00909

datum uitspraak: 25 juni 2009

tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

M te A,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/1457 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 11 oktober 2007 in het geding tussen

belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.721.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2007 het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen voornoemde uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. Met de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift, gedagtekend 12 november 2007 en ingekomen bij het Hof op 13 november 2007.

1.5. De inspecteur heeft op 9 januari 2008 een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2009. Aldaar is namens belanghebbende verschenen mr. I, en namens de inspecteur mr. H.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast.

2.1.Belanghebbende heeft het gehele jaar 2004 in Nederland gewoond. Zijn echtgenote en zijn op 31 januari 1999 geboren zoon A verblijven in Egypte. In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht zijn belastbaar inkomen te verminderen met de kosten van levensonderhoud van zijn zoon, hetgeen de inspecteur heeft geweigerd.

2.2. Belanghebbende heeft op 16 oktober 2006 kinderbijslag aangevraagd voor A voor (onder meer) het onderhavige jaar 2004; op 31 oktober 2006 heeft hij bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een verzoek ingediend om een verklaring inzake zijn kinderbijslagrechten af te geven. Bij brief van 1 november 2006 heeft de SVB ‘in algemene zin’ het volgende – voorzover van belang – medegedeeld:

‘Volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kan het recht op kinderbijslag niet worden

vastgesteld voor kwartalen die verder terug liggen dan 1 jaar te rekenen vanaf de aanvraagdatum. U hebt op 16 oktober 2006 kinderbijslag aangevraagd. Hierdoor gaan wij bij de beoordeling van uw recht op kinderbijslag niet verder terug dan het vierde kwartaal van 2005.’.

2.3. Vanaf het derde kwartaal 2005 ontvangt belanghebbende kinderbijslag voor zijn zoon.

2.4. In hoger beroep is ten genoegen van de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de kosten van het onderhoud van de zoon in belangrijke mate op belanghebbende drukken.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het onderhavige jaar 2004 recht heeft op aftrek ter zake van uitgaven voor het levensonderhoud voor het kind A.

Belanghebbende stelt daarbij dat zowel de uitspraak van de inspecteur als die van de rechtbank motiveringsgebreken vertonen, zodat zij reeds daarom moeten worden vernietigd.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, voorzover van belang, het volgende overwogen:

“3. Voor wat betreft de aanspraak van eiser (Hof: belanghebbende) staat vast dat dit niet is geëffectueerd, omdat een aanvraag daartoe niet tijdig is ingediend. Dit laat onverlet dat voor het betreffende jaar een recht op kinderbijslag bestond, zodat de gestelde uitgaven gelet op het bepaalde in artikel 6.14 Wet IB niet in aanmerking kunnen worden genomen.

4. Eiser heeft ter zitting een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

5. Voor zover eiser hiermee heeft beoogd te stellen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat het niet effectueren van een recht op kinderbijslag in weerwil van de wettelijke bepalingen dienaangaande niet in de weg staat aan de beoogde aftrek (vergelijk Hof Amsterdam 8 mei 2002, LJN: AE3232) volgt de rechtbank eiser hierin niet. Het enkel verzuimen de aanspraak op kinderbijslag te effectueren is niet aan te merken als bijzondere omstandigheid.

6. Een beroep op de in artikel 63 Awr neergelegde hardheidsclausule kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, nu beslissingen op grond van de hardheidsclausule niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. (…)’.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

6. Relevante bepalingen

Artikel 6.13 Wet IB 2001 luidt - voorzover van belang - als volgt:

‘1. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige

wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een partner heeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor levensonderhoud van het kind samengevoegd.’.

Artikel 6.14 Wet IB 2001 luidt - voorzover van belang - als volgt:

‘1. Uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden niet in aanmerking genomen indien:

a. de belastingplichtige of een persoon die tot zijn huishouden behoort, voor het kind recht heeft op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met die wet overeenkomende buitenlandse regeling;’.

7. Overwegingen

7.1. De loop van de procedure in belastingzaken brengt met zich dat de rechter in belastingzaken, indien aan een - op zichzelf juiste - uitspraak van de inspecteur motiveringsgebreken kleven, die uitspraak niet vernietigt, maar de motivering waar nodig

zelf aanvult.

7.2. De rechtbank heeft de motivering van de uitspraak van de inspecteur aangevuld, zodat

het Hof reeds daarom geen aanleiding vindt op deze grond tot vernietiging en toekenning van een proceskostenvergoeding over te gaan.

7.3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar voldeed aan de in de AKW gestelde voorwaarden voor toekenning van kinderbijslag, zodat hij die had kunnen ontvangen, mits hij tijdig daartoe een verzoek zou hebben ingediend.

7.4. Belanghebbende stelt evenwel, met een beroep op de ‘hardheidsclausule’ (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)), en een tweetal door hem genoemde besluiten van de staatssecretaris van financiën, van 11 december 2000 (CPP 2000/2721M)

en 14 mei 2003 (CPP 2003/795M, V-N 2003/26.2), dat in het onderhavige geval geoordeeld dient te worden dat hij voor de toepassing van artikel 6.14, eerste lid, Wet IB 2001 geen recht heeft op kinderbijslag.

7.5. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet omdat belanghebbende recht had op kinderbijslag. Het onderhavige geval kan niet op een lijn worden gesteld met de in de besluiten genoemde, door belanghebbende aangehaalde gevallen die het niet geldend maken van een recht op bijstand, respectievelijk het te laat inschrijven van een werkloos kind van 17 jaar bij de arbeidsvoorzieningsorganisatie betreffen. Evenmin volgt uit in de in de besluiten genoemde gevallen dat de situatie van belanghebbende op dezelfde wijze moet worden beoordeeld.

Ook het beroep op artikel 63 AWR kan niet tot een voor belanghebbende gunstige beslissing leiden. De stelling dat belanghebbende ‘onbewust’ niet tijdig kinderbijslag heeft aangevraagd, kan aan dit oordeel niet afdoen.

7.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

9. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 25 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.